Met fijne haakjes daalt hij door de bladeren naar leegte, groene schubben grijpen in de ruwe bast als hij langs takken tast, twijg na twijg spiraalt hij tussen rijpe vruchten door de omheinde tuin in.
De zwarte tong vangt zwaar aroma op een halve lichaamslengte van haar oor – in volle zon.
En zij ligt languit op de bank, wrijft loom olie op haar schenen, opgetrokken, haar kuiten hoog geheven en dan de binnenkant van dijen. Gladde vingers in haar liezen als boven in de bomen wind wegvalt.
De eerste vlok landt naast het linkerbeen. Met vol gewicht staat hij, de ruin, hij kent z’n plaats in het berijpte januarigras met net de jonge zon eroverheen. Rijp op de zwarte takken ook, daarnaast kaatst waterlicht en in het zicht komen kristallen. Zij vallen op de volle vacht en door de jaren weet hij ervan: verdwijnen zullen deze eersten – hij warm en zij met weinig. Hij heeft de ogen half gesloten, hoef half geheven, het hoofd omhoog, nog even
en de vlokken aarzelen niet meer. De morgen grijst en naast hem kijkt de jaarling de dichtbij zijnde verte in. Hij spant de jonge spieren. De oren gaan naar voren, strak, en achterwaarts en weer naar voren, de sneeuw is nieuw en koud en, hoor, hij snuift als vlok na vlok zijn neus bereikt. Schouder aan schouder verstijvend. Wolk na wolk, weten en niet weten houden stand.
De bui zet door en wordt aanwezigheid. De tijd komt liggen in de manen, bedekt de brede en de smalle rug, de jaarling haalt de oren nog één keer scherp terug – buigt dan met ruin het hoofd de stilte in, afgestemd op wat gewoon wordt.
Het gras verliest z’n diepte, de sporen zijn vervaagd voordat ze zijn gezet, de randen breken af, het zwijgen vult de ruimte en nu de sneeuw geen aanval blijkt, ademt de jaarling rustig, breed zoals de ruin al deed. Staande naast de staande.
Mijn schouders zitten onder sneeuw terwijl ik naar dit zwijgen staar. Ik draai voorzichtig om, stap in het witte vlak.