De verlossing van de ziel

Dracula, wie kent hem niet? De legendarische graaf uit Transsylvanië die ervan houdt om meisjes bloederig leeg te zuigen. Hij zet zijn twee geslepen hoektanden in de hals en laat de maagden beroerd achter terwijl hij voldaan, en vooral verjongd, vertrekt. Hij slaapt in een lijkkist en houdt niet van een kruisteken. Ik moet intussen toegeven: ik kende Dracula niet echt. Die paar korte aanduidingen schieten zeer tekort. Nu ik de beroemde roman van Bram Stoker uitgelezen heb, ben ik verbaasd hoe weinig daarvan in de volksbeleving terecht is gekomen. Om met het indrukwekkendste te beginnen: het is een zeer christelijk boek en de thematiek gaat over bevrijding en heil van de menselijke ziel.

1 Lucy Westenra is overleden. Zij is leeggezogen door Dracula en leeft een bestaan als ondode. Zij maakt nieuwe slachtoffers, vooral onder jonge kinderen. Dat moet voorkomen worden, zij moet worden gestopt. Maar er is meer. “Maar de grootste zegen van al,” schrijft dr. Jack Sewards in zijn dagboek, “als deze nu ondode de rust van de ware dood geschonken wordt, is dat de ziel van de arme dame die we liefhebben weer vrij zal zijn.” (228) Daarom neemt Arthur, haar verloofde, een staak en hamert die in het hart van de ondode, van ‘het ding’. “Het Ding in de doodskist begon wild te kronkelen. Een afgrijselijke, bloedstollende gil kwam uit de opengesperde, bloedrode mond. Het lichaam schudde en beefde en draaide in woeste stuiptrekkingen. De scherpe witte tanden klemden zich op elkaar tot de lippen bloedden en mond met rood schuim bedenkt was.” (229) De uiterste queeste is ook Dracula te neutraliseren. Waar hij de belichaming lijkt van het Kwaad zelf, werken de hoofdpersonen toch ook voor hem aan de goede afloop. “De arme ziel die al deze ellende veroorzaakt heeft, is het meest trieste geval. Denk je zijn vreugde in zodra ook hij in zijn slechte deel gedood wordt, opdat zijn goede deel onsterfelijkheid zal kennen. Ook met hem moeten jullie medelijden hebben, hoewel dat jullie niet mag verhinderen hem te vernietigen.” (325, weer uit het dagboek van dr. Sewards) Het valt dan ook op dat het doden niet alleen maar met de staak door het hart voltrokken wordt. De andere aanwezigen lezen uit een gebedenboek, gebeden voor de overledenen. (230, 350) Zij voelen het als hun plicht om de zielen te bevrijden en rekenen verder op het mededogen van God. (264) De hostie is een zeer adequaat middel tegen de onrust en kwaadaardigheid van de dode zielen. Als Mina Murray op haar voorhoofd door een hostie getekend wordt, verklaart Abraham van Helsing: “Het kan zijn dat u dat teken moet dragen zolang het God behaagt, want op de dag des oordeels zal Hij voorzeker alle onrechtvaardigheden op aarde en van Zijn kinderen die Hij erop geplaatst heeft herstellen.” (313) Wij moeten ons kruis dragen, zoals Jezus Christus, Gods Zoon dat ook deed. Dat is waarachtig geen dunne theologie. Het is de zorg voor het heil van de samenleving en het heil van de onrustige zielen, dat deze roman doortrekt. Het sluit af met onder andere deze notitie uit het journaal van Mina Harkers: “Ik zal de rest van mijn leven blij zijn dat er op het moment van die laatste ontbinding een vredige uitdrukking op zijn [Dracula’s] gezicht kwam waarvan ik me nooit had kunnen voorstellen dat het die ooit zou dragen.” (397)

2 Bram Stoker heeft ervoor gekozen om het verhaal te vertellen uit verschillende invalshoeken. Dagboekaantekeningen, brieven, krantenberichten, telegrammen, het boek claimt de bundel van documenten te zijn over de ontdekking van Graaf Dracula (en zijn ondergang) door eind negentiende eeuwse Engelse aristocratie en een paar wetenschappers. We krijgen eerst inzage in het journaal van Jonathan Harkers, gedateerd op 3 mei, met als locatie: Bistritz. Daarna belanden we in een briefwisseling tussen Mina (eigenlijk Wilhelmina) Murray en haar vriendin Lucy Westenra. Vervolgens lezen we verder in het dagboek van dr. Sewards (bijgehouden op de fonograaf). Wat ik al zei, allerlei vormen van vastlegging van de gebeurtenissen willen de indruk wekken dat wij hier met feiten te maken hebben – hoezeer wij allen vanaf bladzijde 1 snappen dat we fictie lezen.
Maar dat heeft verband met een thema uit de roman: heeft de moderne wereld ruimte om buiten de kaders van de wetenschappelijkheid te kijken? De centrale wetenschapper in de roman is professor Abraham van Helsing, waarachtig afkomstig uit Amsterdam. (163, 194) Hij is de vroegere leermeester en oude vriend van Sewards (122) en hij weet, aldus de leerling, meer over obscure aandoeningen dan de meeste andere artsen in de wereld (en hij blijkt behalve arts ook nog advocaat te zijn; waarom niet? 175). Het is juist deze professor die de grenzen van de wetenschap aanwijst:  “Ah, het is de schuld van onze wetenschap, die alles wil verklaren en als ze geen verklaring heeft, zegt dat er niets te verklaren valt. Maar toch zien we elke dag overal om ons heen nieuwe opvattingen ontstaan die zichzelf als nieuw beschouwen, maar gewoon de oude zijn die, net als de mooie dames in de opera, pretenderen jong te zijn.” (204) Hij heeft oog voor het mysterie. De mensheid leeft al eeuwen met mysteries en de wetenschap lijkt die stap voor stap te ontsluiten. Maar verschijnselen als hypnose, materialisatie, astrale lichamen, gedachtelezen, hoe kunnen die verklaard worden? En als er geen verklaring voor is, is dan vampirisme onzin? Bestaan er ondoden die ’s nachts de gaven verlaten om zich te voeden met vers bloed? Op bladzijde 251 en 253 doceert Van Helsing over de kennis en documenten uit het verleden. Hij geeft zelfs zijn sceptische houding toe. “Als ik mijn geest niet lange jaren getraind had open te staan, zou ik pas geloofd hebben toen het feit in mijn oren toeterde…” Zo ontwikkelt hij een soort ‘spirituele pathologie’, zoals dr Sewards dat noemt, en dat blijkt een combinatie van de wetenschappelijke benadering van rationaliteit en spirituele vormen als gebed, de hostie, het kruisteken (uit de christelijke traditie) en bijgelovige zaken als knoflook en het scheiden van het hoofd van het lichaam. Eind van de negentiende eeuw was de wetenschap en de bijpassende moderniteit aan haar overwinning van de wereld begonnen (vergelijkbaar met de komst van de trein in elke western). Wij zien de uitkomst van de triomftocht in de centrale plaats die bijvoorbeeld de medische wetenschap in de gezondheidszorg heeft verworven. Intussen blijft er, in de marge’, het terrein dat rekent met de onmeetbare wereld van krachten die tot het bovennatuurlijke behoren. Het is niet vreemd dat juist christenen altijd ruimte voor die krachten zullen zien. Het eenvoudige feit dat de Bijbel de invloed van God, engelen, demonen en duistere machten veronderstelt en aanwijst, legitimeert dat al. De beeldspraak van hybride figuren in het laatste Bijbelboek mag dan aanleiding zijn tot velerlei exegese, het kan in bepaalde contexten een legitimerend kader bieden voor bijvoorbeeld de ondoden die eeuwenlang leven en wonderlijke krachten kunnen ontwikkelen. Het gaat om zielen die niet tot rust gekomen zijn. Het is Bijbels gezien niet eens een heel vreemde gedachte. Vandaar, Brams Stoker’s Dracula weet snaren te raken die de moderniteit als een schaduw begeleiden. “Horror,” schrijft Pilip Tallon,  “in this way shows us our inherent skepticism about absolute progress. As we gain more and more mastery of the world, it can be easy to forget that, deep down, we still lack mastery of ourselves. Likewise, other works, such as Dracula, The Call of Cthulum or The Island of Dr. Moreau, present a dark, regressieve shadow image of the  bright and progressive verneer of eighteenth-  and ninteenth-century optimism.” (38)

3 Dracula heeft echt geleefd. Deze titel van het boek van Pieter Steinz (2014) sluit aan bij de vorige paragraaf. Hij is niet slechts een fictieve figuur, er is een aantoonbaar verband te leggen met een vijftiende-eeuwse vorst. Het gaat om graaf Vlad III, 1431 geboren in Sighișoara Transsylvanië. Hij was het tweede kind van Vlad II die heerste van 1431 – 1447 en door keizer Sigismund van Hongarije was opgenomen in de Orde van de Draak. Vandaar Dracula : zoon van de Draak. Vlad III werd in 1448 voivode (vorst) van Walachije en gedood in 1476 op een veldtocht tegen de Turken, gedood door eigen mensen. Zijn hoofd werd naar de sultan gestuurd; lichaam begraven op eiland Snagov. De bijnaam van deze Vlad was Ţepeș, De Spietser. OP scenario van zoon Yves H. tekende Hermann een album over hem en geeft de wrede werkelijkheid weer. Hij keek het spietsen van overwonnen vijanden af van een Turkse sultan (13-14): zij kregen een houten paal in hun anus. De paal werd rechtop gezet. De zwaartekracht deed de rest. (Steinz 147). Vlad maakte er zijn handelsmerk van. Op een keer heeft hij 20.000 mensen laten spietsen. Het verhaal gaat dat hij er een tafel bij liet plaatsen en ging zitten eten. (48, maar misschien is dat laster, Steinz 147) Hermann eindigt het album met deze aantekening: “Dracula wordt onthoofd en sultan Mehmed II laat zijn hoofd tentoonstellen voor het paleis van Constantinopel. Wat er met zijn lichaam gebeurt is onbekend, want het wordt nooit teruggevonden. Zo eindigt het leven van de man die de geschiedenis ingang als Vlad de Spietser, de prins die ervan droomde tot de machtigen te behoren maar niet meer was dan de vorst van een staatje tussen hamer en aambeeld.” (64) Zou dat verklaren dat Bram Stoker onthoofding en een staak (door het hart) in de vertelling heeft opgenomen?
Hij suggereert inderdaad dat Dracula in Londen deze nog steeds levende graaf is. Van Helsing zegt: “Ik heb mijn vriend Arminius van de universiteit van Boedapest gevraagd zijn verslag te schrijven, en uit alle middelen die hem te beschikking staan, vertelt hij me wat hij was. Hij moet inderdaad de voivode Dracula geweest zijn die naam maakte tegen de Turk, over de grote rivier op de eigenste grens van Turkenland.” (255, zie ook 304 en 359) In een manuscript zou Dracula worden beschreven als vampier.
Boeiend, of moet ik zeggen grappig, is dat Stoker graaf Dracula in een soort evolutie ziet. “In zekere intellectuele opzichten is hij nog een kind.” (319, zie ook 338 en 358). Het kinderbrein van hem ontwikkelt zich in de Londense praktijk, zo veronderstellen de wetenschappers. Dat maakt de jacht op Dracula des te urgenter. Hij moet gestopt voor hij iedereen te slim af is en te sterk.

