Twee geiten, zuster, vijf kamelen en met Gods hulp
een lieve man en onze zoon, voorzichtig, voorzichtig!,
hij was de eer van onze vaders, net als de put, het land,
maar in de grote droogte stierf de eerste geit
en snel daarna de tweede, minder en minder
melk van de kamelen en hij, mijn eerstgeboren enige,
kijk uit!, kreeg dorst maar het klonk onverbiddelijk: gáán
of betalen – en toen we de kamelen hadden verkocht,
moesten we alsnog. Genade, genade!, smeekte mijn man.
U hebt mijn ziel in handen, zuster, zijn naam is: God helpt,
en als ik vragen mag: waarom meet u zijn bovenarm,
en wat, in Gods naam, betekent op het meetlint
rood?