Met fijne haakjes daalt hij
door de bladeren naar leegte,
groene schubben grijpen in de ruwe bast
als hij langs takken tast,
twijg na twijg spiraalt hij
tussen rijpe vruchten door
de omheinde tuin in.
De zwarte tong vangt zwaar aroma
op een halve lichaamslengte
van haar oor –
in volle zon.
En zij ligt languit op de bank,
wrijft loom olie op haar schenen,
opgetrokken, haar kuiten hoog geheven
en dan de binnenkant van dijen.
Gladde vingers in haar liezen
als boven in de bomen
de wind
wegvalt.
Zij huivert bij de schouders.