4 Bram Stoker werd in zijn jeugd al bekend gemaakt met verhalen over vampiers. Yves H. maakte ook samen met Séra een Dracula-album, nu gewijd aan Bram Stoker’s Dracula. Bram wordt op 8 november 1847 geboren en krijgt de naam Abraham Stoker. Hij heeft een ziekelijk jeugd, aan bed gekluisterd. Zijn moeder Charlotte leest hem voor, oude Ierse legenden en verhalen, onder andere uit Varney The Vampire. Het moet de verbeelding hebben wakker gemaakt. Spoken, vampiers en levend begraven zieken, gecombineerd met nachtelijke geluiden. Als hij 7 jaar is, is hij plotseling genezen, wonderbaarlijk. (9)
Vooral zijn vriendschap met Henry Irving heeft het leven van Bram gestempeld. Yves H. en Sera noteren: “Henry Iriving was niet zomaar een zinnebeeldige vampier, hij was een ECHTE VAMPIER, die al zijn volgelingen van het laatste greintje wilskracht beroofde teneinde hen te knechten en zijn rijk uit te breiden. En hij, Bram Stoker, was meer nog dan anderen zijn prooi geweest, zijn slachtoffer, zijn slaaf.” (40) Zou dat niet mede de blijvende aantrekkingskracht van dit thema verklaren? Wij kunnen ons door andere mensen leeggezogen voelen. Zulke types lopen er gewoon rond en als je hen niet met kracht weerstaat en uit je leven bant, ga je eraan te gronde. In het album komt ook de ironie van de geschiedenis naar voren. Henry Irving is als groot Brits poëet bijgezet in Westminster Abbey. Bram Stoker sterft op 20 april 1912 in bittere armoede. Zijn dood bleef onopgemerkt, ook omdat vijf dagen later de Titanic zonk. Terwijl daarna de naam van Irving vergeten werd, haalt Dracula een eeuw later nog ‘astronomische verkoopcijfers’. (48)

5 In het boek gebruikt Stoker het woord Nosferatu voor ondode met de bewering dat het een oud Roemeens woord is. (228) Stoker nam deze term waarschijnlijk over van de Schotse reisboekenschrijfster Emily Gerard, die het woord in een beschrijving van Transsylvanië gebruikte. Het is een verhaspeling van het Roemeense woord nesuferitu dat zoveel als “demon” of “duivels persoon” betekent; nosferatu daarentegen is geen bestaand Roemeens woord. Het werd ook de titel van een van de vele verfilmingen. Eine Symphonie des Grauens is de ondertitel van deze horrorfilm uit 1922. Max Schreck speelt de graaf in deze stomme film. Allerlei aanpassingen werden gedaan (Graaf Orlok in plaats van Dracula bijvoorbeeld) en zo bleven de nazaten van Bram Stoker buiten de inkomsten van de film. Een rechter sprak echter uit dat alle kopieën van de film moesten worden vernietigd. Dat is, zoals te verwachten, niet gebeurd en de film geniet heden een cultstatus. Het aantal bewerkingen is intussen niet meer te tellen. Bram Stoker’s Dracula van Francis Ford Coppola geldt als een film die goed recht doet aan het boek.

6 Het derde stripalbum over Dracula maakte Yves H samen met tekenaar Dany. Hij neemt zichzelf als hoofdpersoon. Samen met zijn vrouw Marcia gaan zij naar Roemenië om sporen en resten van de Draculalegende na te speuren. Een vraag over nadere info over Dracula werd beantwoord met een uitnodiging uit Roemenië. Vandaar dat ze samen naar Boekarest reizen, en aankomen bij Sos Kiseleff 35, het adres dat ene Lucian opgaf. Het is een griezelig huis. We ontmoeten de butler en Lucian. Lucian wordt gepresenteerd als de dienaar van de kunst en de menselijke ziel, artiest, illusie en transformator van de werkelijkheid. Hij heeft bovennatuurlijke gaven, aldus Eugenia. (9) Zij is schilderes en kunstcriticus en haar man Radu is hoogleraar Roemeense literatuur en geschiedenis. Verder aanwezig de drie nichtjes Violeta, Camelia, Lacramioara Grigorescu, liefhebbers van fantastische literatuur en film. Ze arriveren op 20 september, het is het seizoensdeel dat ook een rol speelt in Bram Stoker’s Dracula. De relativering en spot van Dany over vampiers wordt met een waarschuwing begroet (10) Niet spotten met volksgeloof! Roemenen geloven in geesten, rituelen voor de zielen van de overledenen (10). Het verhaal gaat ook hier over de verlangde trip, weg uit Roemenië. Lucian wil zich in het buitenland vestigen omdat de financiën niet gunstig zijn. (13). Dany wordt klem gezet. Aan het slot van het verhaal blijkt Lucian bij Dany en Marcia in huis te zijn. (49-50) En Marcia heeft roodgloeiende ogen. Kortom, het verhaal gaat verder. Intussen hebben we de verschillende Roemeense locaties uit de Dracula-vertelling fraai in beeld gezien. Goed werk van Yves. H. en Dany samen. In het nawoord licht de tekenaar nog een en ander toe. Bijvoorbeeld dat archeologen geen bewijs hebben gevonden dat Vlad begraven is op Snagov. Maar of de legende zich daar iets van aantrekt…


