Meer god dan mens

De machtigste mens op het dorp was de hoefsmid.
Hem bracht een boer zijn paard om te beslaan,
een merrie of een ruin en soms een hengst,
die om zijn kuren werd gevreesd.
Zo’n paard, dat met een klap of stamp
een man vermorzelen kan, tilde zijn poot
gehoorzaam in de holte van zijn hand,
want hij behoedde hem voor struikelen op al zijn wegen.
Hij was niet groot of bovenmate sterk, de smid,
maar voor het paard meer god dan mens.

“Want nu zegt de zwakke: ik ben sterk; zegt de arme: ik ben rijk, om wat de Here heeft gedaan, voor ons.” Het is een liedregel uit Opwekking 331 (Breng dank aan de Eeuwige) die makkelijk blijft hangen. Toch is de inhoud allesbehalve eenvoudig. Het is de woordkeus van de paradox. Het kan logisch niet samengaan en toch benoem je dit als de waarheid: als ik zwak ben, ben ik sterk; als ik arm ben, ben ik rijk.
In het christelijk geloof is dat een adequate reactie op de gelukwens van Jezus. Gelukkig jullie die arm zijn, want voor jullie is het koninkrijk van God. (Lukas 6,20) In de liedregel is de toekomst vandaag aan de orde. Dat is geloofstaal die durft.
En die gelukwens van Jezus gaat terug op het patroon van Gods werk van alle tijden. Hij doet het paradoxale leven voor, in Jezus. Jezus Christus laat zich wegdrukken, negeren, bespotten, ja zelfs arresteren en kruisigen – terwijl Hij niemand minder is dan de Eigenaar van mens en wereld. Hij kwam tot wat van Hem is maar zij hebben Hem niet met alle respect ontvangen. (Johannes 1,11) Daar loopt elk verzet op stuk. De machthebbers krijgen Hem niet echt in de vingers. De dood kan Hem niet vasthouden. De duivel wordt van de troon gestoten (Hebreeën 2,14). En vijanden komen tot bekering. De man die de gemeente van Christus vervolgt wordt tot een gehoorzame ambassadeur van diezelfde Christus omgevormd. (Handelingen 9)
Wat is dat toch, die weerloze overmacht van de Heer?

Deze vraag krijgt een bewonderde variant in het gedicht van Koos Geerds. De sterke invalshoek is dat dit gedicht het begrip macht volledig omdraait. De ‘machtigste mens’ is niet de burgemeester, de dominee, de landeigenaar of de rijke boer, maar de hoefsmid. “Hem bracht een boer zijn paard om te beslaan…” Prachtig met dat ‘Hem’ voorop.
Waarom de hoefsmid? Niet omdat hij brute kracht bezit. Hij dient het paard. “Want hij behoedde hem voor struikelen…” Dat is de taal van Gods Woord: “De enige God, die de macht heeft u voor struikelen te behoeden…” (Judas 24) Zo praat je over de Almachtige. Dat zien we terug in die hoef en de hand. Het is loepzuiver geobserveerd. Want het gaat om paarden die om hun kuren angst aanjagen. Met een klap of stamp van zo’n paard is een man tegen de aarde geslagen. Dat sterke dier tilt zijn poot op en legt die in de holte van de hand van de hoefsmid. Gehoorzaam. Omdat hij hem vertrouwt. De smid beheerst het paard niet door angst, maar door dienst. Macht ontstaat hier uit zorg. En daarom is de smid inderdaad het beeld van de God van de Bijbel: Hij is ‘meer god dan mens’.

Ik las kort geleden weer Psalm 68. Een uitbundig lied over de overwinning van God. Hij ‘verplettert de hoofden van zijn vijanden, de harige schedels van wie met schuld beladen zijn’ (22) en intussen weet de rechtvaardige zich veilig bij deze ‘vader van wezen, beschermer van weduwen’ (6a). Die twee dingen hebben dus alles met elkaar te maken: wie God heeft leren kennen als de God die je voor struikelen kan behoeden, die mag weten dat de bruten die over lijken gaan, aan deze God een harde dobber hebben.


Naar aanleiding van: Koos Geerds, ‘De machtigste mens op aarde was de hoefsmid’ In: idem, Staphorst. (3e druk) Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1998, 37.

