Categoriearchief: Gedichten

Het heeft geregend

Het heeft geregend op jouw naam.
De lichte zwelling zand met kippenvel
rilt aangedaan nu ik het platgetreden
rouwpad volg en bij je letters neerkniel.

Wat moet ik? Wie had jij nu geweest,
mijn zoon, als alles anders was gelopen
toen jouw hart stokte bij het toeval?

Het had dan zomaar zonnig kunnen zijn
en jij had hier gestaan onder de bomen
met God als je geliefde en ongeschokt
omdat het goed is bij mijn letters – zonder

de bui die ik nu langzaam aan zie komen.

I.M.

(8 mei 2021)

Hij zat er klaar voor en hij draaide
gelukkig naar mijn vraag en terwijl hij ferm
het rechterbeen over het linker sloeg,
zijn vaderhanden daarop vouwde,
reisden de ogen naar de hoge

en teruggekeerd begon het peinzen,
schuiven, knikken, schudden, fronzen,
ik zag zijn hart in beide ogen bonzen,
beklopte de gedachte dat geluk
te maken heeft met opgeheven vingers
of een staande wenkbrauw en stond daar
zo te loeren dat ik de glimlach
van mijn moeder miste.

Wenkbrauw gestreken,
zonder een vinger te verroeren,
het antwoord.

Pa stopte,
wist het
en wij lachten.

God, het lijkt

God, het lijkt een eeuw geleden
dat ik wakker werd en dacht: sneeuw,
het heeft gesneeuwd op al mijn zonden.
Nog voor ik woorden heb gevonden,
klinkt alles anders door de smeltlaag
op mijn pad. Het is al lang geen vraag
meer tussen ons, we plannen het klimaat,
verandering en de gestage groei van afval
dat ik produceer. Het blad valt
van de luxe boom nog voor de bloei
en niemand klaagt en hup, U doet
een wonder: de vuilbak blinkt gezond
en hemels wit. Als Adam slaapt,
zet U de liefde in de wacht
met in de morgen plat te walsen
ijskristallen.

U zwijgt mij op en buigt mij tot gebed.
Vergeef me, Heer, maar wie zal straks
de sneeuw gaan schuiven?
Een ongeluk is zo gebeurd.

Het was windstil

Het was windstil tussen de kerkhofbomen.
Wij wandelden hardop over de ondergrondse
Geest, de Intieme en het onzegbare van alles.
Het bos deed z’n stinkende best: kapotte takken,
droogstaande beekjes en flink rottende schimmels.
Een laatste vogel sloeg alarm toen twee bossen
najaarsbloemen ons haastig passeerden
op weg naar een graf. Hoor, woorden
over scheiding en omgangsregeling

en tussen harde klanken rook ik een van hen
in sluwe snuifjes luwte: zoete doeken
na dampende douche en daar begon jij
op het rauwe zandpad over de wind
die waait waarheen hij wil, je weet niet
waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat,
zou dat wat zijn? Je vroeg hoever ik was
met mijn gedachten voor de zondag, precies
op het moment dat ik weer struikelde

over zo’n bovengrondse wortel.

In het jaar

Voor Irene, 50 jaar in december 2020

In het jaar dat jij zeven wordt
zet de Schilder een kommetje
voorzichtig op een bord.

De eierschaal vangt raamlicht op
van rechts. Blauwgroen valt schaduw
links, flauwvaal, en nu ik erop let

ook aan de rechter binnenwand,
rijzend aan de overzijde. Ik geef
het je te doen. Roodroze donker

is de broze buitenkant en dan de linker
binnenwand met raam – gespiegeld
blinkt de dagenraad, vier vlakken

ongebarsten om een welvend kruis.
Hoe krijg je dat te pakken?