In een streng beveiligde enclave waar orde en netheid tot obsessie zijn verheven, ontdekt een tweetal gelukzoekers al snel dat schoonheid slechts een façade is. Terwijl de elite leeft in weelde, smeulen onder het oppervlak verzet en frustratie. Kurdy en Jeremiah arriveren in de stad op zoek naar werk. Wat zich voordoet als een welvarend toevluchtsoord, onthult zich al snel als een rigide tweedeling: burgers leven in luxe, terwijl huishoudelijk personeel – genummerd en rechteloos – als slaven wordt behandeld. De schijnbare rust wordt systematisch verstoord door een gemaskerde saboteur die nachtelijk vuilnisbakken omvergooit. Het is een daad van verzet die meer betekenis draagt dan op het eerste gezicht lijkt. In een maatschappij geobsedeerd door netheid, is afval het ultieme symbool van rebellie.
Romea, dochter van de stadspresident, verkeert in openlijke opstand tegen haar vader. Nog rouwend om haar overleden moeder, heeft ze haar hart verloren aan Julius – een doedelzakspeler die buiten de stadsmuren leeft in openlijke viezigheid. Haar vorm van protest: ze weigert zich te wassen. De vliegen die om haar heen zoemen, zijn haar badge of honor. Julius blijkt de jongere broer van Stonebridge te zijn. Elke avond brengt hij Romea een serenade – slecht gespeeld, maar oprecht. Voor de ‘respectabele burgers’ is hij een doorn in het oog: smerig, buitenstaander, en zonder enige ambitie zich aan te passen.
Ondertussen raakt Jeremiah verwikkeld in een affaire met mevrouw Procton, echtgenote van een topfunctionaris. Het loopt uit op een veroordeling ter dood – totdat Kurdy ingrijpt op het kritieke moment.
Het verhaal wordt verteld door Rocky, een oudere, vervuilde man die in de metro-tunnels onder de stad huist. Via camera’s volgt hij alles, een genegeerde getuige die ‘s nachts supermarkten plundert terwijl hij moppert over inflatie. Zijn enige gezelschap: Stonebridge, opgesloten in een kooi, en een opblaaspop die regelmatig gerepareerd moet worden.
De stad fungeert als metafoor voor totalitair bestuur. Politie en militie patrouilleren constant, gewapend met wapenstokken. De gemaskeerde wreker die vuilnisbakken omgooit? Niemand minder dan de politiechef zelf – een ironische onthulling van de innerlijke conflicten binnen het systeem. De burgers leven lusteloos en passief, uitgeput door de monotonie van pendelen, werken en slapen. Vrijheid is een illusie; ze zijn gewillige gevangenen in een gouden kooi. Hun enige opwinding: het bijwonen van executies van slaven, herinnering aan het Rome van weleer. Pas wanneer de stier met scherpe hoorns de arena betreedt, kunnen ze eindelijk extase uiten. Meneer Procton belichaamt de pretentieuze onderbaas die zijn positie misbruikt. Zijn vernedering is totaal: bedrogen door Jeremiah, krijgt hij zijn haar afgeknipt door Kurdy, die vervolgens over hem heen urineert. Besmeurd en vernederd strompelt hij de trap af, waar een vuilnisbak – geduwd door Romea – hem inhaalt en zich over hem leegstort.
Voor zijn ogen stort zijn hele wereld ineen.
Naar aanleiding van: Hermann, Julius & Romea (Jeremiah 12). Brussel: Novedi 1986. Oorspronkelijk verschenen in het Frans, bij Novedi/Dupuis. Inkleuring Fraymond.

Stonebridgde kwamen we ook tegen in deel 5, klik hier.
Over Stonebridge zegt Hermann: “Werkend voor diverse tirannen, charlatans en andere criminelen, is hij betrokken bij elke louche deal zolang er maar makkelijk geld te verdienen valt. Maar terwijl Kurdy behendig, scherpzinnig en sluw is als een aap, is Stonebridge even misleid als oneerlijk, en zijn waanzinnige plannen lopen steevast mis. Hoewel Kurdy nauwelijks een “winnaar” genoemd kan worden, is Stone B. een pathologische “verliezer” die, wat hij ook probeert, er altijd in slaagt zichzelf in situaties te manoeuvreren die hem vroeg of laat belachelijk maken. Hij voegt daarmee een vleugje humor toe aan de serie. Onbedoeld, natuurlijk.”