Onaanraakbaar

En als

Als je een land kon kiezen
om bij te horen –
wie weet was er een aan
je ontrukt
dat ze je ooit aanboden
als een legende
in een mand bedekt met een kleed –

en als de zon een eenvoudige fakkel was,
de straten zich herhaalden
in de straten, en je buiten adem
raakte op weg
met de Yadavs, die vee hoeden,
dan kon je rusten en in de koelte van de heuvels
alles in je opnemen,

maar toch zou je nog een gezicht kunnen afpellen
om een ander terug te vinden,
en nog een, tot aan het gezicht dat
ondraaglijk is, zo helder,
zo ingewikkeld, dat zinspeelt op volkeren,
kastes en onderkastes
en dat je eenmaal beroeren zou –

en als dit Oosterse pad een
winderige Engelse landweg was
waar regen spiegels maakt
in de kuilen,
waar een rat levenloos ligt, doorweekt
als een oud vloerkleed,
dan zou je onaanraakbaar zijn – als iemand
bestempeld door iemand anders –
eentje die de toiletten schoonmaakt,
de doden verbrandt.

De als-dan-constructie kun je gebruiken om een voorwaarde aan te geven: een bijzin met het onderschikkende voegwoord als gevolgd door een hoofdzin met dan. Als het zomer is, dan ga ik op vakantie. In de hoofdzin kun je dit dan ook weglaten.

De als-dan-constructie komt ook voor bij fictieve situaties. Ik las dit heldere voorbeeld: Als ik de loterij won, (dan) zou ik een wereldreis maken. Het gedicht van Moniza Alvi opent met een als in strofe 1, gevolgd door een dan (then) aan het einde van strofe 2. Dan herneemt strofe 3 de huppel van het gedicht, maar nu met een minder aangename sfeer, om in strofe 4 opnieuw een dan (then) tegen te komen. Bij de vierde regel voor het einde: dan zou je onaanraakbaar zijn. Onaanraakbaar als stempel, dan heb je weinig reden tot blijdschap. Je moet het meest vieze werk doen en het zijn de anderen die dat van je verwachten. In de Indiase samenleving is de kastestructuur dwingend. Veel keuze heb je niet. Verzet wordt gebroken.

De eerste strofe roept de fictieve situatie op dat je een land kan kiezen om bij te horen. Dat is in het gewone leven meestal niet het geval. Je bent burger van het land waar je woont en meestal blijf je dat tot aan je dood. Vakantiereisjes en zakentrips daargelaten, je hoort bij je geboorteland. Maar er zijn vluchtelingen en (arbeids)migranten. Zij verhuizen en worden deel van het land van aankomst. Beter: zij en hun kinderen worden twee-landig en bicultureel. Ze blijven het land van herkomst herinneren en koesteren terwijl zij meer of minder inburgeren in het land van aankomst. Moniza Alvi zegt: stel je nu eens voor dat je een land kon kiezen. Zij doet direct aansluitend een suggestie: misschien heb je wel een land dat van je afgenomen is: ontrukt. En dat land was legendarisch en had een soort geheim dat je onthuld zou kunnen worden: als in de mand met kleed bedenkt.

Moniza Alvi werd in 1954 geboren in Lahore, Pakistan. Als baby ging zij met de famlie mee naar Engeland. Daar ontwikkelde zij zich tot prijswinnende dichteres. In 1996 verscheen haar bundel A Bowl of Warm Air en dit gedicht ‘En als’ (Engels: And If) komt daaruit. De band met haar geboorteland is een belangrijk thema voor Moniza Alvi. “Door haar doorsnee Engelse jeugd in Hertfordshire ontwaakte het gevoel in zekere zin te verschillen en niet helemaal thuis te zijn in Engeland, pas op latere leeftijd,” schrijft Kees Klok, haar vertaler, in het nawoord van de verzamelbundel Het land aan mijn schouder. (130) In 1993 bezocht zij voor het eerst sinds haar babytijd Pakistan.

Waar de eerste strofe iets boeiends verbeeldt gaat de twee strofe je meenemen in een pastorale setting. Rusten, de koelte van de oosterse wereld waar je in gezelschap komt met de veehoeders. Hier komt het aan op enige kennis van de gelaagde wereld van het Indiase subcontinent (inclusief Pakistan). De Yadavs gelden als deel van de kasten van de boeren en handelaars (vaisya’s), en al heel lang de veehoeders. Maar hun verlangen en actie was gericht op te stijgen op de erkennings- en waarderingsladder. “Yadav-leiders en intellectuelen hebben zich vaak geconcentreerd op hun beweerde afstamming van Yadu en van Krishna,” lees ik op Wikipedia, “die volgens hen de kshatriya-status aan hen verleent, en er is moeite geïnvesteerd in het herschrijven van het groepsverhaal om kshatriya-achtige moed te benadrukken.”

