Hoop op herstel

De beelden staan in mijn geheugen gebrand. Brute gevechten tussen Hutu’s en Tutsi’s in Rwanda. Een nieuwsclip waarin machetes dodelijk neerslaan. De waarschuwing vooraf: “De volgende beelden zijn schokkend.” Die beelden komen makkelijk terug. Maar het grote verhaal erachter? Verdwenen. Wat rest is een abstract begrip: genocide, onbeschrijfelijke ellende.
Dat ‘onbeschrijfelijke’ krijgt nu plots gezicht en stem. De roman Jacaranda van Gaël Faye brengt het ontluisterende beeld van kwaad scherp op je netvlies. Wat kunnen mensen elkaar aandoen? Opvallend genoeg is het geen zwaarmoedig boek – dat is juist het knappe eraan. Hoofdpersoon Milan, zoon van een Tutsi-moeder en Franse vader, groeit op in Frankrijk, aanvankelijk ver van het trauma uit moeders verleden. Bij een eerste bezoek aan Rwanda gaat die wereld voor hem open. Met cultuurshock, maar vooral ook nieuwe banden en vriendschappen. In grote tijdsprongen belanden we in 2021, bij moeders dood. Onderweg hebben we geleerd te kijken naar de omgang met trauma en de moeizame weg naar herstel.

Dat meekijken is vooral: luisteren naar getuigenissen. Daar draait deze roman om. Milan hoort zijn oom Claude getuigen voor een volkstribunaal tegen een dader die De Kat heet (109-116). Later volgt het verhaal dat nichtje Stella schrijft over haar grootmoeder Rosalie (177-190), en tenslotte de getuigenis van Stella’s moeder Eusébie (204-214). Fayes stijl blijft verteerbaar, maar de wreedheid die hij beschrijft nauwelijks. Een fragment:

“Er kwam een hoge legerofficier bij de versperring voorbij. Hij zette zijn jeep stil, moedigde de daders aan flink door te werken en beloofde beloningen. Ik kende hem, hij was de officier die Eugène in 1990 in het stadion had gemarteld. Toen hij me herkende vroeg hij waar mijn kinderen waren, ‘die bakkerstorren van Eugène’. Hij en zijn soldaten hebben me meegenomen naar huis. Ik zei dat mijn kinderen er niet waren. De militairen zijn door het hele huis gelopen. Toen beval de officier een van zijn mannen het in brand te steken. Ik heb toen bekend dat mijn kinderen in het zwevende plafond zaten en ik ze vanuit de tuin waar ik stond, moeten roepen, een voor een bij hun voornaam. De soldaten zijn het huis weer in gegaan. Daarna vielen er schoten.” (208)

De legerofficier gebruikt zijn invloed en positie om anderen tot moord aan te zetten. Hij deed dat eerder, is blijkbaar nooit tot inkeer gekomen. Geen impulsieve daad dus. Dit is haat die geworteld is geraakt.
Dan zijn er de ondergeschikten. Zij voeren uit wat wordt opgedragen. Wat hen drijft, vertelt het verhaal niet expliciet. Wel is helder: de macht van hun wapens en positie versterkt hun bereidheid mee te doen. Ze staan even aan de kant van de overwinnaars. Zelfs kinderen neerschieten schrikt hen niet af.
Eusébie is de moeder die haar kinderen wil sparen maar het niet kán. Niet haar eigen leven geven – alleen proberen te voorkomen dat ze levend verbranden. Het is te gruwelijk voor woorden: die kinderen worden gewoon doodgeschoten. Naam voor naam geroepen – om gedood te worden. Hoe ga je daarmee verder?

De getuigenissen en volkstribunalen vormen de bouwstenen voor een nieuwe samenleving. Ook dat loopt als rode draad door het boek: bestaat zoiets als vergeving? Nadat Claude zijn verhaal heeft gedaan, komt het ter sprake: “Geloof je daarin?” “In verzoening en vergiffenis? Nee… ik ben een overlevende. Ik heb gezien hoe mensen zich hebben gedragen. Maar de processen zijn absoluut noodzakelijk voor de volgende generaties. Voor Stella en jou. Door het werk dat we nu doen zullen jullie erin slagen samen te leven met hun kinderen. Dat is mijn hoop.” (120)
Misschien is dat het enige realistische antwoord. Vast zijn er mensen die volop kunnen vergeven. Of voor een groot deel. Of voor een moment. Maar een volkomen verzoening, een herstel door nieuwe harmonie tussen slachtoffers en daders? Aan het slot leeft De Kat nog. Dat is opzienbarend, want daar leek het niet op. Claude had gezworen hem te vermoorden na zijn gevangenisstraf. En toch doet hij het niet. (115-116, 122, 226v, 234) Vrienden? Nee. Samenleven, ja – met de zonen van De Kat. Dat ís goed nieuws.

