Verlossing en tweede kansen

Kan een mens echt veranderen? Die vraag staat centraal in Marilynne Robinsons Thuis, een roman die zoveel lagen bevat dat de lezer moeite heeft om het brandpunt te vinden. Misschien zijn er wel meerdere ingangen, maar één zin springt eruit als kern van het verhaal: “Een mens kan veranderen. Alles kan veranderen.”

Glory, de onzichtbare heldin

Tegen alle verwachtingen in is niet zoon Jack maar dochter Glory de hoofdpersoon. Het verhaal speelt zich af in het Amerikaanse dorp Gilead, in de pastorie van de presbyteriaanse predikant Robert Boughton. Wanneer de bejaarde dominee verzorging nodig heeft, keert Glory terug naar huis. “Terug op het oude nest, Glory! Ja!’ zei haar vader en het werd haar week om het hart,” luidt de openingszin – meteen wordt duidelijk dat hier iets niet klopt tussen vader en dochter.
Gaandeweg ontvouwt zich het portret van een vrouw die zich eenzaam voelde in het gezin, wier idealen onvervuld bleven. Wanneer haar broer Jack, het zwarte schaap van de familie, na twintig jaar eveneens thuiskomt, blijkt Glory’s rol: bufferen, anderen plezieren. “Niemand luistert naar mij!” roept ze op een gegeven moment uit. (188) Zij ziet het zelf ook wel: het lijkt haar levenslot om anderen te redden. “Een eenzaam schoolmeisje van achtendertig. Dat was nog eens een treurige gedachte.” (244) Toch groeit haar betekenis. Haar helende aanwezigheid verlicht de spanning tussen vader en Jack, waardoor de verloren zoon zichzelf kan hervinden en vernieuwen.

Theologische confrontatie

Die vernieuwing komt pregnant naar voren in een scène waarin de oude dominee Robert Boughton met zijn vriend en collega Ames discussieert over de behandeling van zwarte mensen in de Amerikaanse samenleving (in het boek “steevast worden zij ‘negers’ genoemd”). Jack, wiens thuiskomst na twintig jaar zijn vader in verwarring brengt, zwengelt het gesprek aan. (214-224)

Het discussiepunt: heeft de geboorteplaats en tijd invloed op hoe je het geloof begrijpt? Jack grijpt zijn kans om dominee Ames te vragen naar de doctrine van de predestinatie. Vooral dit: zijn er mensen onontkoombaar voorbeschikt voor de verdoemenis? Dominee Ames is voorzichtig, vader Boughton valt hem bij. Maar Jack drijft hen in de hoek: als mensen in een christelijke omgeving opgroeien en hun tóch de genade wordt onthouden, is dat dan geen noodlot?
Glory vreest dat de discussie zal ontsporen. Ook mevrouw Ames zit erbij en begint zorgelijk te mompelen: “o jee, ojee”. Jack confronteert beide predikanten met teksten en test hun menselijkheid, sterker nog: hun relatie met hem. “Ik heb me van tijd tot tijd afgevraagd,” zegt hij, “of ik geen geval van predestinatie zou kunnen zijn.” Dat wordt ronduit ontkend door zijn vader en Ames. Toch zet Jack door en de irritatiegrens van Ames komt dichterbij.
Glory wil ingrijpen, maar dan stapt Lila Ames nog één keer in: “Blijf nog even zitten,” zei ze. Jack liet zich weer onderuitzakken, en keer naar haar, zoals zij allemaal, want ze scheen moed te verzamelen. Toen keek ze hem aan en zei: “Een mens kan veranderen. Alles kan veranderen.” Voor Jack is het genoeg: “Dank u, mevrouw Ames. Dat is alles wat ik wilde weten.” (224)

