De Zeven Kruiswoorden

‘Vader, vergeef hen, zij weten niet wat zij doen.’ (Lukas 23,34)

Zodra je de gedachte toelaat
dat je je vergiste toen je de man
tot op z’n onderbroek
vernederde
om hem te ontmaskeren
als fake zonder volk,
voel je je uitgekleed
en wil je uit zijn ogen gaan,
voorgoed.

Vooral als zijn Vader je vergeeft,
‘luister’ zegt, ‘ga zitten, kijk me eens goed aan.’
Je wilt wel door de grond
om in een nieuwe wereld
op te staan.


‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn’ (Lukas 23,43)

Als de Heer mijn kant op komt,
zal ik Hem in Vaders huis begroeten
en eenmaal in mijn woning grijp ik
de kans: neem plaats, neem plaats,
terwijl U wegdroomt, grote Koning,
neem ik Uw voeten in de hand,
wrijf ik Uw wreven schoon,
was enkels, zolen, tenen.
Stil maar. Alles naar wens.

Maar om het stigma draai ik heen.
Tot Hij nog eens verhalen gaat,
nóg eens die dag, nóg eens die mens
die vast zat, echt geen kant meer op kon.


… zei hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19,26-27)

Dochter was zij ooit, Maria, dat kleine meisje,
dat speelde op de knieën van haar moeder.

Trouwen zou zij ook, met Jozef, vaders hoede
bracht haar bij de goede man, zij verloofden.

‘Avé,’ zei de engel, verwachting! Uit Gods Geest
al zwanger voor de trouwdag. Zij geloofde

wat heel raar is. Hoe kun je
de Heer van je leven bemoederen?

Zij moet veel stil bewaard hebben,
zoals verhalen die vast zitten aan een huis,
herinneringen die niet weg willen,
de doopjurk, de vouw van zijn schouders erin.

Stervend sprak Hij, haar Here, haar zoon
gaf haar een man om moeder voor te zijn.

Maria haalde alles op, achter het schot vandaan,
om zoekende zonen op de knieën te brengen
voor haar Zoon.


Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ (Markus 15,34)

Gods merel zingt
De hinde van de dageraad
en zo jaagt hij elke nieuwe dag
de tegenstander de buurt uit.
Vanaf de dwarsbalk van de dode boom
wil hij ons,
die met z’n allen besloten hebben
om met instemming van de bevoegde instanties
de buurt van de vruchteloze boom te verlossen,
wekken.

Wij kennen hem niet
en oordoppen bieden bescherming
tot de zaag inzet.
Daarom heeft de merel besloten
zich aan te sluiten
bij de vraag van de Heer.
In eigen taal.


Toen Jezus wist dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei Hij: ‘Ik heb dorst’  (Johannes 19,28)

Wij moesten hier aan tafel even slikken
bij het schorre schreeuwverhaal
van zusters in de zeecontainer.
Zij moesten vechten om de laatste druppel roest,
likten metaal van ijs en de wachters moesten slaan.
Dat is de prijs
als er een zuster drinken zou in wanhoop,
de dorst moest en zou de ene Naam beheersen
en slaan deden ze

toch niet

toen het begon,
je kon het nauwelijks zingen noemen,
stem maken was het meer, dank
brengen, krijgen, geven,
alles geven voor de Heer
die ooit om water vroeg omdat Hij schreeuwen moest,
het woord dat wij nu ook verhalen.
Bewaar ons, Heer, hier aan tafel

aan de wijn.


Nadat Jezus ervan gedronken had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ (Johannes 19,30)

Schurk nummer één op links, rechts hangt de tweede,
op afstand elf en bij z’n tenen de soldaat met spons
voor God Himself, de laatste levenslucht
is schor en afgemeten: één woord –
de rukwind drukt het helmgras plat
en halmen buigen als één lichaam,
de deur in huis klapt open, dicht, en klapt en klapt.

Tranende ogen om het slotakkoord.


En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’ (Lukas 23,46)

Mag ik vandaag de dag
beginnen met een klein kijkje
in Uw palmen, Heer? Ik zoek
een beeld, de kinderen dichtbij
het hemels open spijkergat
en ik beveel, ik ben zo vrij,
de kinderen van onze kinderen
met beide handen aan.

En sta mij toe
een vingertop te strijken
in Uw palmen, zodat we,
al is het maar voor even,
hun namen samen voelen leven,
vingerkussend op de huid,
en samen, boven ons
zacht zuchten uit, Uw mussen
hoopvol horen tjilpen,
of mag ik deze ochtend
zeggen: galmen?