Waarom Joconde nog altijd prikt

In 1665 publiceerde Jean de La Fontaine een verhaal dat tegelijk geestig, elegant, schandalig en ontluisterend was. Joconde behoort tot zijn minder gelezen werk — overschaduwd door de beroemde fabels — maar het is misschien juist een van zijn modernste teksten. Niet omdat het verhaal moreel vooruitstrevend is. Integendeel. Het confronteert de lezer met een ongemakkelijke vraag: wat blijft er van liefde over wanneer trouw een illusie blijkt?

Voor hedendaagse lezers, mannen én vrouwen, is dat nog steeds herkenbaar terrein. Niet alleen vanwege overspel, maar vanwege de spanning tussen romantische verwachtingen en menselijke werkelijkheid. Dat maakt Joconde meer dan een pikant verhaal uit de zeventiende eeuw. Het is een scherpe ontleding van verlangen, jaloezie en de manier waarop mensen zichzelf troosten wanneer liefde tegenvalt.

Waar komt het verhaal vandaan?
La Fontaine vond het verhaal niet zelf uit. Hij baseerde zich op een episode uit Orlando Furioso van Ludovico Ariosto. Maar hij deed iets wat grote schrijvers vaker doen: hij gebruikte een bestaande vertelling als grondstof en maakte er iets nieuws van. Dat leidde onmiddellijk tot ruzie. Sommigen vonden dat hij Ariosto had verrijkt; anderen dat hij het origineel had verminkt. Die controverse zegt iets wezenlijks over La Fontaine. Hij was geen kopiist maar een stilist. Zijn kracht lag niet alleen in het verhaal zelf, maar in de toon: lichtvoetig, ironisch, speels, alsof hij voortdurend met een opgetrokken wenkbrauw naar de lezer kijkt.

Wat voor verhaal is het?
De beeldschone koning Astolfo hoort dat er ergens een nóg mooiere man leeft: Joconde, pasgetrouwd en woonachtig in Rome. Wanneer Joconde onderweg naar het hof even terugkeert naar huis omdat hij een vergeten armband wil ophalen, ontdekt hij zijn jonge vrouw in bed met een lakei. Zijn wereld stort in. Niet alleen zijn hart breekt — zijn schoonheid verdwijnt bijna letterlijk van zijn gezicht. Dat detail is veelzeggend. Bij La Fontaine is liefde nauw verbonden met ijdelheid. Joconde lijdt niet alleen omdat hij verraden is, maar ook omdat zijn zelfbeeld instort. Hij dacht bijzonder te zijn. Uitverkoren. Onaantastbaar.
Pas later vindt hij troost, en die troost is bitter. Hij ontdekt namelijk dat zelfs de koningin haar echtgenoot bedriegt — en niet eens met een aantrekkelijke rivaal, maar met een mismaakte dwerg. Op dat moment verschuift het perspectief. Het probleem is niet langer persoonlijk; het blijkt universeel. Daar klinkt ook de beroemde passage uit het verhaal:

“Het weze ons een zoete troost. Een zal het anders wezen.
Dan komt een nieuwe tijd, je kunt het in de sterren lezen
dat eens de fakkel van de liefde enkel nog het vuur
verwekt in ’t hart van kuise vrouwen, eerbaar van natuur.”

Waarom is het verhaal cynisch?
Het is een ironisch fragment. La Fontaine doet alsof hij verlangt naar een toekomst van volmaakte trouw, maar de ondertoon zegt precies het tegenovergestelde: verwacht het vooral niet. Vanaf dat moment verandert Joconde in iets onverwachts. Het verdriet van de twee mannen slaat om in cynisch avontuur. Astolfo en Joconde trekken incognito rond, verleiden vrouwen en houden een register bij van hun veroveringen. Het “boek vol namen” is tegelijk komisch en triest. Het lijkt vrijheid, maar eigenlijk is het compensatiegedrag. Hun gekwetste trots wordt verdoofd met aantallen.
Juist daar begint het verhaal modern aan te voelen. Want onder de speelse oppervlakte legt La Fontaine een mechanisme bloot dat nog altijd bestaat: mensen die teleurgesteld raken in liefde, reageren vaak niet met verdieping maar met afstand, ironie of consumptie. Alsof hechting zelf het probleem is.