Naar aanleiding van: Gaël Faye, Jacaranda. Amsterdam: Meulenhoff, 2025. Oorspronkelijk verschenen in het Frans (2024) en vertaald door Liesbeth van Nes.

Heldendom tussen twee werelden

In het Klooster van de Drie Koninkrijken groeit een jongen op die ooit in de sneeuw is gevonden, vastgebonden op een yak, zonder ouders of herkomst. De kloosterlingen noemen hem Witte Wolk. Hij is geen doorsnee leerling. Tussen de rivaliteit van de jongens door blijkt hij een uitzonderlijke gave te bezitten: hij ziet visioenen. En door een toverboek dat hij ontvangt, krijgt hij toegang tot twee werelden tegelijk. Wanneer een vijandige elite-eenheid de barnstenen kamer steelt – een magische bol die het klooster tijdens de kwetsbare zomerwende beschermt – staat alles op het spel. Premiejager Yuki wordt ingeschakeld om het bezit terug te halen, en Witte Wolk krijgt opdracht met haar mee te reizen. Terwijl hij zijn vriendin Hoshi achterlaat, trekt de dreiging op. De morfs, vijandige wezens met een duister verleden, verzamelen hun troepen en trekken richting klooster. Bovendien overwegen de kloosterlingen om de Kumiba, een mensachtig monster, los te laten als ultiem wapen.

Tijdens de reis wordt Witte Wolk getest. Een gids verraadt hem. Vijanden maken jacht op hem. En de visioenen worden intenser: Hoshi spreekt hem aan, zijn moeder verschijnt, en zelfs Meester Yia doemt op. De twee werelden beginnen elkaar te beïnvloeden. In het klooster slaan uit wanhoop alle noodmechanismen aan, waaronder de Kumiba – die zich uiteindelijk tegen vriend en vijand keert. Het verhaal bereikt zijn hoogtepunt wanneer het Rode Kwaad losbarst. Yuki keert op cruciale momenten terug om Witte Wolk te redden. Hij drinkt een elixer dat hem volledige toegang geeft tot beide werelden. In visionaire vorm vecht hij rode draken, en dat gevecht beïnvloedt de realiteit: een ijsmassa stort neer op de vijandige strijdkrachten. Het Klooster van de Drie Koninkrijken wordt gered. Maar in de nasleep beslist Meester Yia dat de Rimpeling – het kostbare, bijna obsessieve bezit – te veel macht heeft gehad. Hij dumpt het in de zee.

Witte Wolk begint aan een nieuwe reis: hij wil zijn moeder vinden, waarvan nu duidelijk is dat ze een morf is én tegelijk een gidsachtige aanwezigheid in zijn visioenen. De Rimpeling ligt op de zeebodem, nog slechts een bel lucht vrijlatend.

Shaolin, de stripserie over Witte Wolk, is een prachtig drieluik van het duo Jean-Francois Di Giorgio (scenario) en Looy (tekeningen). De inkleuring door Oliver May en Luca Saponti mag niet onvermeld blijven. Lust voor de ogen. Al lezend vroeg ik me af of dit de klassieke heldenreis van Joseph Campbell is.
Joseph Campbell stelde in The Hero with a Thousand Faces (1949) dat talloze mythen dezelfde basisstructuur delen. Deze zogenaamde heldenreis bestaat uit drie hoofdfasen: Vertrek, Initiatie, Terugkeer. Binnen die fasen plaatst Campbell herkenbare stappen: de roep, de mentor, de beproevingen, de climax, en uiteindelijk dus de terugkeer.
Voor een lezer met Campbells schema in het achterhoofd lijkt het narratief rond Witte Wolk zich keurig te voegen naar dat patroon. De diefstal van de barnstenen kamer vormt de duidelijke ‘Call to Adventure’. Yuki en Meester Yia functioneren als mentors en helpers. Het verraad van de gids markeert de overgang naar het onbekende terrein. De vele obstakels – de morfs, de Kumiba, de Purperen Zomerwende – passen in de ‘Road of Trials’. Het drinken van het elixer en het verwerven van toegang tot beide werelden lijken tekstboekvoorbeelden van Campbells apotheose. De redding van de Rimpeling vormt de beloning, en de terugkeer naar rust in het klooster sluit naadloos aan bij de terugkeerfase. Het model werkt dan ook uitstekend om de contouren van het verhaal te ordenen. Het benadrukt de transformatie van Witte Wolk, zijn verschuiving van passieve jongen naar actieve schakel tussen twee werelden.

