Durven ze al

Durven ze al, onooglijke druifjes
in de gevorderde lente
tussen de grote groene handen
tegen de vermoeide schuttingplanken
die zwiepen als een wrede God
het ongenadig stormen laat,
omkiepen was het bijna, laatst.
De platen tussen stutten schutten onze planten,
om de vrede en de brede groene zegen
om die druifjes van niks
die hun tere strakke huidjes durven tonen straks,
in de zomer vol gespannen gist en goesting,
lust en zoete sappigheden op de tong
als de buurman en ik nuchter beslissen
dat de bladderende schutting
toch echt toe is aan verdwijning.
Een nieuwe scheiding van beton
omdat we de stormen Gods
niet onderschatten durven,
in de herfst.

Caroline van Vulpen maakte deze foto, mei 2026.

Opa van moeders kant

Opa van moeders kant, ik heb hem nooit gezien.
Hij werkte in de tuin, voor koeien van de baas
maar ik heb nooit begrepen wat hij dan deed.
Hij stookte warmteketels bovendien,
voor druivenkassen. Ik wist het niet.
Was hij daarop gekleed?

Op zaterdag nam hij zijn zoon mee
naar het dorp, de oudste.
Hij kocht tabak bij Rein, je weet wel, van Stavast.
Waar die precies zijn nering had, echt geen idee.
Maar één ding weet ik zeker:
van de mannenvereniging was opa lid,
hij leefde in de vreze Gods.
De God die ik aanbid.

De huisarts heeft gefaald.
Stelde verkeerde diagnose en Arie Simon stierf,
kort voor de bommen Rotterdam vernielden.
Moe heeft het wel gehaald, zei ma,
met hulp van God en die van Janus Rijk
die bollen bracht (zonder de bonnen)
en dan de kolen nog,
van Arie Vindingrijk.

Zij waren mens, voor de oorlog
en mens in de oorlog.
Zij streden onze strijd
en hebben het geloof behouden.
Zij vreesden God de HERE en ik vrees
– zei ik laatst tegen kinderen –
dat er weer oorlog komt,
wij weer mensen moeten zijn.

4 en 5 mei 2026

Arie Simon van den Enden 21 september 1901 – 2 februari 1939

Strálen doet ze

Ze staat te strálen, deze berk,
de witte schors breekt dapper
door de jeugdhuid heen
en niemand die het haar verwijt
dat zij haar frisse takken
gretig naar de zon toesteekt,
om licht te pakken,
ademhalen wil ze, groeien
tot haar volle vorm en ware maat.
De jonge bosvrouw stáát,
en boort
in tomeloze stilte
haar wortels ver de kale grond in,
op zoek naar mineralen

achtergelaten mineralen,
de bosbrand liet de trotse eiken koken,
de forse beuken rookten,
hitte vrat wat leven had,
verkoolde hout en tor en kever,
stof tot stof en as tot as

as spoelde onze aarde in
met de eerste zware bui
en het werd avond en weer ochtend,
avond en weer morgen,
wie weet wanneer het was, je zei:
is dat nou mos? Of is het gras?
Het duurde eigenlijk maar even –
daar kwam die eerste berk tot leven,
die nu na zeven jaar vasthoudend streven
als jonge vrouw met takken vol in vorm,
naar hartenlust haar schaduw aan komt bieden
aan wat de aarde vrolijk voortbrengt:
eiken, beuken,
forse, trotse lieden.

Ik las dit gedicht voor bij het Open Podium van de Zwolse Dichterstafel, 17 april 2026
Als titel van dit gedicht noemde ik: De berk.

Het Kettinkje

Gewichtloos bijna hangt het
vrij vanuit het grote oog
als was het geen materie
en vangt het fijne puntjes licht
als van de vijfde dag
toen God zag dat het goed was.

Het is alsof de putter stokt,
één tel ontzield,
nu schakels ijzer naar zijn pootje grijpen.

Wij houden hem geweldig vast,
dit topwerk Gods,
dat Hij met alle liefde
niet voor zichzelf hield.

Met fijne haakjes

Met fijne haakjes daalt hij
door de bladeren naar leegte,
groene schubben grijpen in de ruwe bast
als hij langs takken tast,
twijg na twijg spiraalt hij
tussen rijpe vruchten door
de omheinde tuin in.

De zwarte tong vangt zwaar aroma
op een halve lichaamslengte
van haar oor –
in volle zon.

En zij ligt languit op de bank,
wrijft loom olie op haar schenen,
opgetrokken, haar kuiten hoog geheven
en dan de binnenkant van dijen.
Gladde vingers in haar liezen
als boven in de bomen
de wind
wegvalt.

Zij huivert bij de schouders.