Psalm 87

“En dansend zingen zij: ‘Mijn bronnen zijn alleen in u’.” (Psalm 87,7)

Gouden bedrading in wervelende sari’s,
bordeaux en koningsblauw, diepgroene
sieraden tinkelen bij elke handomdraai
en zwaaiende kurta’s haken aan galante sherwani’s
nu alles stampt op het ritme van de dhol.

Een kindje klampt zich stevig vast
als hennapracht en kohl begint te joelen,
de handen ver omhoog, weken geoefend
en maanden gewacht. Iedereen lacht
in de hemelse hal als schetteren
de geurende glorie laat schitteren
– zo deden de reuzen al.

Midden in de chaos: oma,
een leven in stiksels op zijde,
de sjaal, geborduurd, van het grijs afgegleden.
Oma beweegt. Kleinkinderen juichen,
een zuigeling slaapt op de arm van haar zusje
als oeroude heupen gaan draaien,
geslachten in vlees en bloed,
mango’s in overvloed – en moeder
die het dansen haar leerde in het dal
waar het stuwmeer nu stroom wekt
voor een avond vol licht.

Iedereen filmt: de Bruidegom treedt
uit coulissen naar buiten, zijn vrienden
dansen hem rechtstreeks het hart in,
onweerstaanbaar klappen en fluiten
als de smetteloze glanst
in het wit van duizend, tienduizend
wezens zo wit – en een Hollands hart
zoekt de deinende vloer op,
voeten verkennen, volgen en vieren,
vrij en verhit.