Meer dan dogmatiek

De predestinatievraag is geen abstracte theologische kwestie – het is Jack’s manier om zichzelf te plaatsen in het morele en religieuze universum van zijn vader en Ames. Hij functioneert als katalysator, test grenzen, stelt pijnlijke vragen. Zijn opmerking over de mogelijkheid zelf een “geval van predestinatie” te zijn, is zowel theologisch als existentieel. Het is een verkapte vraag: “Is er voor mij nog hoop?” En tegelijk een manier om de hypocrisie of starheid van zijn vader en Ames bloot te leggen.
Vader Boughton is verscheurd tussen liefde en hoop voor zijn verloren zoon enerzijds, irritatie en verdriet over Jack’s eigenzinnigheid anderzijds. Dominee Ames probeert trouw te blijven aan de Schrift, aan de vriendschap met Boughton, én tegelijk menselijk en genadig tegenover Jack. Jack voelt dat aan en drijft hem tot de grens van zijn geduld.
Lila Ames is de onverwachte stem. Zij staat niet diep geworteld in de theologische traditie en kan daarom iets radicaals eenvoudigs zeggen. Waar de mannen worstelen met dogmatische consistentie, brengt zij vanuit haar outsiderpositie de blik van genade en hoop.
Glory voelt de spanning sneller dan de mannen en wil escalatie voorkomen. Zij is de stabiliserende aanwezigheid – maar daarmee ook de figuur die alles draagt zonder veel ruimte voor zichzelf.

Een moderne parabel

De roman laat zich lezen als een soort parabel. In de Joodse traditie komt de Shechina voor – afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘wonen’ of ‘laten wonen’. In de tijd van de ballingschap en diaspora werd de ‘inwoning’ van God een aparte persoon. In de Talmoed staat: “Wanneer Israël in ballingschap ging, ging de Shechina met hen mee.” (Megillah 29a) God deelt zijn aanwezigheid in de vernedering van het volk. In de Midrasj is het de moederfiguur die meehuilt. Glory is de menselijke Shechina.
Glory betekent ‘heerlijkheid’ – ook een Bijbels woord: de kabood JHWH. Heerlijkheid gaat niet voor eigen eer maar voor de normalisering van de scheefgegroeide mens. De namen van de kinderen wijzen die richting uit. De jongens heten (naast Jack) Teddy, Daniel, Luke; de meisjes Hope, Faith, Grace, Glory. “De meisjes in dit gezin zijn naar theologische abstracties genoemd, en de jongens naar mensen.” (83) Het valt niet mee om in de nabijheid van God te komen – er is nog veel herstelwerk te doen als eenmaal het contact weer is gelegd. Jack zegt dat hij ‘verbannen’ is geweest uit het normale leven. We begrijpen dat hij in de gevangenis heeft gezeten. Hij heeft alcoholproblemen en een vrouw (een zwarte vrouw!) met een zoontje, ver weg in Saint Louis. Het slot van het boek gaat niet over Jack maar over Glory. Zij doet haar aandachtige werk ook voor die Della en haar zoon, die – nota bene – Robert heet. Net als zijn opa.

Van aankomst tot vertrek

Het boek werkt naar een climax toe. Glory komt voor vader Robert zorgen en Jack schrijft een brief: hij komt over een week of twee naar Gilead en wil een poosje logeren. Aan het slot van het verhaal rijdt Jack zijn vader nog een keer een rondje door de buurt, in de opgeknapte DeSoto. Glory hoopt dat de eeuwige verdoemenis van Jack uitblijft als zij of een andere Boughton de barmhartigheid van de Heer heeft opgewekt. “Wie zou de moeite nemen om aardig voor hem te zijn?”, denkt zij bij Jack’s vertrek. Goeie vraag. Want alleen die aardige relaties kunnen een mens veranderen.


Naar aanleiding van: Marilynne Robinson, Thuis. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2009.
Uit het Engels vertaald door Ronald Vlek Oorspronkelijke titel: Home, verschenen bij Farrar, Straus & Giroux in New York.
Het was geen plezier om te lezen. Traag en weinig mooie zinnen. Te veel om direct de focus te vinden en te lang uitgesponnen in z’n alledaagsheid. Samen met Gilead en Lila blijft dit boek niet in de eregalerij van mijn bezit.

Afgesproken

Zullen we afspreken, ergens in oktober?
Ik weet een route door de velden,
vlakbij het levenspad. Dan praten we wat bij.
Tijd niet gezien, elkaar, voor je het weet
ben je vergeten hoe we elkaar verdragen hebben,
het jaar hiervoor, en dat daarvoor.
Het gaat gebeuren.

De route deze zomer ging omhoog,
een berg op, goed, een heuvel, verhoging,
jij je zin, het was, hoe ook, nog vroeg
en juist op dat moment
trok witte nevel weg, het uitzicht –
het dal, de stroom, het veer,
de overkant kwam overeind
onder de Opkomst,
de arm van de Geliefde lag te lachen
op mijn schouder.