Waarom is het verhaal dubbelzinnig?
Toch ondergraaft La Fontaine ook zijn eigen personages. Zelfs hun vermeende ideale oplossing — samen één vrouw delen — mislukt. Ook zij ontvangt stiekem een andere minnaar. De mannen merken niets. Hun poging om controle te krijgen over verlangen blijkt lachwekkend naïef.
Het slot van het verhaal is daarom dubbelzinnig. Astolfo en Joconde keren terug naar huis. Hun vrouwen ontvangen hen liefdevol. Iedereen hervindt zijn rust.
Maar dan volgt die venijnige laatste draai:

“Zo komt het dat voortaan de beide echtelieden
weer heel gelukkig en tevreden al hun dagen sleten,
en ook hun nachten, want die het soelaas te bieden
van een gelukkig paar dat zich bezadigd nedervlijt.
De koningin vervulde steeds haar plicht vol tederheid
en ook Jocondes vrouw begon haar man weer te verwennen.

Hetzelfde doen nog zoveel anderen die wij niet kennen.”

Welke moraal deelt het verhaal ons mee?
Dat laatste zinnetje verandert alles. La Fontaine suggereert dat de schijn van harmonie eenvoudig terugkeert zodra iedereen besluit bepaalde dingen niet meer al te serieus te nemen.
Daar ligt ook de kern van de morele provocatie van Joconde. Het verhaal zegt niet: mensen zouden ontrouw moeten zijn. Het zegt iets veel ongemakkelijkers: mensen zijn ontrouw, overal en altijd, dus bouw je leven niet op illusies. Daar wringt toch iets fundamenteels? Want de vrouwen in het verhaal krijgen nauwelijks een eigen innerlijk leven. Ze functioneren vooral als object van begeerte, verraad of wraak. Hun verlangens worden niet onderzocht; ze worden geconstateerd. Dat maakt het moeilijk om Joconde vandaag nog onbevangen te lezen.

Waarom blijft het verhaal interessant?
Tegelijk verklaart juist die ongemakkelijkheid waarom het verhaal interessant blijft. Het legt een wereldbeeld bloot waarin liefde uiteindelijk door natuurdrift wordt bestuurd. De vraag is dan: geloven wij dat eigenlijk nog? Humanistische denkers zouden daar stevig tegenin gaan. Vanuit humanistisch perspectief is het scoreboek van Astolfo en Joconde niet bevrijdend maar juist leeg: veel lichamen, weinig ontmoeting. Ook religieuze tradities botsen frontaal met La Fontaines fatalisme. In het christendom is trouw geen naïeve verwachting maar een verbond dat juist standhoudt wanneer verlangen fluctueert. Het boeddhisme zou dan weer zeggen dat bezit en begeerte zelf het probleem vormen — maar niet om cynisch te worden, eerder om lief te hebben zonder toe-eigening.
Daarmee raakt Joconde aan een vraag die veel dieper gaat dan overspel: kan een mens moreel groeien, of blijven wij uiteindelijk gevangenen van drift en ijdelheid? La Fontaine lijkt te antwoorden: accepteer de menselijke natuur en maak het jezelf niet te moeilijk.
Maar misschien ligt precies daar de reden waarom het verhaal blijft steken in het geheugen.
Omdat wij ergens hopen dat hij ongelijk heeft.


Naar aanleiding van: De verhalen van La Fontaine, vertaald door Jan van den Berg. Leuven:  Davidsfond/Clauwaert, 1996.

Neem niet teveel mee

You don’t have to carry much through life
It’s much better when you travel light
Travel light, travel light, travel light
That’s right

Alles in de kleine auto
Op vakantie gaan is de kunst van zo goed mogelijk kiezen wat je meeneemt. Wij hebben een kleine auto en wij willen geen dakkoffer of aanhangwagen mee. De tent, de stoelen, de gasfles, de kleding, de kussens, een tafeltje en zo meer en zo verder – het moet allemaal vakkundig worden ingepakt in een kleine ruimte. Een deel van de ruimte voor boeken kon worden omgezet naar een e-reader, maar het was ook tijd om te beslissen dat we geen barbecue meenemen, geen straalkachel, niet veel specifiek Hollands eten. We gaan weg en kijken wat we aantreffen in het land van aankomst.