Maar zodra je dieper kijkt, begint het schema te knellen.
Witte Wolks verhaal is complexer dan de lineaire cyclus die Campbell voor ogen heeft. Waar Campbell één escalatie, één climax en één terugkeer veronderstelt, bevat dit verhaal meerdere golven van spanning. Herhaalde aanvallen, wisselende bondgenoten, en parallelle crises maken de structuur een stuk dynamischer. Campbell denkt vooral in hiërarchieën: de held leidt, anderen ondersteunen. In dit verhaal hebben Yuki, Hoshi, de moeder en zelfs Meester Yia rollen die veel gelijkwaardiger zijn. Hun keuzes zetten gebeurtenissen in gang die niet louter ondersteunend zijn.
En het gaat om meer dan innerlijke groei of psychologische transformatie van Witte Wolk. In dit verhaal beïnvloedt het visionaire domein echter het militaire en politieke strijdtoneel rechtstreeks. De ijsmassa die verschijnt is een visionair gevecht dat een materiële uitwerking krijgt. De moederfiguur is tegelijkertijd een entiteit in twee domeinen. Het lijkt sterk te gaan over identiteitsvorming. Zijn groei draait niet om het terugbrengen van een magisch object, maar om het begrijpen van zijn afkomst, het omgaan met een dubbel-wereldlijke identiteit en het zoeken naar de waarheid over zijn moeder. De Rimpeling is een katalysator, geen einddoel. Zo bekeken wordt de laatste scène – een luchtbel die opstijgt uit de zee – een veelbetekenende open deur: zijn ontwikkeling is nog lang niet voltooid.

Er is niets mis met beginnen bij Campbell. Maar soms heb je een verhaal dat uit zijn mal barst. En dat is precies wat Witte Wolk doet: hij beweegt tussen werelden, tussen loyaliteiten, tussen zoektochten. Hij is geen klassieke held; hij is een knooppunt van conflicten en perspectieven. En juist dat maakt zijn verhaal zo boeiend.


Naar aanleiding van: Jean-François Di Giorgio (scenario) en Looky (tekeningen), Shaolin 1: Het Kind van het Lot; inkleuring Oliver May; 2: Het Lied van de Bergen; inkleuring Luca Saponti; 3: Blinde woede, inkleuring Luca Saponti. Genk: Daedalus 2021, 2022 en 2025.

Knaapje met een muntje

Geldschmerz

En daar, nog even glinsterend, verdwijnt
ergens tussen stoeptegel en riool
de grijpstuiver, het smalle muntje,
nauwelijks waard om voor te buigen
maar zie hoe vreselijk het je tart
door zich van je af te willen scheiden.

Wat weegt zo’n ding nou helemaal?
Wie weet van zwaarte en waarde?
Stuiterend sleept hij mijn beheersing mee,
de zuinigheid van vorige geslachten,
mijn oplettend en optellend ouderpaar
altoos meeloerend over mijn schouders.

Waar is de manager van dit bedrijf?
Iedereen zwijgt, Trump, Vladimir Vladimirowitz.
Ik peuter met een stok tussen de tegels,
kniel voor het kleine dat ik eer.
Wie nu niet poert zal meer dan poen verliezen,
dan dooft het licht.

En als ik na het wroeten opkijk
zie ik hem in mijn jongste dagen:
het knaapje met het muntje,
zijn opluchting een schat in zijn hand.
Weg met de woede om de wereld!
Het universum is voorgoed geheeld!

Ik moest lachen om de slotzin van de derde strofe: “Wie nu niet poert zal meer dan poen verliezen, dan dooft het licht.” Rob Schouten kent de klassiekers van de Nederlandse poëzie. Hij is schrijver, columnist, criticus, hij heeft de leeftijd om veel gelezen te hebben (geboren in 1954). Dus kent hij het bekende vers van Hendrik Mattheus van Randwijk (1902 – 1966) dat eindigt met deze slotwoorden: “… en volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.”

