Eenvoud, en menselijk

1937

Mijn moeder verloor haar portemonnee,
zij belde bij de buren, omdat ze voor
zeven gulden kon koken, wassen en
huren. De school aan de overkant zocht
ook al mee. De hele stad wist er
volgens mij van hoe een kind zich
schamen kan.

In ons portiek belde een man
en vroeg om een boterham.
Mijn moeder gaf hem een dubbele snee
met leverworst, zij huilde
omdat het zover met mensen
en mannen kwam.

De buurvrouw kwam terug
van boodschappen doen.
Ze had weer niets gevonden, maar zag,
zei ze, iemand die zingend
de mussen voerde in het plantsoen.
Het klopte. Een grote man
op een slof en een schoen.

Ed Leeflang, De hazen en andere gedichten.2 Amsterdam: De Arbeiderspers, 1980, 25

Ed Leeflang biedt een melancholisch en teder portret van armoede en solidariteit. Het gedicht raakt diep door zijn eenvoud en menselijkheid: het kleine, persoonlijke verhaal reflecteert op een bredere historische realiteit. De beeldspraak en structuren versterken het contrast tussen verdriet en hoop.

*

Dies Irae

Het vinkje van het zoontje van mijn broer
lag dood. De hele familie verschoot van kleur
toen bleek dat het beest al dagen droog stond
en het schelpenzand al weken niet verschoond.

Ook ik werd deelgenoot gemaakt en gruwde.
De hele wereld wist hoe ruw
de mens kan zijn.

De vink werd nog diezelfde dag begraven,
met groot misbaar. We droegen haar
– het viel niet mee – de tuin in
en sloegen flink op onze borst.
Kort na het dies irae verfladderde de vinkenziel,
tot in de schoot van Abraham misschien.
Het zoontje huilde, zo te zien
nogal beroerd.

De zomer kwam al vroeg dat jaar.
Mijn neef, die alle smarten droeg, werd weer
in eer hersteld. Hij kreeg een nieuwe zebravink.
In de familie wordt verteld dat hij nog leeft,
de neef en ook zijn vinkje. Een heerlijk stel.
Hun dagen zijn geteld. Dat wel.

Het gedicht brengt schuld, rouw en de vergankelijkheid van het leven samen, verpakt in iets ogenschijnlijk kleins: de dood van een zebravink. De toon is zowel wrang als teder, de toon is ook ironisch: er wordt met groot ceremonieel gereageerd op de dood van een vinkje, terwijl de oorzaak – nalatigheid – niet expliciet wordt berouwd.

*

Nu een lijfelijk gedicht in deze stijl.

Gewichtsverlies

Een engel uit de buurt verloor nogal gewicht,
kilo of zes, in korte tijd, en niemand wist
waar dat gewicht zo gauw gebleven was.
Z’n vrouw keek in de slobbertrui en afgezakte broeken,
een vriend ging bij lichamelijke oefeningen zoeken
en een collega kende iemand die het
ook had meegemaakt.

De witte jassen kwamen. De hypothese was
dat iets vitaals was aangeraakt en dat de kilo’s,
alle zes, herwonnen moesten worden.
Een educated guess was dat zoveel gewicht
gemaakt kon worden. ’t Is een gevecht,
aldus de scan, dus houd je vast.

Bij het graf sprak men gepast.
Het ging om moed, om licht en om
saamhorigheid. Het was zo goed
en goed zo. Toch zijn de kilo’s
nooit hervonden of herwonnen
en ben ik bang dat op een dag
ik denk: waar is nu mijn gewicht?  

Een poging om het proces van lichamelijk verval en sterven te beschrijven, zonder sentimenteel te worden. Een onderzoek in lagen naar wat het betekent om te verdwijnen—lichamelijk, sociaal, existentieel—en hoe wij, de achterblijvers, daarmee omgaan.