De schooier Khoebak blijkt niemand minder van Moekh-de-Mansdjoe. Het einde van deel 11 van de serie Bernard Prince valt me tegen. Ik weet niet zeker of ik dat nu ook al had toen ik de eerste keer dit album las. Misschien wel, misschien niet. Maar het avontuur van onze vrienden is een beetje fake. Bernard en Barney worden in de haven waar hun jacht ligt min of meer voor het blok gezet: zij moeten een kostbare lading diamanten (1 miljoen dollar!) door onherbergzaam gebied bij een regionale Aziatische chief brengen om een jong meisje uit ontvoering te bevrijden. De Cormoran wordt eerst gesaboteerd en Djinn vastgehouden. Dan blijkt de kwade genius een oude vijand: Wang-Ho, aka Generaal Satan, bekend uit eerdere avonturen. De ontvoerder is collega-schurk Moekh-de-Mandsjoe.
Echter, aan het slot van het verhaal is de jonge vrouw Song-Shy, de dochter van Wang-Ho en de aanstaande van Tao, de zoon van de Moekh. Niks geen meisje dat bevrijd moest worden. Het enige was dat de kostbare miljoenen bruidsschat door betrouwbare mensen moest worden overgebracht. (46) Aan niemand in de directe omgeving van Wang-Ho of Moekh-de-Mandsjoe kan dit worden toevertrouwd. “En dan te bedenken dat er in zijn leger bandieten er niet een is, die hij dat geld kan toevertrouwen zonder bestolen te worden, Daarom heeft hij ons, zijn grootste vijanden, opgetrommeld, omdat wij eerlijk zijn. Het is toch eigenlijk om te gillen!” (11) Aan het slot concludeert de Moekh: “Satan had gelijk: in deze tijd zijn twee mannen zoals jullie bijna net zoveel waard als de edelstenen!” (47)
De natuur is opnieuw, zoals Hermann eens zei, een acteur in het verhaal: “Ik ben erg verzot op de natuur, dat zie je trouwens in al mijn strips. En waarom zou je die natuur dan geen rol geven in je verhaal, door middel van een storm, een aardbeving of iets dergelijks, het is een akteur erbij in het verhaal. Greg vond het prima daar verhalen op te schrijven.” (uit het interview met Hans van den Boom, november 1984, Dossier 18) Vanuit de haven trekken Barney en Bernard met een pakezel de bergen in. Struikrovers openen de aanval. Twee gaan krijgsgevangen mee met onze helden, ook om de last dragen, want de ezel overleeft ’t niet. Wankele bruggen over diepe afgronden, grotten met gevaarlijke vleermuizen, Kha-ayawas (‘vliegende piranha’s’), en onmogelijk te maken sprongen, het zit er allemaal in. Halverwege voegt zich dan een zekere Khoebak bij hen, een soort lonely wolf met weinig opbeurende plannen. Vertrouwen moet soms, omdat wantrouwen tot wanhoop en dood leiden zal. Slimme oplossingen en een beetje geluk zorgen voor de aankomst op de bestemming. En dan blijkt er ook gewoon een helikopter te zijn voor de terugweg.
Tja. Nogmaals tja.
Naar aanleiding van: Hermann & Greg, Bernard Prince 11: Nevelburcht. Brussel: Le Lombard, 1977. Oorspronkelijke titel: La forteresse des brumes. In het Frans gepubliceerd in 1977.


De beruchte Wang-Ho is de enige terugkerende ‘slechterik’ in de Bernard Prince-reeks. Hij verschijnt voor het eerst in General Satan, neemt wraak op Bernard Prince in De hel van Suong Bay en speelt de rol van koppelaar in Nevelburcht. Net als Spectre in James Bond belichaamt hij de almachtige slechterik, die zachtjes grijnst om de grap die hij met de helden gaat uithalen.
Zijn laatste optreden in Nevelburcht verfijnt zijn karakter echter en plaatst hem in een gastvrijer, bijna sympathiek daglicht. Daarmee voorspelt hij een nieuwe trend in actiefilms: de slechterik, hoe slecht hij ook is, kan niet langer een monolithisch en nuanceloos personage zijn dat zich puur voor zijn plezier tegen de held verzet. Een minimum aan psychologie is vereist. De samenleving is geëvolueerd, volwassen geworden; Bernard Prince en de personages uit de serie ook.