Druk om zwaar te worden
Als het leven hier op aarde een voorbereiding is op een reis naar later, dan geldt ook daarvoor de vraag: hoe zwaar beladen ga je door het leven? Chi Coltrane geeft het duidelijke advies: reis licht. Niemand verplicht je je bepakking steeds zwaarder te maken.
Ik ben het met haar eens. Tegelijk: er bestaat zoiets als sociale druk. Neem de welstand waarin mijn geliefde en ik leven. We hebben allebei een goed inkomen. Wij wonen in een Vinexwijk met een burgerlijke standaard over inrichting en tuinbeheer. Wij voelen ons comfortabel om een goed deel van ons geld te besteden aan woninginrichting, uitgaan, boeken en kleding. Dat we daarnaast ook veel weggeven en (financieel) garant staan voor onze kinderen, neemt niet weg dat ik me intussen afvraag hoe zwaar mijn levenslast is.

Chi Coltrane profeteert
Vraag ik me voor het eerst af of het permanent consumeren een goed idee is? Welnee, profeten genoeg hebben mij in het leven gewaarschuwd. Chi Coltrane voegt zich in die rij, als zij verder zingt:

Someday you will surely come to know
I don’t want to say I told you so
But it’s true, yes it’s true, oh it’s true
It’s true

Er komt een dag waarop ik zal ontwaken uit de droom van welstand en geluk. Dat is wat zij me voorspelt. Vast, en als zij dan mompelt: ‘ik heb het je gezegd’, dan geef ik haar direct gelijk. Het innemende van Chi is dat zij dat wil voorkomen: ‘I don’t want to say I told you so’. En dat heeft voor haar wel een diepere motivatie: als je het leven beschouwt als het bewonen van een huis, dan is het ontdekken van de bovenverdieping time-outmoment.

Bezinning ingezet
Nu ik er even bij stil sta: wat zou ik kunnen missen? Ik hecht niet aan veel kleding. Een auto boeit me ook weinig. Wij eten sober. Maar uitgaan heeft voor mij grote waarde. Om te ontspannen en de wereld te exploreren. Boeken kopen, gedichten lezen, strips verzamelen. Ik besteed daar fors geld aan. Ik kan het uitleggen, waarom ik het belangrijk vind, maar is het (net als uitgaan) niet iets dat me te zwaar maakt? Kan wat waardevol is, toch ballast worden?

When you finally reach the upper floor
Take the key that opens up the door
Nothing more, nothing more, nothing more
What for?

Leven van genade
De zolder van het leven, hoe gaat die open? Het kan niet anders of Chi bedoelt het hemelrijk. De Heer Jezus Christus heeft eens gezegd dat een rijke moeilijker het rijk van God binnengaat dan dat een kameel door het oog van de naald komt. (Matteüs 19,24)
Ik weet het antwoord: Christus opent en dat doet Hij graag en genadig. Hij kan ook sluiten voor wie niet door Hem genadig behandeld wil worden. Dát is het vormingsproces van ons leven tot aan de hemelpoort. En inkomen, consumptie en weggeven zijn de toets-momenten.
Ik blijf het moeilijk vinden om te minderen met kopen. Wat is dat toch?
Ergens rechtvaardig ik mijzelf. Het zal toch wel meevallen, denk ik dan, als ik bij de bovenverdieping aankom. Dan laat ik alle ballast los.

Kom je ermee weg?
Maar of het werkelijk zo zal zijn…? Kom ik weg met m’n uitstelgedrag? Het helpt misschien als ik de waarde van mijn uitgaven blijf doordenken. Als ik mijn geest verruim door lezen, en die verruimde blik inzet in gesprekken met mensen dan wordt waarde toegevoegd. Als ik de balans tussen ontvangen en weggeven laat doorslaan naar het eerste – dan neem ik waarde weg, vooral in mijn eigen vorming. Zou de Heer niet dat bedoelen: maakt dit mij vrijer voor God en de ander? Of afhankelijker van bezit en ervaring?
Straalt er genade door mijn welstand heen?