In strofe 3 wordt ons duidelijk gemaakt dat er achter de buitenkant een minder plezante realiteit schuilgaat. En dat moet je weten als je dat land kiest. Eenmaal kom je daarop uit: and you would touch it once. De Nederlandse vertaling kiest voor ‘beroeren’ en verliest dan de correspondentie met untouchable in de laatste strofe: dan zou je ‘onaanraakbaar’ zijn.
Dat is het punt. Mag je aangeraakt worden? Wil je aangeraakt worden? Is onaanraakbaar zijn hier nu een lot of een wens?
In het laatste deel van dit gedicht ben je de geboren Pakistaan(se) die denkt aan het Engelse regenachtige weer. De kuilen zijn niet gewoon Pakistaanse kuilen die omzeild moeten worden met kar of auto. De Engelse regen vult die met water en spiegelen. Welk gezicht is daarin te zien? Zelfs de onaanraakbare en onverwoestbare ratten overleven het daar niet. Is dat beter dan onaanraakbaar zijn in Pakistan of India? Als je wordt afgepeld in de weidewereld, dan kan je eindigen op de laatste trede van de maatschappij. De untouchables maken de wc’s schoon en verbranden de lijken. Wil je daar terecht komen bij het kiezen van een land? Of dan toch maar het regenachtige Albion?


Naar aanleiding van: Moniza Alvi, ‘En als’ In: Het land aan mijn schouder. Sliedrecht: Wagner & Van Santen, 2003, 48-51. Gedichten vertaald door Kees Klok. Oorspronkelijke titels van de bundels: The Country at my Shoulder, a Bowl of Warm Air, Carrying my Wife en Souls. Het gedicht ‘And If’ komt uit de bundel A Bowl of Warm Air.

Sundance de geweldige

Als je een populaire pocket uit de jaren zeventig van de vorige eeuw leest, moet niet opkijken van ekskuus, eksperts en refleksen. Dat was de mode. Als het boekje uit het Engels vertaald is en je komt de uitdrukking ‘bemerking’ tegen, dan groeit het vermoeden dat we een vertaler hebben die Vlaamse invloed wel kan waarderen. (158) Maar een ‘zoetelaar’ als aanduiding van een verkoper van onder andere wapens, dat is een opmerkelijk feit. (33) Hans van Assumburg (Breda 1929 – Amsterdam 1975) vertaalde de westernverhalen van John Benteen: Sundance de geweldige. En je komt dit allemaal tegen.

Jim Sundance is een halfbloed: een Engelse vader Nicolas Sundance en een Cheyenne moeder: Glimlachende Vrouw. (47) Wanneer we hem in dit eerste deel ontmoeten, is hij een man die door de hele Verenigde Staten heeft gezworven en gevochten. Hij beweegt zich tussen de blanken en de native Americans. Hij heeft de huidskleur en gelaatstrekken van een Cheyenne-indiaan, maar zijn haar is helder goudblond, een geschenk van zijn vader. We worden nadrukkelijk ingelicht over zijn arsenaal. Sundance heeft een Navy Colt en een Henry-repeteergeweer bij zich. Een Bowie-mes met een lemmet van veertien inch en een handbeschermer voor mesgevechten. Bovendien heeft hij een tomahawk met stalen bladen bij zich, evenals een oorlogsschild van een Cheyenne-hondensoldaat en een boog, samen met een pijlenkoker van pijlen met vuurstenen punten. Zijn geliefd paard, een appelschimmel, heet Eagle.

