De eigennaam (mnl.) Simōn wordt in het Nederlands weergegeven met ‘Simon’.
Simōn is een Griekse naam, die wel gebruikt werd in de plaats van het Hebreeuwse Simeon. In het Nieuwe Testament zijn verschillende personen bekend met de naam Simon of Simeon. Ik schreef over elk van deze naamgenoten een gedicht.
1 “Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem.” (Lukas 2,25)
Zodra je begint uit te zien
naar vertroosting, is het ineens
alsof het weefsel dieper gescheurd is
en de rek er verder uit is
dan je piekerend alleen voor mogelijk hield.
Terwijl er toch niets geks gebeurd is,
weet het verdriet je meer en meer
te dringen om in het godshuis
het gezicht te zoeken
van de Almachtige
die zwijgt.
Met de oude weduwe kom ik hier elke dag.
Als je dichtbij ons staat, hoor je ons.
Traan voor traan rijgt zij, rijg ik
woord voor woord tot een gekreukt gebed.
Wij mompelen niet gek.
2 “… Simon, bijgenaamd de Zeloot… “ (Lukas 6,15)
Omdat mijn ijver discipline is, voel ik
het heilig vuur elke morgen en iedere
vermoeide avond van binnen branden, behalve
als je met niemand rondgezworven hebt,
verlaten thuis gekomen op den duur toch naar
de afspraak met het leven moet – dan
bestaat ijver uit vonkend schuldgevoel
en een overmoedig plan: tijdig vlammen!
En als dat ook niet lukt, dan gaat
de ijver voor een hard gesprek,
een goede vriend die altijd tijd heeft
als het goed is en zo niet, dan
rest er weinig anders dan de stilte,
de stilstand bij de heilige die ooit zichzelf
verteerd heeft, die maar smeulen bleef
en mij ooit zachtjes aanstak.
3 “Simon… Jij hebt me niet begroet met een kus…” (Lukas 7,36-50)
Flauwekul is het en anders niet.
Dat van die dankbaarheid:
ik leek verdomme wel een sul
die een enormiteit niet snappen kan
of wil. Dat is dus flauwekul en ik heb spijt
dat ik hem vroeg te komen eten.
Waarom zou ik hem dankbaar zijn
als hij met dat venijn bij mij aan tafel zit?
En dan dat onverstand: die vrouw
kwam van de straat en iedereen begrijpt
waar dat voor staat, behalve hij.
De wonderboy komt zich pedant gedragen
terwijl mijn slaaf zijn beker vult.
Hem groeten met een kus?
De onbenul.
Wat een van onze club al eerder zei:
eens zien wat hij in huis heeft.
En dat is helder, toch?
Nul komma nul.
Zou hij nu echt verwachten
dat ik knielen zou, net als
die vieze vrouw met graflucht?
Het Godsidee! Welnee.
Voor mijn part valt hij dood.
Lof aan de Machtige.
Zijn trouw is groot.
4 “Simon, Simon, weet dat de Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken.” (Lukas 22,31)
Simon, de visserman, hebt U op hem gelet?
Hij trekt al jaren met mij op, Ik ken hem tot-en-met.
Naast me zitten, voor me staan, hij wil zo graag,
doe maar dik, aangezet, hij gaat ervoor.
Hij wil de eerste zijn, de grootste
en dat daaraan wat schort,
dat heeft hijzelf niet door.
Maar nu: de satan heeft hem opgeëist.
De klacht? Trots, een te groot ego, onbehouwen.
Geef hem eens ongelijk.
Hij wil hem zeven als de tarwe, maar Ik wil hem niet kwijt.
Simon, de rots – en daar een kerk op bouwen.
Ik zit te tobben, Vader.
Niet vragen om te waken, straks?
Geen Malchus om een oor bij af te slaan?
Geen slimme meisjes in het voorportaal?
Ik voel me moe en vrees de nacht die komen gaat.
Maar Ik vertrouw op U.
Mag Simon daarin op mij lijken?
Eén ding, Ik vraag één ding: doe als bij Job,
laat zijn vertrouwen niet bezwijken.
5 “Toen Jezus in Betanië in het huis van Simon – diegene die aan een huidziekte had geleden – aanlag voor de maaltijd, kwam er een vrouw naar Hem toe. Zij had een albasten flesje met zeer kostbare olie bij zich en goot die uit over zijn hoofd.” (Matteüs 26,6-13)
De geur!
Toen haar hele hebben
door zijn haren kroop, haar houden
langs zijn slapen sloop, was ik terug.
De dure nardus van die vrouw,
hij nam me mee.
Die dag genas mijn huid. Ik schrok,
destijds lag ik eruit en was ik ongeschikt
voor menselijk contact.
Maar niet voor Hem.
Er is in heel Jeruzalem en regio
geen ander zo vertrouwd met ziekte.
Geen aarzeling, laat staan paniek
of weerzin toen Hij mij zag
en handen om mijn hele hebben
vouwde. Hij tipte met de toppen
op mijn houden en gleed
langs vleugels, betrad de brug,
bestreek als toegift beide wangen.
Verlangen in zijn ogen,
een trilling in zijn stem.
Hij zuchtte ‘Simon’ en, o God,
ik rook Hem, bij zijn kus
aan mij, melaatse.
6 “De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus uit te leveren.” (Johannes 13,2 en Matteüs 27,3-10 en Handelingen 1,17-20)
Je overschot bekeken, zoon.
Vanbinnen vonden wij je hoogmoed,
diep in de bange darm,
verkleefd met hard verraad
knapte vuil kwaad naar buiten.