You don’t have to carry much through life
It’s much better when you travel light
Travel light, travel light, travel light
That’s right


Naar aanleiding van Chi Coltrane, ‘Travel light’, van het album Silk and Steel, 1981.

Chi Coltrane – Reis licht

Je hoeft niet veel mee te sjouwen in het leven
Het is veel beter als je licht reist
Reis licht, reis licht, reis licht
Zo is het

Ooit zul je het zeker weten
Ik wil niet zeggen dat ik het je gezegd heb
Maar het is waar, ja, het is waar, oh, het is waar
Het is waar

Als je eindelijk de bovenverdieping bereikt
Neem dan de sleutel die de deur opent
Niets meer, niets meer, niets meer
Waarom?

Je hoeft niet veel mee te sjouwen in het leven
Het is veel beter als je licht reist
Reis licht, reis licht, reis licht
Zo is het

Bidden met verbeelding

Bidden I

Bidden was met je knieën op de grond,
je hoofd voorover in een warme stoel;
het pluche gaf je een diep vertrouwd gevoel,
iets van een antwoord voor je open mond.

Bidden was je handen voor je ogen, maar
daar sprongen witte sterretjes doorheen.
Zo zag je maar: God liet je nooit alleen,
hij was de grote verre tovenaar.

Bidden was vader, moeder, allemaal;
de meester, zieltjes in het vagevuur;
de zondaars en om Jacob; moedertaal
als zoen en welterusten op den duur;
gewoon als veertien engelen op wacht
en vader rondgaand in de grote nacht.

Bidden onder dreiging
“Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe, Here houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.” Dat hebben mijn ouders mij leren bidden. Ik heb niet veel actieve herinneringen aan mijn vroegste gebedspraktijk maar wel dat er iets vredigs ontstond. Dat hebben mijn geliefde en ik ook willen overdragen aan onze kinderen toen wij hen leerden bidden: “Je hoeft niet bang te zijn, als oorlog komt of pijn, de Heer zal als een muur, rondom je leven zijn.” De levenssituatie bleef ongewijzigd: wij en onze kinderen leven in een dreigende omgeving. Goddelijke bescherming is nodig. Dus vraag je erom elke dag om.

Kinderlijke verbeelding
Michel van der Plas vertelt in dit gedicht hoe het voor hem was, dat kinderbidden van vroeger. Hij weet het vertrouwde gevoel mooi onder woorden te brengen. Het slot is ontroerend én onthullend. Bij terugblik is het natuurlijk vader geweest die de veiligheid waarborgde. De aardse vader, wel te verstaan. Want God was er wel, maar toch als ‘de grote verre tovenaar’. Het gedicht laat heel mooi zien hoe kinderlijke verbeelding zich aan de vaste woorden heeft gehecht. Want zonder dat we de tekst horen die de kleine Michel uitsprak, het zijn de vaste rijtjes geweest die er onderdeel van uitmaakten – zoveel is wel duidelijk: vader, moeder, de zieltjes in het vagevuur… iedereen werd aan de Heer opgedragen. En verder maakte het kind z’n beeld: de witte sterretjes bij je samengeknepen ogen vallen naadloos samen met de immense kosmische sterrenwereld. En zoals de tovenaarsleerling van Walt Disney een serie sterren rond zijn toverstokje laat schitteren, zo is de Here God omringd door talloze sterren.

