Categoriearchief: Gedichten

Links naast mij

“Open je ogen, kijk om je heen,
ze stromen in drommen naar je toe;
je zonen komen van ver,
je dochters worden op de heup gedragen.”
Jesaja 60,4

Links naast mij zie je
met een strak gezicht Grace
in de groene capuchon vanwege
kletsende regen, op haar heup
in de brace die opperbeste Joyce
met de grappig gele zuidwester
op dat laconieke koppie, zusje
van de voor de Libyan coast
verdronken Mercy en dan
heb je nog de zieke Justin
die met de jongste Miracle
bij cripple daddy Hero
in het dorp gebleven is.

Ik ben de blazer rechts
onder de paraplu in de tuin
van dochter Trudy in de buurt
van de opvangflat en kijk goed, zie je
onze Ruurd om de schutting kijken?
My goodness! Op deze buddydag,
vroeg Grace gezinshereniging
om de moed erin te houden
in the village.

Imagine Justin hier
in behandeling en stel je voor
dat Hero op Schiphol
de gate door komt
aan de hand van Miracle.
God, have mercy.

Ik trek mijn vingers

Ik trek mijn blanke vingers
over de bruin beurse neusbrug,
naar het blauwe voorhoofd streel ik,
langs de wenkbrauwwonden.
Wijs- en middelvinger ronden
de geschonden mond, sluiten
gescheurde lippen toe
en dalen naar de kin,
ruw en geschaafd,
ringvinger hapert
als hij langszij komt
en even lussen rolt
over rauw roodgeslagen wang
om bij de hechting pink te halen,
richting de ontbrekende haarlijn
en zo vinden wij, duim incluis,
in smetteloos verband
ons leven.

Wat naar nu

Wat naar nu, dagpauwoog,
dat wij zo van je schrikken,
in onze kamer.

Wie zoekt jouw dagpauwoog?
In deze kamer kijken wíj
je zomaar weg.

Wij bidden tot de dagpauwheer,
om weer en wind, de stilte
breng jíj binnen.

Houd jij dan, dagpauwoog,
de winter lang bij ons de wacht,
in deze kamer?

Beloof ons, goede dagpauwgeest,
dat je ons meeneemt in de lente,
onze kamer uit.

Als hij een krukje

Maarten van Aes, 21 jaar (12 augustus 2020)

Als hij een krukje op een pleintje plaatst,
in schets een tekening begint, dan ben ik trots
dat hij mijn vader is en ik zijn kind.

Gekeken heeft hij, goed en lang, hij ging
aandachtig om de goten en de glazen, dak
en gloed en dan de ommegang waarop je samen

loopt in eeuwigheid en tijd. Hij worstelt
met de schaduw van de toren. Het licht is één,
het donker twee en hard en onbehoorlijk zwart.

Ik loop hem na met taal en ken zijn hart,
wat hoop betekent, hemel en zijn vrienden,
het gesprek – en ook zijn angst.

Ik ben getekend door die man,
verwekt tot wie ik ben houd ik van hem,
zijn kruk, zijn ogen en zijn pen.

In de Zwaardvechterstraat

In de Zwaardvechterstraat staan flats
die hij niet in de vingers krijgt.

Houdt hij zijn potlood schuin en recht,
plat op de stoep, hoe hij ook schetst –

het beste lukt het op wat afstand,
in het gras, nog groen, net naast de weg.

De weringen gaan neer – het is heet
daar, in de middag – op die ene na,

de vrouw, iets ouder wel dan hij.
Zij neemt zijn volle zon voor lief

en buigt zich zomaar in de aanval,
op haar balkon en kijkt hem aan.

‘Ik pak alleen het front, mevrouw,
de bloemetjes die buiten staan.

Straks, als u naar binnen gaat,
verdwijnt u naar de achtergrond

in het hard gearceerde gedeelte.
Kom maar kijken, hier beneden.’