Psalm 3

“Sta op, HEER, red mij, mijn God, sla mijn vijanden in het gezicht, breek de tanden van de wettelozen.” (Psalm 3,8)

Stel je bent God in alle aardse opties van het woord
en je krijgt vroeg op een vrijdagmiddag
van een goede vriend het dringende verzoek
een belager eens flink op z’n gezicht te slaan,
terwijl je juist die middag druk bent,
met je gezicht compleet kapot,
aan een Romeins kruis dood te gaan
aan de zonden van de wereld,
wat dan?

Je roept om water.

En schreeuwt nog één, één woord
zo luid de wereld in, tot in de oren van de vriend
van wie de laatste hoop geknakt werd, ongenadig,
en de aardse eer geschonden, meer dan grof –
die dan gewillig ook z’n linkerwang
naar zijn belager keert.

Om dat ene woord.


Op 19 september 2025 droeg ik dit gedicht voor tijdens de Dichterstafel in Zwolle: