Met fijne haakjes

Met fijne haakjes daalt hij
door de bladeren naar leegte,
groene schubben grijpen in de ruwe bast
als hij langs takken tast,
twijg na twijg spiraalt hij
tussen rijpe vruchten door
de omheinde tuin in.

De zwarte tong vangt zwaar aroma
op een halve lichaamslengte
van haar oor –
in volle zon.

En zij ligt languit op de bank,
wrijft loom olie op haar schenen,
opgetrokken, haar kuiten hoog geheven
en dan de binnenkant van dijen.
Gladde vingers in haar liezen
als boven in de bomen wind
wegvalt.

Zij huivert bij de schouders.

De eerste vlok landt

De eerste vlok landt naast het linkerbeen.
Met vol gewicht staat hij, de ruin,
hij kent z’n plaats in het berijpte januarigras
met net de jonge zon eroverheen.
Rijp op de zwarte takken ook,
daarnaast kaatst waterlicht
en in het zicht komen kristallen.
Zij vallen op de volle vacht
en door de jaren weet hij ervan:
verdwijnen zullen deze eersten –
hij warm en zij met weinig.
Hij heeft de ogen half gesloten,
hoef half geheven,
het hoofd omhoog,
nog even

en de vlokken aarzelen niet meer.
De morgen grijst en naast hem
kijkt de jaarling de dichtbij zijnde verte in.
Hij spant de jonge spieren.
De oren gaan naar voren, strak,
en achterwaarts en weer naar voren,
de sneeuw is nieuw en koud
en, hoor, hij snuift
als vlok na vlok zijn neus bereikt.
Schouder aan schouder verstijvend.
Wolk na wolk,
weten en niet weten houden stand.

De bui zet door en wordt aanwezigheid.
De tijd komt liggen in de manen,
bedekt de brede en de smalle rug,
de jaarling haalt de oren nog één keer scherp terug –
buigt dan met ruin het hoofd de stilte in,
afgestemd op wat gewoon wordt.

Het gras verliest z’n diepte,
de sporen zijn vervaagd voordat ze zijn gezet,
de randen breken af,
het zwijgen vult de ruimte
en nu de sneeuw geen aanval blijkt,
ademt de jaarling rustig,
breed zoals de ruin al deed.
Staande naast de staande.

Mijn schouders zitten onder sneeuw
terwijl ik naar dit zwijgen staar.
Ik draai voorzichtig om,
stap in het witte vlak.

KRAK!

U bent toch ook

U bent toch ook gestorven voor de rotsen
miljoenen jaren staan zij scherp gekant
tegen de oervloed die alles overspoelde
vóór het eerste woord

U weet hoe zij geschonden werden
toen gletsjers door Uw landschap kerfden
opgezweept door slagregens
nog is het vloed na vloed

Als langs de kust Uw tent wordt opgezet
komen vogels kijken hoe mensen U herkennen
en niemand zich aan steen zal stoten

Aquarel van Jan Jaap Wietsma

Waar het perspectief verdwijnt

Waar het perspectief verdwijnt,
daar staat de eeuwenoude kerk, vlak ernaast,
en bomen langs het water buigen
voor een wind die ongenadig blaast.

Die bomen weten wat bevriezen is
van waterstromen, en kleur verliezen.
Zij oefenen geduld.

Zo niet de winterlucht.
Zij bloost en trekt ons langs de sloot
het jaagpad op, langs prikkeldraad
naar het verdwijnpunt en de kerk,
vlak ernaast.