We bevinden ons in het Wilde Westen, tweede helft 19e eeuw, bij de staat New Mexico in de buurt. De treinroute zal ook dat gebied bereiken. Het regeringsleger is er al aangekomen. “Soldaten konden het kleine gebied rond het fort beheersen, maar eenmaal daar voorbij, waren zij vreemdelingen, waardelozen in de machtige oceaan van gras, de enorme eenzaamheid van Llana Estacado , de verblindende met rotsblokken bezaaide zandige hellegronden van de woestijnen. En daar waren de Cheyennes, de Comanches, de Kiowa’s, de Arapaho’s, de Sioux, de Apachen en talloze andere stammen, die nog altijd over duizenden mijlen regeerden. Het enige waar de blanke tot nu in geslaagd was, was iets van hun gebied af te knabbelen, hier en daar een weg aan te leggen of een fort neer te zetten.” (31)

Het is duidelijk: de verschillende Indianenstammen moeten de strijd aangaan om levensruimte te behouden. Maar zal dat lukken? Sundance stort zich in een avontuur: een jonge vrouw Barbara terugbrengen bij haar vader, de steenrijke George Colfax. Dat verhaal ontvouwt zich op de klassieke wijze. De held is sterk en slim, krijgt toch ernstige tegenslagen, weet zich met zijn unieke talenten eruit te vechten, windt nog wat vrouwen om zijn vinger en weet zo, volhardend, zijn doel te bereiken. Het is aardig om te lezen, al doorstaat Sundance de vergelijking met Conny Coll of Joe Silent niet. Maar de schrijver heeft er nog wel een nobel ideaal ingebracht. Het geld dat Sundance voor de opdracht zal ontvangen (10.000 dollar) heeft hij nodig om de Indianen te helpen. Dat wil hij en hij heeft het door: uiteindelijk wordt het lot van de natives niet bepaald op de prairie maar in Washington. “Wat er met hen gebeurt, wat er met alle Indianen gebeurt, hangt af van wat er in Washington gebeurt, in het Congres en in het Witte Huis.” (99) In dit eerste deel komen we zover niet.

Wat me verder bij zal blijven is de reactie van Sundance als Irene Colfax haar afschuw uitspreekt over de Zonnedans-ceremonie van de Cheyenne: “Brr… gruwelijk…  wat heidens!” “Mmmm,” reageert Sundance, “Geen Indiaan heeft ooit een godsdienst opgebouwd rond iemand, die gekruisigd werd, Mrs.Colfax, wat is er van uw dienst?” (52) Check.


Naar aanleiding van: John Benteen, De wraak van de Cheyenne (Sundance, de Geweldige 1). Rotterdam: Ridderhof, 1974. Uit het Engels vertaald door Hans van Assumburg, oorspronkelijke titel: Overkill, uitgegeven bij Singer Features, Inc, Buena Park, Cal., U.S.A. John Benteen schreef de eerste zestien boeken in de serie. Anderen namen het daarna over. John Benteen was de pseudoniem van Benjamin Leopold Haas, 1926 – 1977, klik hier.

Hans van Assumburg (Breda, 2 november 1921 – Amsterdam, 21 december 1975), pseudoniem van Cornelis Johannes Maria Fens, was een Nederlands schrijver en journalist. Klik hier voor zijn pagina op Wikipedia.

Terug naar het verleden

Sinds ik me overgegeven heb aan hypnotherapie (met veel heil als resultaat), weet ik een en ander over de kracht van de verbeelding. Het onderbewuste heeft allerlei beelden opgeslagen. Die zijn in ontspannen toestand te bereiken en te activeren. Dan kun je met beelden werken aan je innerlijke huishouden. Zelfs zo dat het gedrag in het heden gaat beïnvloeden. Door de jaren heen heb ik wat geleerd over ‘mind over matter’. In de oosterse filosofie en meditatiepraktijk is daar veel over geschreven. Maar nu ik het ondervonden heb is het me nog duidelijker geworden. Mentale verbeelding is een bijzonder geschenk aan de mensheid.

Zo is dit een boeiende denkexercitie: naar het verleden gaan om een situatie over te doen. De Japanse schrijver Toshikazu Kawaguchi neemt ons in de roman Voordat de koffie koud wordt (uit 2015) mee in dat experiment. Er is een klein koffiezaakje, Funiculi Funicolà, waar, volgens de stadslegende, de klanten terug kunnen naar het verleden. Er zitten een aantal voorwaarden aan vast, zoals de stoel waar je op moet zitten, de deur van het bezoek (voordat de koffie koud wordt moet je terug zijn) en de persoon die je wilt ontmoeten moet ook in de zaak geweest zijn.

Fumiko Kiyokawa wil naar het verleden terug. Niet heel ver, een week. Toen hoorde zij van haar vriend Goro Katada dat hij plots voor zijn werk naar Amerika moest. Dat gesprek werd het afscheidsgesprek van de geliefden. Terwijl Fumiko had gedacht dat het een gesprek over trouwen zou zijn. Een week later krijgt Fumiko de kans naar het verleden terug te gaan. Fumiko wil tegen Goro zeggen dat haar trots haar toen in de weg zat. Zij zei niet dat hij moest blijven. Daarom zou zij het over willen doen. Maar de boodschap is van de eigenaar van de koffiezaak is: je kunt de werkelijkheid niet veranderen, hoezeer je je ook inspant. Je kunt wel je gevoelens overbrengen maar de werkelijkheid verandert niet.

