“Schuilen doe ik bij de HEER. Hoe kunnen jullie dan zeggen: ‘Vogel, vlieg weg naar de bergen!…” (Psalm 11,1)
Een pieper hier, hier buiten!
Zijn jongen komen hoog bij U tot leven,
op vaste grond, door kracht oneindig,
smeltwater niet te stuiten, insecten dansen
in de berglucht rond. U vormt het uitzicht,
roept hevig huiver op. De waterpiepers
vluchten hogerop, en leven.
Wij geven hier ruim baan aan de rivier,
de IJssel en de Vreugderijkerwaard,
tot aan het wijde water. Vloeibaar
is alles buiten, altijd kan alles
anders staan. U buldert
in november al, in maart nog
zijn de mensen bang.
Wat moet een pieper in een land
dat dieper zakt dan ooit?
U siert de piepers met een bergkleed
zoals U aan de mens eens huiden gaf. Voor buiten.
En trekt U dan de sneeuwgrens op,
begint voor hen het feest, de vlucht.
En hier geen piepers meer.