Naar aanleiding van: Bram Stoker, Dracula.2 Amsterdam: De Boekerij, 2010. Vertaald uit het Engels door Piet Verhagen. Humor vanuit vandaag gezien: “We zochten een bank vanwaar we het goed konden zien en rookten een sigaar om geen aandacht te trekken.” (315)
Philip Tallon, “Through a Mirror, Darkly: Art-Horror as a Medium for Moral Reflection.” In: The Philosophy of Horror (edited by Thomas Fahy). Kentucky, The University Press of Kentucky, 2012, 33-41.
Paul A. Cantor, “The Fall of the House of Ulmer: Europe vs America in the Gothic Vision of the Black Cat.” In: The Philosophy of Horror (edited by Thomas Fahy). Kentucky, The University Press of Kentucky, 2012, 137-160.
Pieter Steinz, Dracula heeft echt geleefd: Een reis door Europa in de voetsporen van 16 literaire helden.4 Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2015.
Hermann & Yves. H., Dracula: Vlad de Spietser. [z.p.] Casterman, 2006. Oorspronkelijke titel: Sur les traces de Dracula t.1,  Vlad l’Empaleur.
Séra & Yves H., Dracula: Bram Stoker. [z.p] Casterman, 2006.
Dany & Yves H., Dracula: Transsylvanië. [z.p] Casterman, 2006.

Ergelijk gewoon

Hier volgt een gedicht uit een bundel die ik zojuist weggooide. Jarenlang stond hij ongelezen in mijn kast. Als cadeau gekregen maar geen tijd voor gemaakt. Daar moest een einde aan komen, dacht ik laatst. De leeservaring was echter teleurstellend. Zelfs zo dat ik het boekje geen plaats meer gun in mijn boekenrij. En toch red ik een gedicht van de ondergang. Het maakte me namelijk kwaad, nou ja, een beetje boos. En als je dat lukt, dan verdien je een blog.

Een dienstertje in het hotel
met een wijnvlek over
haar halve gezichtje
en een stem zo zacht en glanzend
als het edelst blinkend metaal.

Ik had een naam nodig
en ik vroeg de hare
om aan haar te kunnen denken
op een dag dat ik mij
zo’n stem herinneren wilde
en een bedeesde glimlach –
ze zei: ik heet Patricia.
Maar ik noem haar Geneviève.

Het gaat om gedicht 3 uit de serie van 5 onder de titel Suite de la fuste. De eerste alinea stoorde me vanwege dat ‘dienstertje’ maar als geoefende lezer riep ik mijzelf tot de orde. Dat denigrerende kan een functie hebben. Of zelfs de pointe zijn. Een wijnvlek in een hotel, niet vreemd, een wijnvlek ter grootte van een half gezicht wel. Maar ook hier weer het diminutivum en ik begin te hopen op iets verrassends rond dat thema. We gaan van gezicht naar stem. Een kleine stap, ik geef het toe, maar toch een overgang naar een andere categorie: van zicht naar klank.

Dan blijkt de ik-figuur zich graag deze stem blijft herinneren. Zij is volgens hem te vergelijken met edel metaal. Hier een nieuwe ergernis, want ik zie niet goed hoe het zachte glanzen van een edelsteen helpt bij het bewonderen van een stem. De wat manke vergelijkende metafoor is vervolgens uit beeld als wij ineens horen dat er een naam nodig is. De ‘ik’ wil de stem herinneren en de bovenmaatse wijnvlek is blijkbaar niet afdoende, ook de duurste diamant niet, nee, een naam graag.

Dan wordt de man ronduit bruut. De aanname dat we hier met een man van doen hebben, is niet vergezocht, toch? Vrouwen kunnen ook wat badinerend spreken over een ‘vrouwtje’ dat zij kennen, maar ‘dienstertje’ en ‘gezichtje’ gaan in strofe 2 samen met een ‘bedeesde glimlach’. Dat zijn allemaal teksten die ik nogal passend vind bij een arrogante aristocraat die graag zwelgt in zijn overwinningen en daarbij lustgevoel voelt opkomen. Dan is het wel van belang dat de geobjectiveerde vrouw onderdanig blijft. Dus als zij dan op aanvraag haar naam noemt, ontneemt hij haar die direct. Hij zal Patricia herinneren als Geneviève. Dit is iemand vernederen en onteigenen. De naam die haar eigen is, wordt niet erkend. Het vragen om de naam is de vernederende actie geweest. Hij had haar ook in gedachten Geneviève kunnen noemen, zonder haar naam te vragen. Wat een eikel. Mijn irritatie over die verkleinwoordjes aan het begin blijkt meer dan terecht.