Fumiko wil het toch doen, alleen al om het fenomeen van het terugkeren mee te maken. “Zodra de stoom uit het met koffie gevulde kopje opstijgt, begint samen met het kringelen van de stoom ook de omgeving van de tafel waaraan Fumiko zit kringelend te vervormen. Fumiko wordt bang en sluit haar ogen, maar het gevoel dat ze zelf net als de stoom kringelend vervormd wordt almaar sterker. … En dan verdwijnt plots het gevoel alsof haar ziel als stoom kringelt en komt het gevoel in haar ledematen vaag terug. Fumiko betast haastig haar gezicht en lichaam, vergewist zich ervan dat ze er echt is.” (57 en 61, zie ook 109 en 126, 175 en 194, 229).

“Ga maar hoor…,” zegt Fumiko dan, als zij een week eerder met Goro aan de koffie zit: “Ach, het is al goed… Wat ik ook zeg, het feit dat je naar Amerika vertrekt zal toch niet veranderen, dus…” (65) Mooi, trots dus overwonnen. Maar in het korte gesprek met Goro hoort zij op de valreep ook nog iets nieuws. Goro zegt: “Voordat ik jou ontmoette, knoopten vrouwen nooit een gesprek met me aan omdat ze het akelig vonden. … Ook nadat wij een relatie kregen … zou je ooit een andere, een aantrekkelijke man leuk zijn gaan vinden.” (66) Ach, dat zat er dus ook achter het vertrek.
Fumiko is al in de stoom terug naar het heden als ze dit verneemt. En inderdaad, Goro is vertrokken. Ze keert terug en vraagt aan Kazu: “En de dingen vanaf nu?” Kazu antwoordt: “De toekomst heeft zich nog niet doorgedaan, dus dat is aan u, mevrouw.” (68)

De roman is een bundel van vier situaties van mensen die issues uit het verleden onder ogen zien en er wat mee doen. De laatste gaat over de toekomst weliswaar (je kunt ook even naar de toekomst) maar dat is omdat er in het verleden iets speelde. De personages uit de koffiezaak komen in elk hoofdstuk terug en zo is het echt een eenheid, dit boek. Mooi geschreven levert het brandstof aan de eigen verbeelding: waar zou ik naar terug willen? De bijpassende vraag is natuurlijk: waarom zou je het willen als je de dingen die gebeurt zijn niet kan veranderen? Het voor de hand liggen antwoord is: je kunt je beleving ervan wel veranderen. Want dat is de actuele en toekomstgerichte kracht van de verbeelding. Het ene kleine minpuntje aan het boek is dat de schrijver dat aan het slot wel erg expliciet maakt. “Mensen kunnen puur met hun hart moeilijkheden in de werkelijkheid, hoe pijnlijk ook, te boven komen. Dus ook al verandert de werkelijkheid niet, zolang de harten van de mensen veranderen, heeft deze stoel ook beslist een belangrijk nut.” (255)


Naar aanleiding van: Toshikazu Kawaguchi, Voordat de koffie koud wordt.11 Amsterdam: Meulenhof, 2023. Vertaald uit het Japans door Maarten Liebregts, oorspronkelijke titel: Kōhii ga samenai uchi ni, voor het eerst gepubliceerd in 2015.

Dromende eend

Onrustige nacht

Een eend droomt van een buizerd en schrikt wakker,
hij schuifelt, roert zijn staart, zijn onrust staakt,
hij slaakt drie kwaken en valt weer in slaap,
de donzen stilte is nu stukgemaakt.
Een zwarte wind in warre lucht ontwaakt,
verstoort de dierendromen waar hij gaat
langs ademende stallen, stapt en draaft
zoals de veulens, maar die slapen braaf.
Wat stil was fluistert nu, en langzaamaan
daalt dan de maan en laat de vlier zijn slaap
in dichte witte deuren rond hem dwalen.

