Verrassende omkering

Beukenlaan

De gedachte dat deze bomen weten
wie ik ben, uit al die mensen deze toevallige
man, vrouw, deze ene

ze komen zo langzaam uit het gazon
gaan zo langzaam langs het pad
verdwijnen zo langzaam

de gedachte dat deze bomen
om mij geven, dat ze op mij wachten,
dat ze weten dat ik kom

Rutger Kopland, ‘Beukenlaan’ In: Idem, Tot het ons loslaat3, Amsterdam: Van Oorschot, 1997, 23

Niet alleen wij herinneren ons vroeger geluk, geluk herinnert ook ons en achtervolgt ons. Deze omkering sprak mij aan toen ik voor het eerst Rutger Koplands gedicht ‘Wat is geluk’ las (Tot het ons loslaat, 35). Iets trok me in de tekst en iets bleef me een raadsel. Nu ik de bundel nog eens lees, kom ik bij het gedicht ‘Beukenlaan’. Weer die verrassende omkering: de gedachte dat bomen om mij geven, dat ze weten dat ik kom. Kan ik zo’n soort gedicht schrijven?


Ganzenwater

De gedachte dat deze ganzen verschijnen
deze vroege morgen, juist deze, bij ons achter
elkaar luidruchtig de ruimte betwisten

het water is sinds onze verhuizing
gebleven en de rimpels trekken altijd weg
alle morgens bleven

de gedachte dat deze ganzen
in dit water elkaar verschijnend betwisten
en vanzelfsprekend ons voor zijn


Buikschaamte

De schaamte die ik vastgrijp
bollend blozend elke morgen, vandaag
voor de spiegel, bij kwartslag draaien

elke morgen komt kijken, onvoorbereid
door vaste slaap, de ogen argwanend
licht toegeknepen

de schaamte die een blozende buik voelt,
mij met deze morgen aanstaart, opgeblazen
ziet, tot zij mij loslaat


De Koninklijke Abdij van Fontevraud was van 1814 tot 1963 een strafgevangenis

De gedachte dat de Koninklijke abdij
zo’n honderdvijftig jaar
een beveiligde strafinrichting was,
neemt me in de kloostergang meer
dan een ogenblik te pakken en zij dwingt
mij de lijnen te volgen
om woord voor woord verlossing uit te leggen
tot ik de vreemde ogen van de Koning ontwaar.

Hij laat zich zonder pardon
meevoeren in mijn gedachten
en in de schrijfgang word ik Hem eigen,
meer dan je denkt.