Van Randwijk is tijdens de bezettingsjaren tot twee keer toe gearresteerd door de bezetter wegens het verschaffen van onderdak aan joodse burgers. In de loop van de oorlog werd hij vanwege zijn denkbeelden én verzetsactiviteiten de meest gezochte Nederlander. Hij weet wat het is om voor de grote waarden van het samenleven te strijden: vrijheid voor en met elkaar is ‘meer dan lijf en goed’. 

Zo is ineens het muntje dat bij de ik-figuur in Schoutens gedicht uit de hand glipt een symbool geworden. Of beter: het zoeken ernaar. Wie dat nalaat, negeert het voorgeslacht. Kan zich niet klein maken. De mannen met de grote monden – in onze jaren Donalds Trump en Vladimir Poetin – missen elke vorm van bescheidenheid. En helpen daarmee de wereld naar de knoppen. Wie dat afkeurt staat voor de opdracht om in je eigen kleine werkelijkheid die bescheidenheid wél te tonen: zoek dat muntje-van-niks op. Je heelt er het universum mee.

“Wie één mens redt uit de nood, redt de hele wereld” Stammend uit de Joodse traditie (Misjna/Talmud) klinkt deze uitspraak eerst in een context van de verantwoordelijkheid van rechters bij een rechtszaak over leven en dood. Dat wie één mens doodt, wordt gezien alsof hij een hele wereld vernietigt. En wie één mens redt, wordt gezien alsof hij een hele wereld redt. De redenering is dat ieder mens een unieke wereld vertegenwoordigt; het leven van één persoon heeft intrinsieke, onschatbare waarde. (Terzijde: een zeer vergelijkbare formulering komt ook voor in de Koran (5:32), waarschijnlijk beïnvloed door dezelfde joodse traditie).

En zo is het opzoeken van een onbeduidend muntje iets wat groot loon oplevert: opluchting en een heerlijke verbinding te ervaren met je jeugd, toen je ouders nog leefden: ‘het knaapje met het muntje’ is symbool van hoop.


Naar aanleiding van: Rob Schouten, ‘Geldschmerz’,  In: Idem, Sanctus. Amsterdam/Antwerpen: Arbeiderspers, 2025, 58

Een volk dat voor tirannen zwicht

Allen, die hier tesamen zijn,
de levenden, de doden,
de handbreed, die ons scheidt, is klein,
wij zijn tesamen ontboden voor het gericht …

Gedenk de liefste, die hier ligt,
de broeder, vrind of vader,
maar gun Uw ogen wijder zicht,
aanzie het land en alle mens tegader,
hoor dit bericht:

Wij staan tesaam voor het gericht
voor goed of kwaad te kiezen,
een volk dat voor tirannen zwicht,
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht.

Ik wens jullie vrede

Ik wens jullie vrede

Ik vroeg een kind wat vrede is. Ze zei:
Als er geen ruzie is. Ik vroeg het
aan een oude man. Hij zei: Als ze niet schieten.

Ik dacht: Wat niet is, lijkt duidelijk
maar wat is het dan wel? En las hoe Jezus
na het graf het midden van zijn vrienden

zoekt: zonder verwijt tot drie keer toe
een vredeswens. Ik dacht: dat hij nog gaat
na hun verraad. En las hoe hij zijn kracht

in wonden toont. Ik dacht: Hoe kan een mens
in vredesnaam zo leven? En vroeg aan hem
wat vrede is. Hij blies en zei: Ontvang mijn geest.

Fiet van Beek

Er gebeurt iets bijzonders in dit gedicht. De dichter wijst een weg om te gaan met zoeken naar een antwoord op een levensvraag. Wat is vrede? In deze vier strofen lopen we als lezer de weg van dialoog naar bezinning, via lectuur naar bezinning om uitgekomen bij ontmoeting met de Heer. En dan?

De eerste strofe vertelt eenvoudig hoe je wijsheid bij je medemens zoekt. De jonge naaste en je oude naaste. Het begin van het bedreigde leven en het einde ervan. Geen ruzie is het antwoord in kindermaat, de volwassen versie weet van de vernietigende inslag van bommen en granaten. Twee keer wat vrede niet is: ruzie, oorlog. Eenvoudig herkenbaar.