Ik heb het wel geweten.
Je kwam zo barstensvol tot leven,
het brak je moeder op.
Geprezen in heel Kariot haar naam.
In naam van onze God werd jij,
klop van ons hart, besneden.
Met heel het volk apart.
Wat prezen we de hemel
toen de mensenzoon je riep.
Maar jij liep op Hem uit,
je ging voor zilver.
Ik houd van jou, mijn zoon, mag ik je kussen?
De God van Israël vond tussen het bederf
het eerlijke verhaal, van inkeer, spijt, berouw.
We leggen je in vrede neer,
je loon is bij de Heer.
Hij zal Zijn volk behoeden.
Al het kwade keert ten goede.
7 “Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alezander en Rufus, om het kruis te dragen.” (Markus 15,21)
Mijn vader was gebroken.
Met ogen op oneindig traande hij
zijn beurse ziel naar buiten:
dood is de Heer.
Hij zei het in het Grieks,
het Grieks van vroeger in Cyrene,
dat ene, keer op keer: dood, dood,
nu is Hij dood. En weg.
Was het stom toeval of domweg pech,
gewoon een dag waarop het tegenzat?
Wie was het die hem trok en dwong
Jezus de kruisbalk na te dragen?
Vragen, vragen.
Brok in mijn keel
als ik weer hoor hoe moeder stil viel,
Rufus schrok toen vader nog eens brak:
nu is Hij dood.
Rood uitgeslagen handen in zijn schoot,
in harde vingers harde splinters,
maar het was niets,
nee, dan zijn hart.
Het bloedde met de mens,
stierf drie uur lang wel duizend doden
en hoorde na de nacht het laatste woord:
volbracht!
Wij zijn toen maar gaan eten.
Ons Paaslam was geslacht.
Het was apart.
8 “Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria, en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zussen hier niet bij ons?” (Markus 6,3 en Handelingen 1,14)
Wat zou ik graag mijn oordeel, broer,
mijn oude oordeel wissen,
verruilen voor bewondering.
We vonden je een zonderling,
onwerkelijk, onnodig kwetsend.
Mamma liep te huilen toen je kwijt was.
En weet je nog die keer
dat wij je kwamen halen?
Je liet je moeder staan en speelde
de meneer met teksten
over broederschap en moederschap.
Zo dacht ik.
Waar haal je het vandaan, vroeg ik me af,
en Jakob ook, en Joses, Judas en je zussen.
Intussen ging je heel gehoorzaam door.
Het duurde, ik zeg het echt vol schaamte,
tot aan je akelige dood, die woorden
aan het kruis, toen je Maria
bij je liefste leerling thuisbracht.
Ik brak. Je lichtte in mijn nacht.
Met mamma samen buig ik diep,
met alle leerlingen verlangen wij je Geest,
hier op de alledaagse vloer.
Ik wil je dienaar zijn,
blijf jij mijn broer?
9 “Petrus bleef nog enige tijd in Joppe, bij een zekere Simon, een leerlooier.” (Handelingen 9,40 en 43 en 10,6 en 32)
Apostel, buk, en stoot
je harde hoofd niet.
Hier om de hoek ligt kijkgeluk:
uitzicht op zee!
Maak ik je blij mee,
visserman, dat hoef je mij
niet te vertellen.
Vergeet de vlekken
op de muur, het pleisterwerk
is aan vervanging toe.
Links staat je bed,
rechts kan je kleren kwijt
en op de ouderwetse knielbank
tuur je zo de verte in
en komen dromen, op de wind.
Tabita leeft ervan.
De werkplaats is hieronder,
rumoer en stank, het hoort erbij.
Ik kan niet zonder.
We dopen dode huid,
want angstzweet moet eruit
en alle laatste zuchten leven,
oneindig beven wassen we tot leer.
Het zit in jouw sandalen.
Straks komen we je halen.
Kies schone kleren, spoel je haar,
je voeten niet vergeten.
En voordat we gaan eten,
zalf ik persoonlijk nog je handen.
En je hoofd.
10 “Voordien had een zekere Simon in de stad magie bedreven en de bevolking versteld doen staan. Hij beweerde over bijzondere gaven te beschikken, en iedereen van groot tot klein, keek vol ontzag naar hem op omdat ze werkelijk meenden dat de grote macht van God in hem zichtbaar werd.” (Handelingen 8,4-25)
Ik was nerveus en niet een beetje,
in die ontmoetingstent, ik ben, echt waar,
best sceptisch in die dingen, maar dit,
bizar bizar en ongelofelijk,
wat een talent, verwarrend veel
en heus, we zijn hier wat gewend,
maar Simon? Simon is betoverend.
Ik had ook niet verwacht
dat het zover zou gaan, ja bijna
was ik weggerend
toen hij wist te vertellen
van mijn afkomst,
waar ik woonde,
wat ik droomde
in de nacht – ja serieus,
hij zei dat het geschreven stond
in bovenaardse boeken, je heden,
je verleden en de machten
in de lucht en lezen kan hij die.
Het leek een fluitje van een cent, hoewel …
Simon goedkoop? Nee allerminst,
hij telt vanavond vast z’n dikke winst
en toch, ik denk het echt: dit is van God,
hemelse kracht vervult die man,
hij keek, geloof me maar,
recht in mijn ziel.
Wat ben je dan?
Profeet? Een charlatan?
Bleek kwam ik weer naar buiten
en rilde tot een zonnestraal me raakte.
Een Godsman in een tent.
Is dat verdacht of juist normaal?
Jij mag het zeggen.