Ik denk nu al aan je kleuren,
die staan je altijd goed, en weet je wat ik hoop?
Dat je me helpt m’n extra aan te doen.
De winter zal niet aardig zijn, de kou
probeert steeds eerder botten in te trekken.
Wil jij m’n flanken dekken? En laat jouw inzet
mijn gezicht verkleuren, langzaam maar beslist.
Dan ga ik gloeien, maken we samen
ons oktoberlicht.

Dempende gloed

Kan het dat een duistere passage in een gedicht de bedoeling is? Of is dat de gemakkelijke uitweg omdat je niet genoeg geanalyseerd hebt en je interpretatie tekortschiet? Ik kon er niet omheen bij het volgende gedicht van Pieter Boskma:

De mist vriest aan: het bos is wit.
Vier harige, uitheemse ossen,
huiverend, hun kop gebogen,
staren naar de harde mossen.

Ik schrik ervan hoezeer zij lijken
op een mens die al zijn dromen
plots is kwijtgeraakt en weet
er niks voor in de plaats te krijgen.

Goed, nieuwe winter aan de kust,
de gloed van waanzin in mijn ogen
dempt je kou die door mijn leden trekt,

dus ik maak me niet meer druk
om wat oprukt tussen de bomen,
de tanden blinkend in de gesperde bek.

Strofe 1 en 2 bezorgen mij geen hoofdbrekens. We hebben in het eerste kwatrijn een schitterend wintertafereel. Het is eenvoudig meesterschap om het zo kort en krachtig te typeren, het bevroren leven. Ik noteer al stiekem het ‘uitheems’ zijn van de ossen en dat staren. Alles vreemd, alles doods.
De vergelijking is als bij blikseminslag tot stand gekomen, meldt de ik-figuur. Schrik om een ‘plots’ kwijtgeraakte droom. Het bericht van weigering, afwijzing of misschien zelfs de dood – ik noem maar wat. Geen alternatief voorhanden dat het leven verder boeiend en vol verwachting maakt. ‘Kwijtgeraakt’ lijkt me de parallel met het ‘uitheemse’ van de ossen.
Strofe 4 kan ik ook duiden: de ik-figuur heeft zich na de schrik herpakt. Hij (of zij?) laat zich niet meer uit het lood slaan door dreiging die nog steeds in het leven aanwezig is. De vraag is nu hoe dit in strofe 3 wordt voorbereid. Want strofe 3 en 4 vormen samen 1 complete grammaticale zin.
Tijd voor een gedetailleerde lezing.

Het woordje ‘Goed’ staat op zichzelf en werkt als een harde punctie: geen overbodige sentimentaliteit meer, een korte, bijna stoïcijnse aanvaarding. Het markeert een wending: de ik-persoon gaat van observatie en schrik (strofe 1 en 2) naar een reactie. ‘nieuwe winter’ is niet zomaar een seizoen. Nieuw + winter suggereert herhaling, de pijn is cyclisch, het verlies komt terug. Maar het doet zich nu voor ‘aan de kust’. De kust is een grensgebied. Blootstelling aan wind en storm. Waar het bos beschutting en verstarring suggereert, is de kust open en beweging.
‘de gloed van waanzin in mijn ogen’, hoe werkt dat hier? ‘Gloed’ roept warmte, licht, energie op; waanzin wijst op irrationaliteit, verlies van evenwicht. Samen: een warmte die niet uit gezonde bronnen komt maar uit een verhitte, gevaarlijke innerlijke staat. Dat het in de ogen verschijnt, maakt het zichtbaar — geen privé-illusie maar iets dat de buitenwereld kan lezen.
Het enjambement tussen regel 2 en 3 koppelt oorzaak en gevolg — de waanzin dempt. Het is geen volle oplossing, het is een functionele werking: iets doet z’n werk. Dempen is verzachten. Niet vervangen of helen. Dat zegt dat de ‘gloed’ iets doet met de pijn/kou, maar het haalt niet de oorzaak weg.
Maar nu de tweede persoon ‘je’. Als er gewoon ‘de’ had gestaan was het duidelijk een verwijzing naar de eerder beschreven koude geweest. Het wordt nu persoonlijk. Wie? Heeft de ik-figuur het over zichzelf? Hij is begonnen zichzelf tot de orde te roepen en laat dat merken in ‘je kou’. Of is het een ander?  ‘je’ zou de ossen of de natuur kunnen zijn. Of misschien zelfs de lezer? De ‘ik’ zegt: mijn waanzin compenseert jouw kou die door mij heen snijdt. Dat leest iets afstandelijker en paradoxaler, maar het accentueert wél de sociale of relationele besmetting van de leegte. Ik denk dat toch het de eerste optie is. De ik-figuur is bezig met zichzelf. Maar, als ik eerlijk ben, ik vind het een zwakke plek in het gedicht.

