Durven ze al, onooglijke druifjes
in de gevorderde lente
tussen de grote groene handen
tegen de vermoeide schuttingplanken
die zwiepen als een wrede God
het ongenadig stormen laat,
omkiepen was het bijna, laatst.
De platen tussen stutten schutten onze planten,
om de vrede en de brede groene zegen
om die druifjes van niks
die hun tere strakke huidjes durven tonen straks,
in de zomer vol gespannen gist en goesting,
lust en zoete sappigheden op de tong
als de buurman en ik nuchter beslissen
dat de bladderende schutting
toch echt toe is aan verdwijning.
Een nieuwe scheiding van beton
omdat we de stormen Gods
niet onderschatten durven,
in de herfst.