Gedateerd 12 september 1943

Een eend droomt van een buizerd. Dat is schrikken, het prooidier weet hoe snel en dodelijk de jager is. De droom is voor het moment van dromen werkelijkheid. Dus schrik je. En als je wakker bent geworden, moet je even kalmeren. Voordat de slaap weer gevonden wordt: even bewegen, je grenzen verkennen, even geluid maken. Maar hoe je het ook wendt of keert, de slaap van na de nachtmerrie is toch niet de ware. En de stilte die heerste, in je geest of daarbuiten, is verstoord: stukgemaakt. Donzen stilte was het, heerlijke combinatie. Synesthesie, het combineren van twee verschillende zintuigelijke waarnemingen. Veren die je tasten kan en stilte in het gehoor (met dank aan een goede vriend).

Wat een heerlijk begin van een sfeergedicht.
Want behalve de eend is er nog iets ontwaakt: ‘een zwarte wind’, weer zo’n combinatie. Het duister van de nacht wordt aan het waaien toegevoegd. De onrust hangt nu in de lucht, warre lucht. Wat in de geest begon (een droom) is nu tastbaar, voelbaar geworden in de omgeving. En die wind heeft weer tot effect dat andere dieren onrustig worden. Want de wind gaat waar hij wil.
Zo komt hij bij de paarden. Ademende stallen, goed beeld. Je voelt direct aan dat het hier gaat over de paarden op stal, en let op, de veulens erbij. De wind ‘stapt en draaft’ zoals veulens. De onrust gaat voort, en in verhoogd tempo. Maar de veulens zelf, ach die laten de onrust aan zich voorbij gaan, braaf slapend.
De taal laat ons steeds de grenzen tussen onze indelingen overschrijden. De delen vloeien in elkaar over, de wereld is minder scherp, we worden meegenomen, we slingeren met de zinnen mee en verlaten de dierenwereld. We passeren weer die stukgemaakte stilte.
De stilte is overgegaan in fluistering. En dat duurt even. Het gaat langzaam, maar de tijd verstrijkt. We zien het aan de maan. Het licht van de nacht. Die daalt. Waar naartoe? Verzin het maar: onder de horizon? Waar de zon zal opgaan? Wie weet. Maar het gedicht wil ons dat niet vertellen nu. We worden geacht nu mee te kijken naar de vlier. Deze struik laat z’n slaap rond hem, de maan, dwalen. Nu moet de verbeelding aan de slag. Wat kan dat zijn? Hint: ‘in dichte witte deuren’. Ik denk dat er mist ontstaat. Dichte mist waarin je weinig ziet en slechts gedempt geluid kan horen. Daar waar onze indelingen verborgen zijn. En de vlier ‘produceert’ dat?

We eindigen dwalend in de nachtelijke mist.
De werkelijkheid rolt door de tijd, elk leven bevindt zich in de nacht.
Er hoeft maar een droom te ontstaan of er trilt onrust door het duister. Want er zijn veel soorten dromende levende wezens en – zo noteert de dichter fijntjes – sommige zijn bang voor andere.

En dan zie ik de datering: 1943. Tweede Wereldoorlog. De dichter, de Hongaarse Jood Miklós Radnóti (geboren in 1909) wordt in september 1940 opgeroepen voor arbeidsdienst. In juli 1942 voor de tweede keer. Ergens begin november 1944 is hij hoogstwaarschijnlijk gefusilleerd.
De schrik van deze ‘dromende eend’.


Naar aanleiding van: Miklós Radnóti, ‘Onrustige nacht’ In: Nachthemel, waak. Amsterdam: Van Oorschot, 2023, 88. Vertaald door Arjaan van Nimwegen en Orlosya Réthelyi. Ik vind ‘warre’ een mooi woord, omdat ik het niet in mijn vocabulaire heb. Ik vermoed dat het iets met ‘warrig te maken heeft’ en volgens Van Dale klopt dat: in de war brengen, maken, sturen, raken, zijn, zitten verward, in wanorde. Sfeerwoord in het gedicht.

Talk to me, Goose

Het is 12 januari 2024 en ik lees op nu.nl: Tom Cruise is bezig met een derde Top Gun-film. Top Gun Maverick, het tweede deel, kwam in de zomer van 2022 uit en was een enorm succes. Samen met filmvriend Hugo zag ik de spetterende actie in Pathé hier ter stede. We vermaakten ons prima. Juist deze week bekeek ik het eerste deel nog een keer. Ik kon het niet laten m’n gedachten erover te laten gaan. Als we het vermaak gehad hebben welk mensbeeld is ons dan voorgehouden? Wie zien we als we de Amerikaanse Hollywoodspiegel inkijken?