We zien dus dit gebeuren:
strofe 2: plots verlies — niets in de plaats → pure, ijzige leegte.
Strofe 3: er komt een (kunstmatige) warmte, maar geen nieuwe droom.
De “gloed van waanzin” is dus geen creatieve of helende vervanging. Het is een coping-mechanisme: het houdt het lichaam en bewustzijn werkend door de pijn te verdoven. Ik denk dan: jaja, pas maar op, waanzin kan destructief worden. De ‘ik’ erkent het onvermogen tot echte vervanging en kiest een overlevingsstrategie die de open wond toedekt in plaats van geneest.

De toon gaat van verbijstering (strofe 2: ‘Ik schrik ervan’) naar gelatenheid en verdoving (strofe 3). Dat lijkt me geen overwinning. Liever een brandend lampje van waanzin dat de kou dempt dan niets voelen. Die keuze opent de deur naar de slotstrofe waarin de ‘ik’ zich bewuster afschermt: hij maakt zich ‘niet meer druk’. Maar de werkelijkheid is dat er in de bossen nog van alles rondloopt dat wil ‘oprukken’ naar je. Heel geruststellend is dat niet.

Verder dan dit kom ik niet. Het blijft wat duister. Is dat de zwakte van het gedicht? Misschien. Maar als het nu eens bewust is? Waanzin laat zich niet netjes uiteenleggen in overzichtelijke stukjes. Gloed kan wel wat licht geven, maar er blijft nog veel duister, eromheen. Is dat niet precies wat strofe 3 ook taalkundig blijft doen in het geheel, een duister plekje vormen? Dat kan wel eens heel sterk zijn.


Naar aanleiding van: Pieter Boskma, ‘De mist vriest aan: het bos is wit’, In: Idem, Het violette uur. Amsterdam: Prometheus, 2008. Klik hier voor de wikipediapagina over hem.

Achter de hoge bomen

Achter de hoge bomen, populieren
als ik mij niet vergis, woonden
onze wetteloze achterburen
die ons, wetteloos als zij waren,
lieten weten dat zij wisten
dat wij op zondag niet
mochten fietsen. Niet.

Dus plukten wij witte besjes
en schoven mijn broers en ik die
vol geloof in de op maat gezaagde
plastic installatiepijpen
en zetten die vrijmoedig aan de mond,
speurend naar de open ramen
van de wettelozen,
achter de hoge bomen die,
onvergetelijk,
nooit hun bladeren verloren
en overvloedig dat donzige pluis,
hoe noem je dat, zomersneeuw, gaven,
elk seizoen. Alles lukte.

Totdat op een doodgewone
doordeweekse dag de verhuiswagen
voorreed, ons en onze fietsen inlaadde
en de achterburen,
naar wij later hebben vernomen,
de lof des Heren zongen.

Het ultieme antwoord is 42

Ik lees niet heel vaak komische boeken. Maar nu had ik er toch weer een. Op een of andere manier – het is me ontschoten hoe – was ik op het spoor gekomen van The Hitch Hiker’s Guide to the Galaxy. Een voor mij volstrekt onbekende schrijver, Douglas Adams, had dit boek in de jaren zeventig van de vorige eeuw het licht doen zien en vijftig jaar later is het nog alleszins het lezen waard. De titel paste toen al in het beeld van de te ontdekken kosmos, nu nog meer. De ruimte is te exploreren en wat je als mensen aan dwaasheden op aarde hebt getoond, dat wordt simpelweg doorgezet in de oneindigheid. Ziedaar de stof voor de heerlijke parodie: De Liftersgids voor de Melkweg.

“Het idee voor de titel ontstond toen ik dronken in een veld lag, in Innsbruck, Oostenrijk, in 1971. Niet echt dronken, maar het soort dronkenschap dat je krijgt als je een paar stevige Gossers drinkt na twee dagen niet gegeten te hebben, omdat je een arme lifter bent. We hebben het over een licht onvermogen om op te staan.” (7) Hij had net verschillende mensen aangesproken die geen Engels spraken. Hij had de Hitch Hiker’s Guide to Europe bij zich en lichtelijk wanhopig dacht hij: als ik het liftboek voor de Melkweg zou hebben, dan was ik nu op pad. Jaren later schreef hij als schrijver van alles dat het licht niet haalde. Hij wilde graag de mix maken van science fiction en comedy. En zo geschiedde, met hulp van Simon Brett kwam het idee op om een figuur van een andere planeet te verzinnen die met de liftgids op aarde belandt: Ford Prefect.