Naar aanleiding van: Pierre H. Dubois, ‘Suite de la fuste 3’ In: Idem, Een toren van Babel. ’s Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar, 1984, 25.

Van de site babynamen.nl: Genevieve is een Franse meisjesnaam. Het vroegst bekende gebruik van de naam in Engeland is te vinden bij Coleridge (1772-1834) in zijn sonnet ‘Genevieve’. De naam is afgeleid van de naam Genovefa. De betekenis van die naam is niet zeker. Het eerste lid wordt wel in verband gebracht met Gallisch genos ‘ras’ en het tweede met wefa ‘vrouw’. De heilige Genovefa werd geboren in Nanterre omstreeks 422, gestorven omstreeks 502; kerkelijke feestdag: 3 januari. Zij is patrones van Parijs.

Liefde verplicht

Wie is er aan het woord? Je ontkomt niet aan deze vraag bij Umberto Eco’s avonturenroman Baudolino. Het voor de hand liggende antwoord is: Baudolino. Hij vertelt aan de Griekse geschiedschrijver Nicetas Choniates zijn levensverhaal (deze Nicetas heeft echt bestaan, zie Wikipedia). In het laatste hoofdstuk horen wij Nicetas in gesprek met Paphnoutios (ook een naam van een historisch persoon maar dan eeuwen eerder) en hij adviseert Nicetas geen geloof te hechten aan het twijfelachtige getuigenis van Baudolino. “Je moet niet denken,’ zegt Paphnoutios als hij verneemt dat Nicetas inderdaad Baudelino zal verzwijgen, “dat jij op deze wereld de enige geschiedschrijver bent. Vroeg of laat zal iemand het verhaal vertellen, iemand die nog leugenachtiger is dan Baudolino.” (473) Daarmee zijn we bij Eco zelf uitgekomen. De verhalenverteller, die ons geen historie presenteert maar een roman.

Eco heeft zijn fantasie volop de ruimte gegeven. Wie naar de waarheid in het christelijke Westen rond 1204 zoekt en dan precies wil weten wat er gebeurde in Constantinopel komt bedrogen uit. Maar is de vertelling niet belangrijker dan de feiten? Sterker, bestaan de feiten wel zonder verhaal? Ik denk het niet en daarom alleen al is het belangrijk dat er romans als Baudolino geschreven en gepubliceerd worden. Tegelijk is waar dat we geen nepnieuws willen horen. En wat de fantasie allemaal voortbrengt kan geen recht claimen op geloofwaardigheid. De vraag is dan ook niet: is het echt gebeurd, maar: welke functie heeft het verhaal? En heeft het dat ook voor mij? Nieuws en nepnieuws, fantasie en vertelkunst, het gaat om betekenis. Wij zijn als mensen op zoek naar betekenis. Zo alleen heeft het leven waarde.

Baudolino is 65 jaar als hij zijn verhaal doet aan Nicetas. Hij heeft de schrijver gered uit een penibele situatie als pelgrims de stad Constantinopel brandschatten. (19) Baudolino laat hem zijn eerste poging tot schrijven zien, een hakkelende tekst over een gestolen perkament heen. De houterigheid laat zien dat hij uit een eenvoudig milieu komt. Deze jongen van een jaar op veertien heeft zich echter ontwikkeld tot een man van vele talen, met een levendige verbeelding, levend vanuit een roerig en beminnend hart dat op de goede plaats zit. Ook Baudolino wil ertoe doen in deze wereld en aan het einde van het boek trekt hij de wereld in om aan zijn diepste, menselijke verplichting te voldoen.

Door toeval komt de jonge Baudolino in aanraking met keizer Frederik I Barbarossa (‘Roodbaard’ 1122-1190). Eco betrekt de bekende geschiedenis voortdurend in zijn verhaal. Wikipedia vertelt: “Barbarossa verdronk op 10 juni 1190 toen hij tijdens de Derde Kruistocht de rivier de Selef (in Anatolië) wilde doorwaden. Het is niet precies duidelijk wat er gebeurd is, maar de bronnen zijn het erover eens dat hij van zijn paard geraakte (ofwel door een val, ofwel opzettelijk om zich af te koelen in het water) en eenmaal in het water verdronk.” Bij Eco is het uiteindelijk Baudolino die met zijn vrienden verantwoordelijk is voor de dood van de keizer. Omdat zij het lang niet beseften en tegelijk bezig waren de heilige Graal te beschermen, is de onthulling van de waarheid (!) voor Baudolino teveel. Hij valt flauw. (463) Barbarossa, de man van wie hij hield en aan wie hij zoveel te danken had…
Een verhaal van een mens, dat is dit. Laat niet ieder even rijkelijk kunnen fantaseren, allen staan wij onder het lot van de tragiek, werken wij ons door het leven met humor, hebben onze daden onverwachte gevolgen, beminnen en haten wij, liegen wij als het uitkomt – welaan dat alles krijgen wij uitvergroot voorgeschoteld in deze uitbundige roman.
Soms vond ik hem te langdradig. Maar tweemaal, op beslissende momenten, ontroerend. Halverwege horen wij dat Baudolino getrouwd is met Colandrina, de dochter van Guasco uit zijn geboortedorp. Zij raakt in verwachting maar wordt mishandeld bij een rooftocht door mannen uit een vijandig dorp. Het kind wordt voortijdig geboren en moeder Colandrina sterft kort daarna. Als Baudelino dan vraagt of hij zijn kind mag zien, dan is het misvormd. ‘Het was een gedrochtje’. Dat is plotsklaps voor hem een inzicht. “Otto had gelijk, maar meer nog dan hij had bevroed: ik was een leugenaar en had zozeer als leugenaar geleefd dat zelfs mijn zaad een leugen had voortgebracht. Een dode leugen.” (212) Leugens ondermijnen de menselijke orde, zoals het geschonden leven ook een teken is van de kapotte orde.