Het is onbevredigend om alleen te zeggen wat iets niet is. Vrijheid – ander voorbeeld – is niet het ontbreken van gevangenschap, het is volop tot ontplooiing komen en je bestemming vinden. Blijdschap is niet het afwezig zijn van verdriet. Het gaat om de positieve sensatie van verbinding, vervulling, vitaliteit. Al eeuwen zoekt de mens naar antwoorden op de eeuwige vragen: wat is waar, wat is goed, wat is schoon, wat is recht? Het mooie van strofe 2 is dat we uit de onderlinge dialoog en de menselijke rationaliteit van het denken worden getrokken naar het verhaal van Jezus.

Johannes 20 ligt open. Op de avond van de eerste dag van de week zijn de leerlingen van Jezus bij elkaar. Op vrijdag is Jezus gekruisigd. Verraden door vriend en vijand, overgeleverd aan het kwaad. Zaterdag was in stille verbijstering voorbijgegaan. Dan komt het bericht dat het graf leeg is. De spanning stijgt op zondag. De deuren zitten op slot – voor de zekerheid. “Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’” (20,19) Jezus zoekt zijn vrienden op. Dat leest de dichter goed. Drie keer een zegenwens en, nu je het zegt, geen verwijt. “Ik dacht: dat hij nog gaat/na hun verraad.’ De mooiste zin van het hele gedicht. Verbazingwekkend inderdaad.

Je leest verder. Thomas mag de wonden zien en aanraken. “Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij.” (20,27) De lectuur van het heilig evangelie zet het denken niet uit. Het denken vraagt. Denkend ben je verwonderd bij dit verhaal. “Hoe kan een mens in vredesnaam zo leven?” Het woord vrede begint te resoneren in het verhaal van Jezus. Zo vredelievend kunnen zijn, naar mensen die jou hebben verguisd en uitgestoten? Hoe kan een méns zo leven? De vraag naar vrede is geen vraag naar een definitie. Vrede is geen concept. De vraag naar vrede is de vraag naar de mens. Naar ons en ons gedrag.

Dan de ontknoping in de laatste strofe. Dialoog is mooi, denken is fijn, de heilige boeken blijven fascineren, maar er is nóg een weg; de ontmoeting met de Heer zelf. Het staat er bijna prozaïsch: ‘En vroeg aan hem wat vrede is.’ Hoe vraag je wat aan Jezus? De weg van gebed en ervaring. Mystiek? Ja, maar niet alleen. Want er komt een antwoord uit de lezing binnenwaaien. “Ontvang mijn geest” Dat is uit Johannes 20,22. Dit Bijbelwoord komt aangewaaid, toe-ge-ademd door de Heer zelf. Hij blies, zoals de Schepper de eerste mens tot leven blies. (Genesis 2,7) Zo werd de mens een levend wezen.
Hoe zoiets gaat? Het is niet te protocolleren. Geen mechaniek om te onthullen. Toch mystiek, ja. Op Gods tijd. Voor wie erop willen wachten.

Je zou bijna verwachten dat een strofe 5 opent met ‘Ik dacht…’ Dat doet Fiet van Beek niet. Want dat is het huiswerk voor de lezer. Wat gebeurt er met je als die geest van Jezus om je heen begint te waaien? Als je die inademt? Ik vermoed dat het je een mens maakt die in naam van de vrede wil leven. In vredesnaam een vredestichter. Was dat niet iemand die de gelukwensen van de Heer meekreeg? (Matteüs 5,9) De vraag naar het ‘idee’ vrede is ineens omgezet naar de impuls om vrede te brengen. Zonder verwijt. Zoals Jezus.
Vrede is een gift.
Tjonge.


Naar aanleiding van: Fiet van Beek, ‘Ik wens jullie vrede’ In: Ik blijf van Hem dromen: Het leven van Jezus in gedichten, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Utrecht: KokBoekencentrum 2019, 100. Oorspronkelijk opgenomen in: Ria Borkent en Jaap de Gier (red), Schriftgedichten: Poëzie bij het kerkelijk jaar. Heerenveen: Royal Jongbloed, 2013.

Meer dan een tuin

Tuinier

Het kraakt in mijn stille bomen
en zacht gaan hun knoppen kreunen
wie wil hoort de bange geluiden
het houtige handenwringen
om al wat wij weer moeten doen
mijn slakken mijn vogels mijn stekken
de torren het gras. Het fijne vertakken
het boren en zingen het gaat in de wind
in de doem van het even paren
om open te springen en spelenderwijs
zijn slag te slaan in het groen
vervolgd te zijn in de blaren.

