Psalm 5

“In de morgen, HEER, hoort U mijn stem, in de morgen wend ik mij tot U en wacht.” (Psalm 5,4)

De knielbank werd gebracht.
Vaders grove vingers gleden
langs de gladgeschuurde legger.
Het pluche was voor de knieën,
donkerrood en superzacht.
Gods Woord lag op de lessenaar.
Op wacht.

Elke ochtend naar het werk
en ik naar school. ’s Middags thuis,
eerst ik, dan hij. Zijn rechterarm was sterk,
hij kende Gay-Lussac en leerde mij
gepassioneerd de fijne kneepjes van het schaken.
Soms vloekte hij
en toch zag ik nooit schaamrood op z’n kaken.
Maar zong Mahalia, dan stokte hij.
Ik voel het nóg, nu ik dit schrijf.

Laatst ruimden wij de zolder op.
Gods Woord lag open bij Psalm 5.
De legger onder stof, het pluche
verbleekt onder het raam.
Wij voelden ons er staan.