De tegenhanger van deze scene is het kind dat hij verwerkt bij Hypathia. In het land van de Diaken (de zoon van de Priester Johannes naar wiens paradijslijk rijk hij met zijn vrienden op weg is) ontmoet Baudolino de schoonheid zelve. Zij is vernoemd naar de historische Hypathia. Die leefde zo’n acht eeuwen eerder in Alexandrië. Een bijzondere vrouw die uitblonk in wiskunde en zich met grote mannen kon meten. In de plaatselijke kerkstrijd werd zij het slachtoffer van een horde mannen die haar uitkleedden, vermoorden en verminkten. De Hypathia die Baudolino ontmoet schotelt hem het esoterisch verhaal voor van goddelijke emanaties en de Demiurg. (393) Deze beroerde onderschepper heeft ons opgescheept met kwaad en dreigende wanorde. Maar er is zoiets als de liefde. De apathie als hoogste deugd kan de Hypathia niet vasthouden (394) Als Baudelino haar bemint blijkt zij een hybride: haar onderlijf is als een geit. Haar natuurlijk paren doet de sater met hun ramslijf (401). Gruwelijk!, roept Nicetas uit. Nee, toch niet, antwoord Baudolino. Ook haar dierlijke aard maakt deel uit van haar gratie.
De Witte Hunnen komen. Baudolino moet het rijk van de Diaken verdedigen. Hij verliest Hypathia uit het oog. Maar hij weet dat zij zwanger is. Nadat hij jaren later eerst als pilaarheilige geboet heeft voor de dood van de keizer, verdwijnt hij de wereld in om Hypathia te zoeken, of haar kind. Zijn kind. “Ik ben wijzer. Derde schuld: ik heb daar een zoon of een dochter. En Hypathia is daar. Ik wil ze terugvinden en beschermen, dat is mijn plicht.” (470)

Zo is zijn levensverhaal toch weer verteld. Echt gebeurd? Welnee. Alles scheert langs de historie. Wat is historie? Zij gaat over mensen die veel doen, en van alles laten. Waarin het grote en het kleine, het profane en het heilige, het groteske en het verrukkende één geheel vormen dat herkenbaar is en tot denken zet. Baudolino leeft in de veronderstelling dat hij bewust en onbewust de geschiedenis in het westen een wending heeft gegeven. Zonder hem zou de historie er heel anders uit zien. Onzin? Ja. En nee. Hoe je het ook wendt of keert, hij is – dankzij verteller Eco en mijn aanschaf van het boek– onderdeel van mijn biografie geworden. Onherstelbaar. En na de verpozing om een bedacht verhaal blijft de vraag achter: waar ligt mijn plicht en hoe heeft die te maken met liefde en zorg voor de ander?


Naar aanleiding van: Umberto Eco, Baudolino. Amsterdam: Bert Bakker, 2001. Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone.

In zeer grote delen van de wereld wordt geen Grieks gesproken, vertelt de wereldwijze Baudolino Nicetas en voegt daaraan toe: “… en je hebt zelfs mensen die als ze het ergens mee eens zijn Oc zeggen.” (32) Leuk gedaan, Umberto, die verwijzing naar ons okay. Het is dezelfde spot die van een oude beker van zijn vader de heilige Graal (of Gradalis) maakt (252); en de lijkwade van Diaken Johannes beschrijft als het heilige doek dat in Turijn bewaard wordt. (404, 432)

“Weet je, heer Nicetas, als je iets vertelt wat je je verbeeld hebt en anderen zeggen dat het inderdaad zo is, dan ga je er uiteindelijk ook zelf in geloven.” (30, zie ook 35-36, 53, 207, 212, 250, 328, 354) “Jij, zei Nicetas, bent net een Kretenzer: je zegt dat je aan aartsleugenaar bent en je verlangt vervolgens dat ik je geloof.” (39; wie hoort niet de verwijzing naar Titus 1,12?)

Allerzielen, een gedanste suite

Als ik niet beter wist, had ik me in een visioen gewaand. Zoiets als de heilige apostel Johannes beleefde op het eiland Patmos. Ik zag de opstanding van de doden. En ik verheugde me zeer. Alioune Diagne danste voor onze ogen. Terwijl de piano speelde bewoog hij over de stenen waar wij zojuist onze voetstappen hadden gezet. We liepen naar de kaarsen. Denkend aan geliefden die wij moesten laten gaan, ontstaken wij voor hen een licht. Wellicht sprak de één een korte gebedstekst, de ander een ‘tot ziens’, de derde dacht aan niets en de vierde, ach wie weet wat er in het moment van zware gedachtenis door ons heen ging? De danser stond, in ons midden, en toen de laatste luisteraar z’n plaats bereikte, kwam hij in beweging. Pianist Rik Elings speelde ons verzamelde verdriet de ruimte in en hier, op onze aarde verbeeldde Diagne ons aller kwetsbaarheid. En eenmaal op z’n knieën aangekomen hoorden wij de stemmen van Het Nederlands Bachconsort: “Agnus dei, qui tollis peccata mundi, dona eis requiem, sempiternam requiem: Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt, geef hen rust, eeuwige rust.” Ik kreeg kippenvel en mompelde ‘Amen’.

