Troosten en verdriet

De eerste begrafenis die ik leidde was van een kindje van negen weken. In de huiskamer van het jonge gezin hielden wij een korte samenkomst met de directe familie. De vader droeg het kleine kistje in z’n armen naar het graf. Ik zie het nog voor me. Ik was destijds zelf vader van drie kinderen, de jongste nauwelijks ouder dan het overleden kind. De ouders waren verdrietig, en ik met hen.

 

Wat is verdriet eigenlijk? Lange tijd heb ik die vraag niet eens gesteld. Intuïtief deed ik wat ik kon om te troosten of te begeleiden. Totdat ik het boek van dr. Wim ter Horst las: Over troosten en verdriet. Wat mij betreft met afstand het beste boek over dat onderwerp.

 

De meest krachtige gedachte in dat boek is dat verdriet een menselijk antwoord op leed. Geen reactie, Ter Horst komt bewust niet met dat woord. “Daarom heb ik het woord reageren niet gebruikt. Reageren doen chemische stoffen in reageerbuisjes; een mens kan een antwoord geven naar de (beperkte) mate waarop ze vrij is.” (28). De mens is niet een wezen dat reacties ondergaat op grond van omstandigheden of verleden. Ter Horst ontkent die factoren niet, maar hij ziet het wezen van de mens in het feit dat je antwoord geeft. Dat is een stap, een handeling, een verantwoordelijkheid. Zeker, als je het doolhof van het leed (67,70) wordt ingestuurd.

 

Dat wil dus ook zeggen dat er goede antwoorden kunnen worden gegeven, of betere; zelfs minder goede. Hij geeft een mooi overzicht van mogelijkheden, waarbij hij verschillende posities met elkaar in verband brengt: aanvaarden en niet-aanvaarden, open en gesloten, inzet en geen inzet.

 

 

Een tweede fundamentele gedachte in dit boek gaat over de noodzaak van de gemeenschap: “…ik ben wel van mening dat met verdriet alleen maar menselijk te leven is binnen gemeenschap.” (16, zie ook 26: “Gemeenschap is een randvoorwaarde om met verdriet te kunnen leven.” en 119). Vandaar dat hij inlevend en zeer treffend de reacties van mensen op verdriet in kaart brengt. Troost is hulp bij het leedgevecht. De hulp die nodig is hangt af van het soort leed dat geleden wordt. Het gaat bij troost om geborgenheid (103). “Aan haar vertroostende moederborst zullen jullie drinken en verzadigd worden, haar volle rijke borsten zullen je zogen en verkwikken.” (Jesaja 66,11). Dat is de fysieke taal voor getraumatiseerde mensen. Daarnaast is troost ook het bieden van uitzicht (111): hoop, verwachting, toekomstperspectief, ‘de notie dat het gevecht niet voor niets is.’

 

Dit boek heeft me een goed zicht op verdriet in handen gegeven. Het heeft me geholpen om goed te luisteren en zo de adequate hulp te bieden. Het blijkt een zoektocht, merk ik. Al is het maar omdat het verdriet van de ander soms roert in het mijne. Dat verwart me. Ik kan dan moeilijk de professionele distantie bewaren. Ook ik snak soms naar die geborgenheid voor het leed in mijn boezen, en hoop op mensen die mij uitzicht tonen.
Op mijn beste momenten vind ik dat het mooiste van de geloofsgemeenschap: over en weer verdriet en troost delen in de werkelijkheid die van God en leed doortrokken is. Zo worden we door elkaar steeds meer mens, steeds kwetsbaarder. Het is zoals Ter Horst zegt: verdriet is een oer-woord “Het is een van die woorden die zo hecht zijn verbonden met het menszijn, dat ze oorspronkelijker zijn en er eerder waren, dan de begrippen waarmee ze zouden kunnen worden verduidelijkt.” (27).

 

Naar aanleiding van: Wim ter Horst, Over troosten en verdriet.11 Kampen: Kok, 2007

 

Dr. Wim ter Horst (1929 – 2018) werkte bij het basis-  en speciaal onderwijs, leidde onderwijzers en kleuterleidsters op en eindigde zijn onderwijsloopbaan als hoogleraar klinische en orthopedagogiek in Leiden. Hij verloor drie kinderen op jonge leeftijd, en vlak na de derde overleed zijn eerste vrouw. „Ik heb altijd gebeden: Heere, geef dat ik niet bitter word”, zei hij in 2010 in een interview met het Reformatorisch Dagblad. Samen met ds. Margriet van der Kooi schreef hij in 2009 Als kinderen andere wegen gaan. Een kleinood.