Eerst het verhaal van de film uit 1986: Luitenant van de Amerikaanse marine, piloot Pete Mitchell (gespeeld door Tom Cruise) heeft de bijnaam Maverick en is een onstuimige waaghals. Hij wordt toegelaten tot Top Gun, de elite Fighter School van Miramar. Maar daar zal de impulsieve jonge piloot moeten concurreren met de besten, onder wie Iceman, een briljante en zeer competitieve medestudent: Tom Kazinksi (Val Kilmer). Samen met zijn beste vriend Goose (Anthony Edwards) wil hij de beste van de besten worden. Maverick lapt de regels aan z’n laars en komt ermee weg. Aan het begin van de film vraagt hij toestemming om een ‘fly-by’ te doen langs de brug van het vliegkampschip. Als dat wordt geweigerd doet hij het toch. De reprimande leidt niet tot ander gedrag; aan het slot van de film herhaalt hij de stunt nog eens.
Naast competitie zien we vriendschap als hoge waarde. Maverick en Goose zijn als familie voor elkaar. Ze gaan door het vuur en komen voor elkaar op. Elkaars wingman zijn ze, ook in de liefde. Als Goose bij een crash omkomt blijft de band bestaan. Maverick voelt zich ellendig en schuldig, ook al wordt hij vrijgesproken. Zijn zelfvertrouwen is geblutst en als hij in een serieus luchtgevecht met Russische MiG’s dreigt op te geven, fluistert hij voor zichzelf: “Talk to me, Goose!”
Onder de vrouwen wek je dan als man de indruk alles onder controle te hebben. Afgetrainde lijven bij het volleybal en machogedrag voor de deur van de vrouwen. Maverick tot Goose als zij de marinebar inlopen: “Target rich environment!” Het is de elite die met motoren rijdt en waar de vrouwen een Porsche voor de deur hebben staan. Charlie, de instructrice die Maverick verovert, en Carole, de vrouw van Goose (Meg Ryan) roepen: “You’re a stud. Take me to bed or loose me forever.”
In het hart van dit alles vind je betrouwbaarheid. “Als je oorlog moet voeren, wil je hem er dan bij hebben?” Het dunne lijntje over Duke Mitchell, de vader van Maverick, gaat ook over de vraag: heeft hij als vlieger gedeugd?

In Top Gun: Maverick (2022) krijgt Maverick van zijn oude maatje Ice een speciale opdracht: hij moet een jonge lichting vliegeniers trainen voor een heel bijzondere en gevaarlijke missie. Eén van de jonge piloten is Bradley ‘Rooster’ Bradshaw (Miles Teller), de zoon van Mavericks overleden beste vriend Goose. De film is voortreffelijk in het terughalen van de eerste episode. “Talk to me, Goose” zegt Maverick als hij een supersonisch vliegtuig tot mach 10 gaat vliegen, en daar voorbij. Uiteraard tegen de wil van zijn leidinggevende in. Ook Goose’ zoon Rooster fluistert ‘Talk to me, Dad” als hij een weifelmoment heeft in de cockpit.
Competitie, vriendschap, mannelijkheid en betrouwbaarheid, het komt allemaal weer langs. Het held is uiteraard voor een urgente maar onmogelijke opdracht gesteld. Hij wordt weer een keer uitgerangeerd, hij bewijst zichzelf ook als daar niet om wordt gevraagd, en hij is uiteindelijk ook iemand die geholpen moet worden. Niet geheel onverwachts komt Rooster hem helpen als Maverick crasht. Samen komen zij eruit door moedig en competent vliegen en vechten. En dan is er nog de hulp van de reservevlieger als zij ‘out of ammo’ zijn.
Oud zeer tussen Goose en Maverick wordt geheeld door samen te overleven. Boven dit alles wappert het Amerikaanse patriottisme: “Make us proud,” zegt admiraal Solomon ‘Warlock’ Bates (Charles Parnell) tegen Pete ‘Maverick’ Mitchell, vlak voordat de onmogelijke operatie van start gaat. Het is alsof je Donald Trump hoort.


Naar aanleiding van: Top Gun 1986, Regisseur Tony Scott (broer van Ridley Scott) en Top Gun Maverick 2022, regisseur Joseph Kosinski.

Klik hier voor de Top Gun Anthem, live door Hans Hans Zimmer (2 juni 2023)

Take my breath away van Giorgio Moroder, won een Oscar in 1987

Kenny Loggings Danger Zone, klik hier.

Top Gun: Maverick haalde in 2022 wereldwijd 1,38 miljard euro op en werd daarmee ook de succesvolste film van dat jaar.