We waren halverwege het programma van ‘Allerzielen’ Een gedanste suite van verdriet. Opgezet aan de hand van de bekende fasen van rouw: ontkenning, woede/onmacht, onderhandelen/vechten, depressie/vermoeidheid, en aanvaarding. Deze vijf profane stadia kregen een sacraal antwoord. Klassieke requiemmisdelen: Introïtus/Kyrie, Kyrie/Sanctus, Pie Jesu, Agnus Dei, Lux Aeterna en In Paradisum. Aangevuld met creaties van Rik Elings op basis van Bachcomposities ontstond zo een programma van een uur. Nou ja, programma, de voorzitter noemde het een viering. Geweldig, dacht ik, niet alles is festival of evenement. Van achter uit de kerk begon het Requiem Aeternam te klinken. De zangers namen ons op sleeptouw met het oeroude Gregoriaans en brachten ons tenslotte bij de stilte.

Want na het In Paradisum was het bepaald nog niet klaar. Alioune Diagne had in zijn choreografie een zeven meter lange witte doek opgenomen. Deze lijkwade lag eerst opgerold in een mand. Hij droeg haar respect vol rond, zichtbaar voor ons allen. Later – hij danste intussen met ontbloot bovenlijf – draaide hij zich in het doek als was hij zelf een van de doden, als waren wij nabestaanden, in hem, bezig onze hechting aan de overleden geliefden te verbeelden. Hij drapeerde de zeven meter recht voor ons neer en kroop dansend erover heen. Opnieuw dacht ik aan het rouwproces. Ook al waren wij het stadium van vechten voorbij, het kan weer terug komen. Rouwen is zo ingewikkeld. Boeiend hoe Diagne in het begeleidend boekje schrijft hoe anders de rouw gaat in het land waar hij opgroeide: “Wij gaan in Senegal – noodgedwongen – meteen van stadium 1 naar stadium 5! We begraven binnen 24 uur het lichaam, gewikkeld in een witte lijkwade van zeven meter.”

Zo danste hij over de dood en ik kon nauwelijks ademen toen hij het doek ook over zijn hoofd legde en met armen wijd uitgestrekt naar beide zijden ronddraaide. Hij had intussen een blauwe tuniek aangetrokken. Eenvoudig vierkant, met grote armsgaten. Wij zagen zijn zwarte huid en blote voeten, het hemelsblauw vertelde iets over de hemelse boden waarover juist toen werd gezongen: “In paradisum deducant angeli: We wensen je toe dat de engelen je begeleiden naar het paradijs.” Ik zag voor me hoe de doden meegenomen werden naar de hemel. Hij liet de witte doodsdoek van zijn hoofd afglijden en hij keek. Hij keek als was hij in de nieuwe wereld aangekomen. Hij stond in de kring van de acht zangers. Hij keek, naar de eerste alt, tellenlang maakt hij oogcontact. Hij draaide naar de tweede alt en het was doodstil terwijl hij keek. Hij draaide naar de sopranen die hij een voor een aan keek. Hij vergat de pianist niet in zijn ronde, ging verder langs de tenoren en de heren bariton. Hij keek naar hen en in hen naar ons. Ik voelde me gezien en dacht: ja, dÍt is wat het eeuwige leven gaat brengen. Contact met mensen die je kende en die je voor het eerst ziet. De oogopslag aan de andere zijde van de dood is het begin van nieuwe banden met elkaar in een sfeer zonder competitie, onrecht of verdriet. “We wensen je toe dat het koor van engelen je ontvangt en dat je samen met de ooit arme Lazarus eeuwige rust krijgt, eeuwige rust.”

Ik was van m’n sokken geblazen. Zag ik een visioen? Langzaam kom ik weer terecht. Dit onthoud ik als een teken van hoop, schoonheid vol belofte op momenten dat het huilen je in deze zotte wereld nader staat dan het lachen.


Naar aanleiding van: ‘Allerzielen’ Een gedanste suite van verdriet. Uitgevoerd door Het Nederlands Bachconsort: Heleen Koele, sopraan; Mónica Monteiro, sopraan; Sytse Buwalda, altus; Oscar Verhaar, altus; Pablo Gregorian, tenor; William Knight, tenor; Roele Kok, bariton; Michiel Meijer, bariton; Rik Elings, piano en Alioune Diagne, dans.

Marja van Delden vroeg mij om als vrijwilliger mee te werken. Voorafgaand aan de uitvoering in de Grote of Sint- Michaëlskerk op vrijdag 28 oktober 2022 attendeerde ik de aanwezigen op de mogelijkheid een naamkaart in te vullen. Deze namen werden voorgelezen door Heleen Koele en Sytse Buwalda, tijdens de viering. Marianne en ik bezochten de uitvoering een dag later, zaterdag 29 oktober in Deventer, de Lebuinuskerk. Daarna werd de viering gebracht naar Doesburg (30 oktober), Amsterdam (1 november) en Leeuwarden (2 november).