Ed Leeflang, Gaandeweg, 36

Het gedicht Tuinier is een compact en weerbarstig stuk taal, waarin stilte, arbeid en vergankelijkheid onder één noemer vallen. De vorm en interpunctie spelen daarbij een beslissende rol. De dichter plaatst slechts twee punten: één na regel 7 en één aan het einde. Dat is opvallend in een tekst vol opsommingen en wendingen. De afwezigheid van komma’s dwingt de lezer tot een aarzelende, zoekende leeshouding. De regels ademen zelf: elke afbreking fungeert als ademteken. De enige echte zinbreuk – bij de punt in regel 7 – markeert een omslag. Daar begint niet zomaar een nieuw beeld, maar een nieuwe toestand: wat eerst beschrijving was, wordt proces, bijna metamorfose.

Het eerste deel, van de hoofdletter tot de eerste punt, is beschrijvend. ‘Het kraakt in mijn stille bomen…’ Allitererende k’s en ‘houtig handenwringen’ zijn de taalmiddelen die ons meenemen in iets moeizaams. Wat er precies kraakt gaat we nog horen maar helder is in elk geval dat het gaat over de bomen van iemand: ‘mijn stille bomen’.  Of we hier te maken hebben met concrete objecten in de tuin van de ik-figuur of een beeldsprakige aanduiding van iets van zijn lichaam of geest of nog bredere leven, we laten het even open. Hij beschrijft dat het kraakt.
Het tweede werkwoord dat de ik-figuur gebruikt is ‘kreunen’. Nu worden lezers betrokken, ‘wie wil’ hoort bange geluiden in hout. En we krijgen er nu de reden bij geserveerd: deze geluiden zijn er omdat wij weer iets moeten doen, ‘al wat’. Onbepaald en vaag beschreven. En vlak voor de eerste punt blijkt het niet alleen de bomen van de ik-figuur betreft. Nee, hij heeft ook slakken, vogels, stekken, torren en het gras. Kortom, we hebben een klein ecosysteem aangetroffen. Het is stil maar de stilte wordt verbroken door bange geluiden van dat ecosysteem. Is de tuin een miniatuur van het menselijk bestaan: stil, maar vol onrustige, noodlottige activiteit? We zijn aangesproken als lezers en ‘wij’ moeten weer wat doen. Ik denk dus ja.

De tweede zin vertelt wat het effect is, het resultaat van dat ‘doen’ wat gedaan moet worden. De geluiden blijken te maken hebben met ‘paren’ (regel 9), dat maar kort duurt maar niettemin veel effect heeft. De taal wordt dynamischer: ‘Het fijne vertakken / het boren en zingen’. Alles lijkt te bewegen, te willen leven. Toch blijkt die energie niet bevrijdend, maar gedreven door een onontkoombare natuurwet: ‘de doem van het even paren / om open te springen.’ Het paren als voortplanting kan ‘spelenderwijs’ een vreugdevolle bezigheid zijn (althans zo komt het voor bij mensen) maar nu gaat het over ‘de doem van het even paren’. Dat klinkt niet best. Het moet maar je wil het niet. Wie gedoemd is ondergaat een moeizaam lot, opgelegd door een hogere macht. Het staat parallel met ‘in de wind gaan’ uit de regel ervoor en dat klinkt als verwaaien. Er niet toe doen omdat je weggevoerd wordt en aan het zicht onttrokken. En zo moet de slotzin toch wat somber worden geïnterpreteerd lijkt me: je krijgt een vervolg in de ‘blaren’. Dat kan een samentrekking zijn van ‘bladeren’ maar ‘blaren’ als zelfstandig woord heeft ook de betekenis van blaasjes (op de huid), wat een extra laag toevoegt: iets pijnlijks, een verwonding die uit inspanning voortkomt. De schepping draait, en alles erin moet meedoen. De ik en zijn omgeving worden meegesleurd in een cyclus waarin leven onlosmakelijk met vergaan verbonden is.

De titel ‘Tuinier’ geeft dit alles een menselijk perspectief. Met die ene aanwijzing wordt de tekst gelezen als reflectie op het werk van de mens in zijn schepping, het zorgdragen voor iets wat hem tegelijk overweldigt.


Naar aanleiding van: Ed Leeflang, ‘Tuinier’ In: Idem, Gaandeweg. Gedichten, bezorgd en samengesteld door Judith Herzberg. Amsterdam-Antwerpen: Arbeiderspers, 2009, 36.