The Hitch Hiker’s Guide to the Galaxy begint heel onschuldig — met een man genaamd Arthur Dent die ontdekt dat zijn huis gesloopt gaat worden voor de aanleg van een snelweg. Wat hij nog niet weet: de aarde zelf staat op het punt om gesloopt te worden voor een intergalactische “hyperspace bypass”. Zijn vriend Ford Prefect redt hem door hem mee te nemen op een ruimteschip, nét voor de planeet wordt vernietigd door de bureaucratische Vogons. Vanaf daar begint een absurdistische tocht door het heelal, met veel onzinnige maar scherpe humor over politiek, wetenschap en het menselijk bestaan.
Arthur en Ford ontmoeten onder andere Zaphod Beeblebrox (tweehoofdig, excentriek president van het universum), Trillian (de enige andere mens die de vernietiging van de aarde overleefde), en Marvin, een depressieve robot met een brein ter grootte van een planeet. Ze reizen door vreemde werelden, ontdekken bizarre technologie, en komen langs de mythische planeet Magrathea, waar luxe-werelden op bestelling worden gebouwd.

Achter alle grappen en absurditeiten zitten serieuze vragen over bestaan, zin en kennis.

  • Het universum is groot, koud en volkomen onverschillig voor de mens. We zoeken naar betekenis, maar het universum geeft geen antwoord. Het beroemdste voorbeeld: supercomputer Deep Thought krijgt de vraag was het ultieme antwoord is op het Leven, het Universum en Alles. Na diep denken komt het antwoord: 42! 42?! Ja, 42. Niemand weet wat de precies vraag is. Dus een absurd antwoord. (128)
  • De aarde wordt vernietigd door Vogons omdat er ergens een formulier niet goed gelezen werd. (36) Dat is Adams’ spot op menselijke systemen: regels en bureaucratie krijgen een eigen logica die belangrijker wordt dan het doel waarvoor ze ooit zijn bedacht.
  • De Babel Fish lost het probleem van taal op, maar roept meteen een groter probleem op: hij zou God’s bestaan bewijzen, en tegelijk God overbodig maken. (52) Adams speelt hier met logica, bewijs en de grenzen van wat we überhaupt kunnen weten. Het is epistemologie in slapstickvorm.
  • Je kunt planeten bouwen (Magrathea) en robots maken met het brein van een planeet (Marvin), maar dat lost het menselijke verlangen naar geluk of zin niet op. Techniek vergroot alleen het toneel van onze absurditeit. Dit is een echo van het moderniteitsprobleem: wetenschap en technologie geven ons macht, maar geen wijsheid.
  • De liftersgids zelf — met op de kaft ‘Don’t Panic’ — vertegenwoordigt een filosofische houding: te midden van chaos, absurditeit en zinloosheid is humor en praktische nuchterheid misschien het enige houvast. En, o ja, vergeet je handdoek niet. (31)

Naar aanleiding van: Douglas Adams, The Hitch Hiker’s Guide to the Galaxy. A Trilogy in Five Parts. London: Heinemann, 1995. Including: The Restaurant at the End of the Universe; Life, The Universe and Everything; So Long, and Thanks for all the Fish; Mostly Harmless. De eerste losse uitgave van The Hitch Hiker’s Guide was in 1979.

Waar hij de menselijke zinloze drukte op de hak neemt, blijft de religie niet buiten beeld. Al in de inleiding: “And then, one Thursday, nearly two thousand years after one man had been nailed to a tree for saying how great it would be to be nice to people for a change” (15) — verwijzend naar Jezus’ kruisiging en zijn boodschap van liefde.
De Babel Fish (49v) is de omgekeerde toren van Babel: hij verenigt talen in plaats van ze te verdelen. Die ironie speelt slim met de Bijbelse mythe over verwarring van taal en verscheidenheid.
Genereert het ultieme antwoord ‘42’ nog een Bijbelse verwijzing? Iemand gaf deze suggestie: de 42 generaties in Matteüs 1,17, maar dat lijkt me gezocht, te ver gezocht.