Voor meer informatie over het Bachconsort, klik hier.

Nergens thuis

Het is een ongewoon thema: ziener-zijn. Voor zover ik de stripwereld ken, is het thema weinig gekozen. Het is niet zo ingewikkeld om te verzinnen hoe je het in een scenario invoegt maar het vraagt wel om een plot waarin het ziener-zijn de toegevoegde waarde blijkt te zijn. Het oplossen van een misdrijf is een voor de hand liggende situatie. Waar de verklaring door gewoon recherchewerk niet verder komt, is de ziener de aangewezen persoon om de doorbraak te brengen. In de wereld van de Native Americans is de medicijnman of sjamaan een bekende figuur. Hij of zij maakt contact met de geesten en de geestenwereld. Zo kunnen ziekten worden genezen. Het zit dicht aan tegen de voorouderverering. Dat is een systeem van rituelen en aanroeping van overleden verwanten. Voorouderverering is gebaseerd op de overtuiging dat de geesten van de doden in de natuurlijke wereld blijven bestaan en de bevoegdheid hebben om het lot van het leven te beïnvloeden.

James Healer is de ziener in de fraaie striptrilogie die zijn naam draagt. Yves Swolfs tekende bij de scenario’s van Giulio De Vita en Sophie Swolfs nam de inkleuring voor haar rekening. Ik heb de serie uit 2002 – 2004 met plezier weer gelezen. Healer is als kind gevonden door een indiaan die de overtuiging had dat de geest van de overleden Eagle Glance een tweede kans krijgt van de Grote Geest (Camden Rock, 3). Zijn taak was nog niet beëindigd. Baby James is een ‘white skin’, gevonden op een misdaadlocatie waarbij ouders omkwamen. Hij krijgt te horen dat hij met bijzondere krachten behept is. Hij kan in de ziel kijken, situaties uit het verleden zien waar hij niet bij was, toekomst inzien en in contact treden met de onzichtbare machten. “Je bent echter nergens werkelijk thuis, je leeft tussen twee werelden. Sommige blanken en indianen zullen je met heel hun hart liefhebben, maar velen zullen je haten, want wie diep in andermans ziel kan kijken en waarheden kan onthullen, is zelden welkom.” (Camden Rock, 5)

Camden Rock en De nacht van de cobra vertellen het verhaal van de hulp die Healer biedt aan de sheriff Brian Heckman in Camden Rock. Er zijn drie meisjes vermoord in het stadje en de oplossing lijkt ver weg. Al direct bij binnenkomst is de weerstand tegen Healer voelbaar en al snel krijg je het vermoeden dat een aantal mannen de waarheid niet boven tafel willen hebben. Opluchting als er een verdachte is die ook nog zelfmoord pleegt. Maar Healer gelooft het niet.

Het contact met de vooroudergeest verloopt via beelden over wat er gebeurd is (Camden Rock 12, 14, 16, 26; De nacht van de cobra, 4) en door droombeelden, met name over een paard dat wel waanzinnig lijkt (Camden Rock 17-18). Hij kan het niet direct duiden maar blijft daardoor wel in actie. In toenemende mate komen ook de daders in beweging. Het tweeluik wordt een thriller waarin de actie dik wordt aangezet en mooi afwisselt met rustiger delen tegen indrukwekkende achtergronden.

Het tekenwerk is heel goed, met de inkleuring is ook niets mis, maar juist het eigen thema van de serie is per saldo toch wat teleurstellend. Als achteraf blijkt dat de mannelijke notabelen van het dorp jonge meisjes op seksfeestjes hebben misbruikt, en ook de sheriff in de tang zit, dan is het helder dat Healers werk niet op prijs wordt gesteld. Zijn gaven zijn bekend en worden bespot maar in het geheel van de plot zijn de aanwijzingen minimaal en niet precies wat in het begin werd gezegd: het kijken in de ziel. Het dichtst daarbij komt dat gekke paard. In deel 3, De heilige berg, is dat de lijn die doorgetrokken wordt naar een nieuw verhaal (6 en 48) maar veel helderheid ontstaat er niet. Een verwend kind loopt weg uit Hollywood. Zij wil haar native roots zoeken maar haar rit wordt door vriendje Matt gekaapt. Als Mary ten einde raad is en dreigt doodgeschoten te worden kan Healer ingrijpen. Hij weet dan plotseling verrassend nieuws maar met kijken in de ziel heeft het niet zoveel te maken (24, misschien een beetje op 40) Hij volgt zijn missie maar het blijft toch een wat los draadje in een verder goed getekende stripserie.

En dat is ten slotte doorslaggevend voor een positief oordeel. Er zit een leuk romantisch draadje in en ook de discriminatie van de indianen in Amerika is goed ingevouwen in het verhaal.


Naar aanleiding van: Yves Swolfs (scenario), Giulio De Vita (tekeningen) en Sophie Swolfs (kleuren), James Healer 1: Camden Rock (Derde Stroming). Brussel: Lombard, 2002; idem, James Healer 2: De nacht van de cobra. Brussel: Lombard, 2003; idem, James Healer 3: De heilige berg. Brussel: Lombard, 2004.