Opgaan in zwart

Zo donker opent deel 1: “Duisternis… donkerte, obscuriteit, rammelende kettingen, boeien die door vlees snijden, kreten van pijn, bloed, gevloek, tranen. Iets anders ken ik niet.” (I 3) De slotpagina van deel 2 is even donker. Op een zwarte ondergrond een wit klein tekstblok: “Eindelijk zie ik licht.” (en nog een korte, verklarende tekst waarom het de Romeinen niet lukte de Picten te onderwerpen). Melonius Brigantus is verlost van het beest in zichzelf. Die verlossing vindt hij in de zee, in de dood door verdrinking. “Ik voel me goed.” (II 55)

Daarmee is hij ook verlost van de onmogelijke wereld. Hij heeft een thuisloos leven geleid. Als bastaardzoon van een legionair en een prostituee stond hij al achter vanaf zijn geboorte. Opgevoed binnen het leger bleef hij, onder andere door zijn reusachtige omvang, een zonderling. En zijn Pictische achtergrond van moeders kant kan hem helaas niet thuisbrengen bij de Picten. Dat is wat deel 2 van het tweeluik ons vertelt.

Na zijn verbanning uit het leger (slot deel 1) is hij opgevangen in het Pictische dorp van Gwer en zijn familie. Zij vertrouwen het toch niet helemaal en houden de reus in de boeien. Als hij aanbiedt te helpen met het verslaan van de Romeinen, neemt Gwer de gok en gaat erop uit om leiders van andere Pictische clans te overtuigen aan te sluiten. Terwijl zijn dochter affectie ontwikkeld voor de gevangene, is Gallaid, de zoon, juist heel argwanend. Hij blijkt in deel 2 de aanhoudende vijand. Want als de Romeinen inderdaad op afstand worden gehouden, is Brigantus volgens toch weer de verrader. Ook voor de Picten. In de achtervolging op zee komt ook Gallaid om. De kwaadaardige zoon heeft dan al zijn zus en zijn vader vermoord. Deel 2 is een slagveld en een bloedbad, op z’n Hermanns aan ons voorgeschoteld.

Het is sneu dat de misvormde hoofdpersoon niet de credits krijgt voor opoffering. Tot twee keer toe betoont hij trouw: eerst aan het meisje, die dochter van Gwer (I 38-40) en dan aan Aurelius, zijn strijdmakker in het legioen. (II 39) Het is natuurlijk niets voor niets in het scenario opgenomen. Vader en zoon Huppen weten ook dat op de vuilnisbelt van veel onbetrouwbaarheid er een paar humane bloemen bloeien. De toewijding van de uitgestoten mens aan wie hem met respect behandelen krijgt echter geen beloning. Hij is en blijft wat de Romeinen op zijn borst gekerfd hebben: verrader (traditor, I 50 en II 42). Een monster. Dit is wat mensen elkaar kunnen aandoen. Er wordt geen recht gedaan. Het is godgeklaagd.

Verlossing heeft Brigantus al lang voor ogen gestaan in een visioen, met daarin een vrouw, rustig aan de oever van de rustige zee. (I,4) Zon, felblauwe luchten, witte vogels… leven! Een vrouw die omkijkt en naar hem toekomt: “Ik verdrink in haar ogen, in haar glimlach, ik word warm.” (II 54) Hij vraagt zich af of dit een nieuwe geboorte is. Wel, het antwoord zien we voor ons. Hij lost op in het grote zwart. In niets.


Naar aanleiding van: Hermann & Yves H., Brigantus: 2 De Pict. Brussel: Le Lombard, 2025. Vertaald uit het Frans: Brigantus tome 2: Le Picte.