“Luister, dochter, zie en hoor, vergeet uw volk en het huis van uw vader.” (Psalm 45,11)
Onderweg op de A1 dacht ik aan mijn vader
en onze waterbuffel, zijn trots.
Ik weet nog goed, ik leunde
elke morgen met mijn hoofd
tegen de machtige flanken
als op het ritme van mijn vingers
de warme melk de emmer in zong.
Ik bracht haar water, veegde haar plek,
zij rook als thuis, vertrouwd en waar.
Met mijn hoofd in de Mercedes
was ik weer in de velden waar de mist optrok
als vader werken ging
en moeder tante op de thee kreeg.
Wat keek zij vol respect naar onze buffel
en wat vroeg zij toch
hoe lang ik was en hoe gezond?
Mijn moeder werd steeds stiller
en toen mijn vader met m’n oom
over de rupees sprak,
wist ik genoeg.
In de schaduw van de bomen
op het plein nam ik afscheid,
iedereen was blij
en toen ik voor het eerst Almere ingereden werd
wist ik dat ik nooit meer kijken zou
in de ogen van onze trots.