De eerste vlok landt

De eerste vlok landt naast het linkerbeen.
Met vol gewicht staat hij, de ruin,
hij kent z’n plaats in het berijpte januarigras
met net de jonge zon eroverheen.
Rijp op de zwarte takken ook,
daarnaast kaatst waterlicht
en in het zicht komen kristallen.
Zij vallen op de volle vacht
en door de jaren weet hij ervan:
verdwijnen zullen deze eersten –
hij warm en zij met weinig.
Hij heeft de ogen half gesloten,
hoef half geheven,
het hoofd omhoog,
nog even

en de vlokken aarzelen niet meer.
De morgen grijst en naast hem
kijkt de jaarling de dichtbij zijnde verte in.
Hij spant de jonge spieren.
De oren gaan naar voren, strak,
en achterwaarts en weer naar voren,
de sneeuw is nieuw en koud
en, hoor, hij snuift
als vlok na vlok zijn neus bereikt.
Schouder aan schouder verstijvend.
Wolk na wolk,
weten en niet weten houden stand.

De bui zet door en wordt aanwezigheid.
De tijd komt liggen in de manen,
bedekt de brede en de smalle rug,
de jaarling haalt de oren nog één keer scherp terug –
buigt dan met ruin het hoofd de stilte in,
afgestemd op wat gewoon wordt.

Het gras verliest z’n diepte,
de sporen zijn vervaagd voordat ze zijn gezet,
de randen breken af,
het zwijgen vult de ruimte
en nu de sneeuw geen aanval blijkt,
ademt de jaarling rustig,
breed zoals de ruin al deed.
Staande naast de staande.

Mijn schouders zitten onder sneeuw
terwijl ik naar dit zwijgen staar.
Ik draai voorzichtig om,
stap in het witte vlak.

KRAK!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *