Categoriearchief: Blog

Doods nadering

Ik las in de afgelopen maanden de verzamelde gedichten van Jacqueline E. van der Waals (1868-1922). Dat je met een oudere versie van het Nederlands in aanraking komt is geen hindernis om de gedichten te gaan waarderen. Hier komt een dichteres aan het woord die fijnzinnig kan schrijven over het menselijk gemoed. Hoe verhoud je je tot de natuur, de medemens en tot God, het is wat technisch gezegd, maar je snapt dat het gaat om zeer herkenbare situaties. Geen wereldbestorming of maatschappelijke betrokkenheid, dat niet, maar als lezer krijg je mooie inkijkjes in de menselijke ziel in de wereld van God. Bijvoorbeeld in de serie van vier gedichten over de nadering van de dood.

Doods nadering (1)

Is dit, o Heer, dit oppervlakkigheid
Dat ik mijn uren en mijn dagen
Zoo onbezorgd en zonder veel te vragen
Zoo ongeveer als vroeger slijt?
Alleen wat machteloozer en wat zwakker
En zonder levenstaak en levensstrijd –
Des morgens word ik zonder plichten wakker
En hul mij aanstonds in mijn eenzaamheid.
Dan komen vrienden die mij wat verwennen
En meren aan mijn oever hunne boot,
Wij spreken van het leven, dat wij kennen
Met luider stemme en zachter van den dood.
Dan gaan zij heen en eenzaam blijf ik achter…
Ik weet niet, is dit oppervlakkigheid,
Dat niet mijn stem nog stiller werd en zachter
En sprak van U en Uwe heerlijkheid?

In gebed verwonderd zijn over jezelf, God vragend vertellen dat je van jezelf staat te kijken, dat is wat in dit gedicht gebeurt. Je bent uit het actieve leven geraakt en weet dat de dood nadert – onherroepelijk. Vrienden komen langs en brengen het gewone leven ter sprake. Even lijkt de dood nog ver weg, want het dagelijkse leven pareert heel vriendelijk de dood met levenslust. In dat gesprek met vrienden valt de ik-persoon niet stil. De doodsnadering brengt geen aarzeling. Integendeel, met kracht spreekt zij mee, over de Heer en zijn heerlijkheid. De glorie van God werd ingebracht in het gewone leven. Het overdenken van Gods glorie heeft haar op een of andere manier onbezorgd gemaakt. Minder vragen. Zoals vroeger. De eenzaamheid blijkt in feite gevuld door de Heer. Daar getuigt zij van en vraagt zich af of dat getuigt van oppervlakkigheid? Hoezo, zou je zeggen. Welnee, is het antwoord. Het is een restant van het leven dat zich lijkt te kunnen voltrekken zonder overdenking van de glorie van God. De ik-figuur komt tot zichzelf.

Doods nadering (2)

Mijn uren gaan voorbij gelijk het zand,
Dat langzaam door de dichte vingers vliet
En wegvloeit uit de vastgesloten hand
Als water, dat ik dronk, maar proefde ‘t niet.
Ik weet niet of zij bitter zijn of zoet,
Ik weet niet, of het zachtkens in mijn schreit,
Of in mij lacht – het zingen van mijn bloed,
Het klinkt zoo stil, en ’t ver geruisch zoo zoet
Heer, van Uw eeuwigheid.

De afwisseling in de tijd is een teken van leven – tenminste de ervaring ervan. De dichteres voelt dat de uren voorbijgaan en zij kan niet precies zeggen wat er nu gebeurt met haar. De uren verglijden als zand tussen de vingers, een helder beeld. Duidelijk is ook dat je je soms afvraagt wat je geproefd hebt. De zintuiglijke ervaring laat je wat in de steek. Dat gaat over de ‘uren’ en de vraag van de ik-persoon is of zij niet weet of zij zich over die tijd nu blij moet voelen of verdrietig. Ik neem aan dat ‘zij’ uit regel 5 verwijst naar de uren uit regel 1. In de regel 6 gaat het bij ‘het’ om de gemoedsgesteldheid: het huilt in mij of het lacht in mij. Zij tast naar de goede typering van het zingen van het bloed. Het bloed zingt, zoveel is zeker. Maar het is als het geluid in de verte en zij weet waarvan het geruis de klank is: van de zoete eeuwigheid van God. De eeuwigheid is de upgrade van de tijd. Of misschien beter, de vervanging ervan – een nieuwe staat van zijn. We hebben geen idee van eeuwigheid zolang de tijd ons vasthoudt. Maar in de verte klinkt de klank van iets anders. Dat kan je in het bloed gaan zitten. En als het daar zit, gaat het je gevoel hier beïnvloeden. Zelfs zo dat het verloop van de tijd je onhelder wordt, een soort blur als transitie naar de nieuwe realiteit. Inderdaad, zij weet het niet. Ik ook niet trouwens.

Doods nadering (3)

Wij mogen U niet eigenmachtig beelden
Gij Scheemrende, waaraan de dag ontsteeg.
We ontleenen aan dezelfde kleurenweelde,
Waarmede men Uw beeld vanouds penseelde,
Den glans, waarmee de heilige U verzweeg.


Wij bouwen beelden van U op als wanden,
Zoodat reeds duizend muren om U staan
Want U verhullen onze vrome handen,
Zoodra U onze harten opengaan.

Opnieuw een huivering, aarzeling, een norm die weerhouden moet: wij mogen God niet afbeelden. Zij heeft de euvele moed om de Heer ‘de Schemerende’ te noemen. Nog nooit ergens gehoord of gelezen. Wat een schitterend beeld. De schemering onthult en verhult. Het is de tussentijd waarin het daglicht verdwijnt en de nacht opdoemt. Het is de korte tijd tussen de nacht en het volle licht. Wij leven in de Schemering en hoeveel kleur wij ook gebruiken in onze schilderijen, het is altijd onvoldoende voor de Verhevene. Dus ook ongepast. We mogen de Heer niet in eigen beelden vangen. Toch doen we het. Het zijn wanden, volgens de dichteres.

Maar wat zegt nu eigenlijk de laatste zin? Als wij ons werkelijk voor God openstellen, gaan wij in feite verhullen wat God van zichzelf openbaart. Dat is in dit gedicht niet het ‘kennen ten dele’ van 1 Korinte 13, maar het ‘gij zult u geen gesneden beelden maken…’ van de dekaloog (regel 1). Als God schemert mogen wij Hem niet duidelijker maken dan Hij is. Dat is wat er mis gaat als je met kleurenweelde een godsbeeld schildert met glans. Even aangenomen dat ‘de heilige’ van regel 5 de christen is (een collectivum), hoe is dan door zwijgen die verkeerde helderheid tot stand gekomen? Hoe verhullen wij de HEER? Met vrome handen. Wijst dat op gebed? Of op onze activiteit in het algemeen (in onderscheid van de verstilling die Van der Waals zo bewondert)? Maar als wij iets verhullen is er ook iets geopenbaard. Iets dat duidelijk en helder is. Waar je over spreken kan. Dan is zwijgen een zonde. Zonde tegen het tweede gebod. Maar als God de ‘Scheemrende’ is, is zwijgen een heel passende reactie, zou ik denken. Kortom: is dit een mislukt gedicht of zit ik er helemaal naast?

Doods nadering (4)

Ik vroeg: Is dit lichtzinnigheid in mij,
Dat ik niet angstig of bedroefd kan wezen
Van wege mijne zonde, noch met vreeze
Tot U, o Heer, om schuldvergeving schrei?
Ik kende vroeger nog besef van schuld
En schreide vaak tot U om schuldvergeving
Hoe is het, dat de dood dan niet met beving,
Doch met zijne groote stilte mij vervult?

Toen lachte God en sprak: Toen Gij daareven
Al wat ik nam, vrijwillig hebt gegeven,
Toen gaaft gij in de gulheid van uw bod
Mij ook uw smarten, ook uw levenswonden…

In ‘t leven is de zonde o n z e zonde
Maar in den dood is ze U w e zaak, o Heer.

De nadering van de dood heeft bij de ik-persoon iets veranderd. Vroeger was zij veel bezig met schuld en vergeving. In het verlengde ervan zou je verwachten dat de naderende dood de beving groter zou maken. Maar zij merkt bij zichzelf op dat juist de stilte in haar groeit. Angst en verdriet nemen af. Zij vraagt zich af of dat lichtzinnigheid is.
Het antwoord komt rechtstreeks van God. De tweede strofe stelt: God maakt je duidelijk dat als je alles geeft aan Hem, ook je verdriet meekomt. Hoe meer je inlevert bij het naderen van de dood, hoe meer je ook mag verwachten dat verdriet bij God terecht komt – en blijkbaar blijft. De laatste twee regels geven dan weer de verwerking: de ik-persoon snapt dat in de dood alles door God wordt overgenomen. Mooie dubbelzinnigheid. Want het kan naast de dood van de ik-persoon ook volop verwijzen naar de dood van de Heer. Het was Gods zaak om onze schuld te willen overnemen. Met enig typologische nadruk in de spatiering is dat voor mij, de lezer, voldoende duidelijk.

Naar aanleiding van: Jacqueline E. van der Waals. Verzamelde gedichten. Utrecht: Kok, 2017 (deze uitgave is gebaseerd op de editie van 1999. Met een Woord vooraf door Henk van der Ent). Anneke Reitsma schreef in de veertiende jaargang van Buzzlletin (1985-1986) een artikel over Van der Waals waarbij ook het derde gedicht uit deze serie wordt genoemd: “Zo’n vers heeft geen enkele toelichting nodig: het stelt zichzelf, in een dwingende eenvoud, aanwezig.”

Holland

“Voor Maarten van Aes, groeten Rodaan Al Galidi.” Dat staat op het schutblad van mijn exemplaar van de roman Holland. Ik kreeg het als cadeau rond Sinterklaas 2020. Het is een leuk verhaal. In maart sloeg het virus covid-19 toe. In de wijk Stadshagen organiseerde Esther Roosenboom van jongerencentrum LevelZ een actie om dichters uit de wijk tot dichten aan te zetten. Dat bereikte ook mij en zo werd mijn gedicht In maart dit jaar fraai vormgegeven op een A3. Het heeft maanden bij ons voor het raam gehangen. Tegen het eind van het jaar was ik het alweer vergeten totdat Esther zich meldde en vroeg of ik even tijd had. Zij gaf mij de roman van Rodaan Al Galidi cadeau, met leuk bedankkaartje erbij en dus de handtekening van de Zwolse auteur. Erg aardig.

Dus heb ik het boek gelezen. Laat ik er eerst wat goeds van zeggen. Het verhaal over Semmier Kariem staat vol met treffende observaties en fraaie formuleringen. De asielzoeker die een status krijgt en het asielzoekerscentrum verlaat, komt in verschillende Hollandse woonsituaties terecht. In een aanleunschuur bij een gezin, in een studentenhuis, een klooster en een allochtonenflat. Hij probeert een kostje bij elkaar te klussen en kijkt vooral met enige verbazing naar de omgangsvormen van de Nederlanders. Of het nu gaat om groeten, eten, schoonmaak, werk of honden uitlaten, Semmier weet er wat passends van te zeggen. “Na een tijdje hoefde ik maar naar de straat te kijken om te zien hoe laat het was. Die Nederlandse straat was een horloge dat geen batterij nodig heeft en dat niet kapotgaat als er auto’s overheen rijden of honden op plassen of als de regen er maanden op valt.” (331) Of deze: “Die anderhalf uur dat de hond mijn gezicht was, kon ik meer Nederlanders groeten die ik niet kende dan in al die jaren daarvoor. Dat was de magische sleutel naar Nederland: een hond. Inclusief zakje.” (343)

Dit alles is het resultaat van de normale schifting tussen normaal en abnormaal. Van psychiater Damiaan Denys heb ik geleerd dat ieder mens dat in een split-second doet. “Het is opvallend dat we snel oordelen. Binnen enkele seconden komen we tot een uitspraak over wat we normaal of abnormaal vinden. Omdat het beslisproces zo snel verloopt is er weinig ruimte voor nuance.” (145) Je eigen vertrouwdheid en verwachting vormen het beoordelingskader voor wat je nieuw tegenkomt. Als Nederlander is het onmogelijk om zo te kunnen kijken als wij nu in de roman Holland van Al Galidi meemaken. Het heeft iets tragisch dat hij aan het slot het land verlaat om naar Spanje af te reizen. Stellig de opmaat voor een vervolgroman. Treurig is deze constatering: “Helaas was de situatie van het kalf in McDonald’s duidelijker dan de mijne in de inburgering. Het kalf komt Mc Donald’s binnen als kalf en gaat eruit als burger, maar ik ging de inburgering in als asielzoeker en kwam eruit als asielzoeker, niet als burger.” (383)

Om daarop te variëren: ik ging met enige verwachting het boek in en kwam er teleurgesteld uit. Romans van ingeburgerde Nederlanders hebben sowieso een streepje voor bij me. Maar als je een literaire roman schrijft, verwacht ik meer dan een voortkabbelend verhaal. De urgentie of noodzaak miste ik in de volgorde van de gebeurtenissen. Al Galidi vertelt niet onverdienstelijk, maar Lidewij als rode draad is te weinig om de verschillende woonsituaties betekenisvol aan elkaar te rijgen. Op twee derde was ik mijn interesse bijna verloren. Met enige wilskracht las ik het uit. Dat de naam van de auteur voorin mijn exemplaar staat, werkte als een stimulans. Dat is dan ook de belangrijkste reden om het in de kast een plaats te geven. Dat was zonder die handtekening niet gebeurd.

Naar aanleiding van: Rodaan Al Galidi, Holland. [Zwolle]: Uitgeverij De Kade, [2020]

Damiaan Denys, Het tekort van het teveel: De paradox van de mentale zorg.3 Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2020

Goden vinden

Een vader

Beland op zoiets als een eiland alleen
zoekt ze zich iemand. Neemt dan

bijvoorbeeld de man die van zee komt
ontvangt en bedient hem en als hij dan

gaat, richt ze een hier voor hem in voor
als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten

maakt deel van haar lijf uit voortaan en
denken hoe hij was, wier aan zijn voeten
in zijn handen een net – Hij is het ! Zo

worden goden gevonden door vrouwen, zij
bouwen een altaar, brengen hun zonen
dochters erheen en zeggen: je vader.

Hester Knibbe

“Zo worden goden gevonden…” dat is mooi gezegd in regel 10. Je zou verwachten dat er zou staan: ‘Zo worden goden gemaakt…’.  Want dat is wat er vervolgens wordt gezegd: een mensen bouwen een altaar en leren door de jaren heen hun kinderen: hier is je vader te vinden.

De afwezige vader is het hoofdonderwerp. De vader is verdwenen zoals hij ooit gekomen is. Hij is namelijk een man van de zee. Met vloed en eb laat de grote aardse watermassa dit ons voortdurend weten. Alles stroomt. De mens als vrouw gaat erin mee, moet erin mee, het maakt deel uit van haar lijf. Juist vanwege die eb en vloed van vruchtbaarheid kan er een nieuwe generatie ontstaan. Hier is het wonder van de voortgang door de tijd. Het mysterie van de verwekker die toch niet constant aanwezig is. Hij kan terugkeren, dat wel. Daar verlang je ook naar als je het plezier van het verwekken en baren geproefd hebt. Dus richt je een ‘hier’ in. Voor als hij terugkeert en jij wil.

In dit gedicht is elk woord overdacht en dat lijkt niet zo. Het is een eenvoudige vertelling die de bekende oergedachte van het onbewoonde eiland oproept. We hebben toch allemaal wel eens gedacht dat we daar terecht kunnen komen. Wat neem je mee als je daar terecht komt? Op een of andere manier heb ik een tijd gedacht dat het een Bijbel moest zijn. In dit gedicht beland je soms op een eiland. Dat kan zomaar midden in je leven zijn, op het vasteland zeg maar. Een diep gevoel van alleenheid. Daar zoek je verwantschap, verbinding met wezens die in elk geval iets met je gemeen hebben. Iemand. Iemand die van zee kan komen. Goed, prima, daar kom je ook vandaan als je op een eiland belandt, toch? Als de chemie dan vruchtbaar wordt, ben je tegen iets goddelijks aangelopen. Dat wat jou en de iemand overstijgt, noem het transcendentie, noem hem God, noem hem: vader, eventueel met een hoofdletter. Dat wil je vasthouden. Dat moet het product van je gemeenschap weten. Want hij werd deel van je lijf, samen schiep je iets dat er eerder niet was. Dat is het wonder van het Leven. Dat vraagt om verering.

Zo worden goden gemaakt. Dat is een bijna wetenschappelijke opmerking over de historie en de essentie van  religie. Gelukkig staat dat er niet. ‘Zo worden goden gevonden… ’ dat houdt het geheim intact. Je hoeft niet over ‘openbaring’ te spreken om religie een wonderlijk iets te vinden.

Naar aanleiding van: Hester Knibbe, Bedrieglijke dagen, Arbeiderspers, Amsterdam 2008, 26. Ook opgenomen in: Yves T’Sjoen [red.], De tegenstrijdige generatie: Dichters van de jaren zeventig. Amsterdam: Meulenhoff, 2011, 274. Klik hier voor haar pagina in de Database Nederlandse Literatuur.

In Dichtersgesprekken  van Marjoleine de Vos staat een ontroerend interview met Hester Knibbe over het gedicht dat zij maakte na het overlijden van haar zoon: Psalm 4631: ‘Je kunt zeggen dat dit een antipsalm is.’ Marjolein de Vos, Dichtersgesprekken. Amsterdam/Rotterdam, Prometheus/NRC Handelsblad, 2005, 94-98.

 

Hiërarchische werkelijkheid?

Andreas Kinneging heeft een indrukwekkend boek geschreven. Het is een kloek boek met een heldere boodschap: de Europese mentale en culturele traditie moet in ere worden hersteld. De Verlichting is een gevaarlijke route naar zelfondergang ingeslagen en de Romantiek jaagt idealen na die onhaalbaar zijn en sociaal ontwrichtend. De Griekse Oudheid (Athene) en het katholieke Christendom van Augustinus (Jeruzalem), maar meer nog van Thomas van Aquino bieden de broodnodige waarheid, goedheid en schoonheid.

Het is duidelijk dat hier een conservatief aan het woord is, een roepende in de woestijn. Wie wil hem horen? Ik kreeg hem aanbevolen en ik moet zeggen dat ik aan het denken ben gezet. Ik voel mij gevormd door Verlichting en Romantiek en ik weet dat de premoderne wereld echt voorbij is. Als je dan een boek leest dat de vanzelfsprekendheden van vandaag zo ter discussie stelt dat je tot herbezinning komt, dan trek je de conclusie: de schrijver heeft z’n werk goed gedaan. Als christen-lezer ben je meer dan gewoon betrokken bij de thematiek, lijkt me. Je hebt toch geleerd dat een kritische blik op de gegeven situatie past bij de navolging van de Heer. Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Dus wie Hem als Meester heeft en zich voorbereid op die nieuwe wereld, moet de huidige steeds weer onder kritiek durven zetten.

Vrijheid en gelijkheid, dat zijn, begrijp ik van Kinneging, de grote thema’s van de Verlichting. “Het gaat eerst en vooral om de vrijheid van het individu. Maar een bepaalde vrijheid van het individu. Niet de vrijheid van de wil. De verlichtingsdenkers gaat er doorgaans vanuit dat de vrijheid van de wil niet bestaat. … De vrijheid waar het hen om gaat is de vrijheid van het individu te kunnen doen wat het maar wil, veelal handelingsvrijheid genoemd.” (54) Daarmee verwerp je in principe relaties van bevel en gehoorzaamheid. Je bent autonoom en dat geldt voor iedereen gelijk. Individuele vrijheid impliceert gelijkheid. Maar dat roept wel spanning op. “De vrijheid om te doen watje wilt geeft ook de vrijheid om ongelijk te behandelen – te discrimineren. Wil men in dat geval niettemin gelijkheid –  dan moet de vrijheid aan banden worden gelegd.” (55) “Het schadebeginsel is zodoende een fundamenteel ijkpunt in de contemporaine moraal.” (56)

Dit nu bedreigt het geluk van de mens en de samenleving. Want de vrijheid en de gelijkheid zijn in de wereld van welstand ontaard in het najagen naar geld en goed, het bevrediging van begeertes. Die zijn voor ieder verschillend maar in naam van vrijheid en gelijkheid zijn ook alle begeertes gelijkwaardig: ‘basketbal is evengoed als Beethoven.’ (21) Alles draait om consumeren, techniek en markt zijn de dominante levensaspecten. Maar onze wens is ten diepste zelfgericht en dus is de ander een mogelijke hindernis in zelfbepaling. “Heel diep in de menselijke natuur liggen twee impulsen verankerd: het vrij willen zijn zelf te bepalen en dus ook de opstandigheid tegen alles wat en iedereen die deze zelfbepaling beperkt.” (127) Het is vooral een wens voor je zelf. Ook de gelijkheid is asymmetrisch: “Wij willen gelijk zijn aan anderen als die hoger staan dan wij. Maar tegelijkertijd willen wij zelf wel hoger staan dan anderen.” (128)

Daar is de Romantiek nog bij gekomen: “Het gaat in dit leven om iets geheel anders: om authenticiteit. Dat wil zeggen: als mens te zijn wie en wat je bent en anderen en de wereld ook te laten zijn wat ze is. Dat is ware vrijheid en gelijkheid.” (23) Dit moet bewerkstelligd worden door bewustzijnsverandering: “De mens moet zich bewust worden van zijn vervreemding van de natuur om hem heen en zijn eigen natuur en zijn leven en de maatschappij veranderen.” (24) “Het hoogste gebod – voor elk mens gelijkelijk –  is, anders gezegd, de eigen authenticiteit of, zoals het ook wel genoemd wordt, individualiteit. Iedereen weet hoe invloedrijk dit ideaal tegenwoordig in het Westen is. Vrijwel ieder kind groeit er op met de gedachte dat zijn individualiteit het kostbaarste is wat hij heeft. … Het brengt de mens op een volstrekt verkeerd spoor, op zoek naar een niet bestaande entiteit: zijn unieke, eigenlijke, diepe ik. Het leidt onder andere tot eindeloze navelstaarderij, onophoudelijke innerlijke twijfel, besluiteloosheid en inertie. … Maar het meest van alles leidt het authenticiteitsideaal tot een grenzeloos egoïsme.” (29)

Tot zover een eerste indruk van de analyse. Nou ja, meer dan dat, de beoordeling is ook helder. En dat wordt nog duidelijker als Kinneging dit legt naast de spirituele bronnen van Europa. Verlichting en Romantiek drukken de mens als burger, gemeenschapswezen en als kind van God weg. En het springende punt is hiërarchie. “Voor de Europese Traditie is hiërarchie de grondwet van alles wat er is. De wereld als geheel, de kosmos, is hiërarchisch geordend: God aan de top, dan de mensen, vervolgens de dieren en de planten en ten slotte, onderaan in de hiërarchie, de anorganische materie. Ook de maatschappij dient, analoog daaraan, op een bepaalde manier hiërarchisch geordend te zijn. De besten moeten heersen, de overigens dienen gehoorzaam te volgen. De individuele mens, ten slotte, moet ook worden begrepen als een hiërarchie. De ziel staat hoger dan het lichaam en in de ziel dienst de rede de overige vermogens te leiden.” (61-62) Daarom speelt vrijheid in de moderne zin van het woord in de Traditie geen rol van betekenis (82), is het man-vrouwverschil is wezenlijk (200vv) en voldoen sommige exemplaren mens meer aan de natuur of de onzichtbare Maat dan anderen (289). Plato’s Maat staat centraal: “Wat moeten we ons precies voorstellen bij het Ene? Het ene is Maat, maatstaf, regelmaat (μέτρον). De achterliggende gedachte is evident dat inherent in de gehele werkelijkheid – in de omvattende zin van het woord, dus inclusief Ideeënrijk – een (regel)maat verscholen ligt. … Ideeën zijn dan ook maatgevend, of het nu om een wiskundig Idee als die van cirkel gaat, of om een Idee als paardheid, of een tafel, of wat dies meer zij.” (283)

Het christendom van Augustinus blijkt door en door Platoons, zegt Kinneging, en de grootste kerkelijke leraar is Thomas van Aquino: “Aquino’s grootheid ligt niet zozeer in het bedenken van iets nieuws, maar vooral in het analyseren van wat er in het verleden voor hem lag en dat met elkaar te verbinden en te ordenen, zodat het tot één consistent geheel wordt samengevoegd. Daarmee is Aquino de grootste systematicus van het orthodoxe Christendom geworden.” (490) Toen ik het boek uit had, wist ik dat Kinneging Christus ziet als de God die mensen leert om lief te hebben in antwoord op zijn liefde. “Christus is God. God die mens is geworden, uit pure liefde voor de mens, om de mens van de zonde weg en naar God te leiden.” (483) Wat leert Hij ons, ook aan het kruis? Wat ultieme liefde is en dat God ons met deze liefde liefheeft. Waardoor de mens wordt aangezet God in antwoord daarop op dezelfde manier lief te hebben.” (551) In de ethiek komen we dan bij de deugden uit (imitatio Christi), eerder dan bij de geboden (dat laatste hoort meer bij de Reformatie met haar grote nadruk op de zondigheid van de mens). Ten slotte is er bij Kinneging een is-gelijkteken te zetten tussen de Griekse kernwoorden en het Godsbegrip: “God is het Ware, Goede en Schone. Of andersom: het Ware, Goede en Schone, dat is God. Geloof in God is het vaste vertrouwen dat de kosmos, de aarde, de mens goed geschapen zijn. Zeer goed zelfs. Dat ze zijn ontsproten aan iets wat goed is en als schepping ervan ook bedoeld zijn als iets goeds. Kortom, dat het Goede, Ware en Schone oorsprong en doel van de wereld en dus ook van ons bestaan zijn.” (546)

We komen hier in de buurt van een filosofisch Godsbegrip waar ik theologisch en gelovig ver vandaan wil blijven. Wie bij God begint en dan een keer bij Christus uitkomt, heeft vanaf stap één de verkeerde koers gekozen. Hoezeer ik de Platoonse kernwoorden waardeer voor een wereldbeschouwing, als gereformeerd en orthodox gelovige kan ik me niet met deze Europese Traditie verbinden. Lastiger is dat ik wel geloof dat de werkelijkheid waarin de Heer zich openbaarde van Abraham af tot de laatste apostel inderdaad een hiërarchische wereld is. Als kind van de Verlichting kan ik dat maar matig plaatsen in mijn ervaring en visie op mijn realiteit. Als je dan ook nog een rol hebt die traditioneel met macht en gezag omgeven is – een predikant verkeerde in de kringen van de burgermeesters, notarissen en andere ambtelijke functionarissen – dan is de vraag dit: is de egalisering binnen de Westerse cultuur een legitiem vervolg op de krachten van het evangelie in de toenmalige cultuur? Of is zij een bastaardkind dat heengezonden moet worden?

Naar aanleiding van: Andreas Kinneging, De onzichtbare Maat: Archeologie van goed en kwaad. Amsterdam: Prometheus, 2020.

In de recensie van Arnold Heumakers vond ik een goede kritische noot: “Vreemd genoeg houdt Kinneging in het geheel geen rekening met de ‘Kantische Grenzlinie’ (zoals Hölderlin het noemde) tussen kritische en dogmatische filosofie, hij kiest zonder enige reserve voor de dogmatische filosofie. Inclusief het argument dat de Traditie een belangrijk deel van haar kracht ontleent aan de hiërarchische orde van de kosmos, die ook de maatschappij en de menselijke ziel behoort te regeren. Dat is ronduit bizar, temeer daar hij laat zien heel goed te weten waarom de Traditie (met in haar kielzog de dogmatische filosofie) van haar troon was gestoten. Dat kwam doordat de nieuwe natuurwetenschap van Copernicus, Galilei en Newton geen spaan heel liet van het traditionele beeld van de kosmos en de daarmee verbonden filosofie. Men moest dus wel opnieuw beginnen. Kinneging behandelt dit gegeven alsof het voor de waarheid van de Traditie amper consequenties heeft, terwijl het daarvoor desastreus uitpakte, iets waarvan Kant en de overige Verlichtingsfilosofen diep doordrongen waren – net als trouwens de romantici, die zich heus niet alléén om hun eigen Ik bekommerden. Zonder deze paradigmatische verandering van wereldbeeld was er waarschijnlijk nooit een Verlichting geweest en ook geen Romantiek.”

Jezelf troosten

Hoe ga je naar bed als je net een schaap hebt overreden?
Dat hangt ervan af, denk ik.
Met wie heb je te maken gehad? Waar is het gebeurd? Heeft iemand je opgevangen? Wilde je het schaap al langer dood hebben of is gebeurde het per ongeluk? Hoeveel tijd is er na de gebeurtenis nog geweest tot aan het slapen gaan? Kortom, er is nog veel te vragen bij een gedicht dat met deze vraag opent. Het is het eerste uit de bundel Kalfsvlies van Marieke Lucas Rijneveld en de titel is: Als het je overkomt.

Oké, die titel helpt. Er ligt dus geen opzet aan de basis van het doodrijden van een schaap. Het korte antwoord op de vraag is dan: trillend ga je naar bed, huilend, ineen krimpend, denkend. Dat klinkt zielig en meelijwekkend. Het draait om de dader. Niks over de eigenaar (of was het een eigen schaap?) of over omstanders. De bestuurder is volkomen van slag. Heel begrijpelijk en als jou zelf wel eens wat overkomen is, dan weet je hoe belangrijk de troost is. Het gedicht eindigt met de regel: ‘… totdat het niet meer om het schaap gaat maar om wie de bestuurder troost, jij arme, dwaze hond.’ Komt hier de aap uit de mouw van het gedicht? De trooster als een hond, de trouwe viervoeter van de baas of het erf. Heeft iemand op een boerderij met de tractor of auto (autobanden, 15) per ongeluk een (eigen?) schaap overreden?

Het is wel even de vraag over wie wij het hebben. In de zin: ‘Hoe ga je naar bed als je net een schaap hebt overreden?’ is ‘je’ op te vatten als het algemene ‘men’. In de loop van het gedicht komen we ‘haar’ tegen: haar hand drukt op je knie, haar hoofd is al tijden een autocue, om haar gerust te stellen. Dan komt er nog ‘ze’ in de regels 13 en 14. Het algemene ‘je’ kan worden opgevat als de aanspraak in de interne monoloog, het drukke hoofd waarin een veelheid aan woorden en gedachten rondspringt na de heftige ontregeling. Gaat dat samen met een meer objectiverend ‘haar’? Maar ‘haar hand’ drukt op de knie van degene die het overkomen is. (4) Het is ook een vrouwelijk persoon die moet worden gerustgesteld (8) en dan is het voor de hand liggend om aan te nemen dat die vrouw of dat meisje zegt dat er nog wijn en glazen in het nachtkastje staan. Is het perspectief dan dat van de trooster? Vanaf regel 15 lijkt het weer meer de bestuurder te zijn, die ten slotte zegt dat ‘jij, arme, dwaze hond’ de trooster is. De perspectieven zijn verschillend, tweede persoon, derde persoon, en op sommige momenten niet uit elkaar te houden.

Een razend hoofd, dat levert zo’n ongeluk op, zegt de dichter, verdriet komt er (nog) niet tussen. (5/6) Eerst is er de wijn. Die staat bij de hand in de slaapkamer (10, 12), en ik kan niet anders dan denken dat het dus iemand van 18+ moet zijn – maar was dat in 2015 ook al zo? Bestuurder en trooster proberen in de slaapkamer tot rust te komen (10v): orde scheppen, schuld wegduwen, oververhitting voorkomen. Er is eerder bloedig drama geweest, vandaar dat de wijn binnen handbereik is. Zo komt ook dit drama in de doos met ‘gesneuvelde’ zaken die een klap in je leven veroorzaakten. Dat draag je met je mee, niet in een schatkist maar in je eigen lijfelijke lijkkist, zo groei je op in deze wereld. (6-7)
Sneu.
Daar kun je om huilen als je trooster bent. En als je huilt om zoveel treurigheid, gaat het dus niet meer om het schaap dat is doodgegaan. Maar ook niet om de bestuurder. Die is er beroerd aan toe. Maar de trooster ziet dat en denkt er wat van en heeft ook te veel wijn op: dat huil je er weer uit.

‘…jij, arme, dwaze hond.’ Ik zei al, de perspectieven lopen door elkaar heen maar gaan niet helemaal in elkaar op. Zou het de schets zijn van een eenzame jonge vrouw die na het ongeluk niemand anders heeft om te kalmeren dan zichzelf (de op hol geslagen ratio) – en de wijnfles? Ik denk het: je eigen huilende reflectie als een trouwe metgezel, maar ook arm en dwaas. Meer niet.

Naar aanleiding van: Marieke Lucas Rijneveld, ‘Als het je overkomt’ in: Kalfsvlies12, Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2020 (eerste druk 2015, bekroond met de C. Buddingh’-prijs 2016). Blijft over de vraag of de tweeregelige strofen helpen het gedicht te snappen en te proeven. In de bundel komen we veel verschillende indelingen tegen. In Als het je overkomt merk ik bij het voorlezen geen duidelijk reden waarom de afbreking van de regel staat waar ik haar aantref – behalve bij regel 13 en 14, daar is het effect wel aardig.

Op 23 december 2021 stond een Vierluikavond over de bundel gepland. De tweede lockdown van het coronajaar 2020 blokkeerde hem en wanneer de avond wel gehouden kan worden is nog steeds onzeker. Ik maakte een gesproken jaarwisselingsgroet met het laatste gedicht uit de bundel. Om de moed erin te houden.