Herhaling en de mythe
Wat ik me heb afgevraagd is: is het nu eigenlijk zoveel anders in mijn gebedsleven? Ik ben volwassen en heb een redelijk goede regelmaat in het bidden. Ik sluit mijn ogen, kniel neer en ik begin: “Heer open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen. Van zonopgang tot zonsondergang moet Uw naam worden geloofd.” Als ik voor de buren bid, zie ik hun profielen voor me. Als ik voor de overheden bid, koning, koningin, de Zwolse burgemeester. Als ik God aanbid en bewonder, ja wat zie ik dan eigenlijk? Vooral de menselijke Jezus en dat beeld is gevormd door talloze visualiseringen door de jaren heen. Verbeelding, we kunnen niet zonder. Is het niet juist de grote waarde van een veilige jeugd als je daarin de beelden leert maken die je leven mee kunnen?
Gebed als ritueel leeft van de herhaling en mythe. Mythe is misschien een beladen term? Roept het de gedachte op dat het ‘niet echt gebeurd’ is? Laat ik het dan een verhaal noemen: de waarheid komt namelijk in verhalen over God en mens naar ons toe. Het gaat er mij om dat we als kwetsbare mensen ons opgenomen weten in het bevrijdende verhaal van de Heer die het kwaad overwint. Hij is in deze wereld gekruisigd – zo bedreigend was het ook voor Hem. Hij verrees en laat zijn Geest wonen in bedreigde kinderen en ouderen. Daarom zegt Hij zijn bescherming toe. Hij herhaalt uitentreuren: je hoeft niet bang te zijn. Zo wordt het gevoel van veiligheid het effect van goddelijk werk. Precies waar je om bidt.

Volwassen én kind
Is dit projectie? Nou en of, hoe zou het anders kunnen? Ik weet wel dat deze typering vaak een negatief oordeel is. Dan is het dus niet waar en ben je als volwassen mens niet geloofwaardig. Je doet kinderlijk (en eigenlijk vinden ze dan dat je dit kinderen ook niet mag leren).
Is het kinderlijk? Ook – en wat is er mis mee? Ik heb intussen geleerd dat we allemaal het kind in ons meedragen. Als wij het niet bewust zijn, heb je er meer last van dan wanneer je het eerlijk toegeeft. Bovendien, we leven allemaal in gemeenschappen met verhalen. Beelden veranderen bij het volwassen worden. De geloofsgemeenschap kadert en corrigeert. Dat is allesbehalve vrijblijvend.
Ben ik dan te weinig volwassen? Nee, integendeel. Het geregelde moment van veilige verbeelding geeft me alle ruimte om volwassen gelovige te zijn. Sterker, ik geloof dat God verbeelding gebruikt om bevrijding ook in het gevoel te laten landen. Als God incarneert, dan werkt Hij per definitie via menselijke vermogens — inclusief verbeelding, herinnering en affect. Dan is ‘projectie’ niet het probleem, maar het materiaal waarmee God werkt. Het is zijn kenmerkende werkwijze: in het menselijke binnenkomen en daar de volwassen vrijheid tot stand brengen.

Michel van der Plas schrijft het gedicht in de verleden tijd. Het past helemaal in deze afscheid-nemen-van-het-geloofbundel. Ik ken van dichtbij mensen van wie de kindergebeden de laatste waren die zij zongen. Soms gaat dat samen met een afwijzing van die kinderpraktijken. Dat hoeft niet en ik bewonder Michel van der Plas om dit gedicht – het is nergens bijtend.
En wat mijzelf betreft: Ik bid in de tegenwoordige tijd – met verbeelding.


Naar aanleiding van: Michel van der Plas, ‘Bidden I’ in: Idem, Korte Metten. Amsterdam/Brussel: Elsevier/Manteau, 1980.

Over sterretjes zien las ik (op de website: www.zeiss.nl):
“Wat gebeurt er precies als we sterretjes zien en waarom gebeurt dit? De meest voorkomende oorzaak is een plotselinge daling van de bloeddruk. Elke plotselinge beweging, zoals snel opstaan of hard niezen maakt dat er razendsnel bloed van je hoofd naar de rest van je lichaam stroomt. Tot het moment dat je bloeddruk stabiliseert hebben je hersenen en ogen tijdelijk te weinig bloed en zuurstof. Daardoor kan het netvlies niet normaal functioneren, en het netvlies stuurt deze informatie naar de hersenen. Dan begin je de veelbetekenende lichtflitsen of ‘sterretjes’ te zien. Als het gebrek aan zuurstof zich voortzet, komt je lichaam in de volgende fase, waarin de fotoreceptorcellen in het netvlies geen informatie meer naar de hersenen sturen. Dat is de fase waarin alles zwart wordt. Normaal gesproken wordt je gezichtsvermogen al snel weer hersteld. De symptomen verdwijnen zodra je bloed weer normaal begint te stromen.”

Vrouwenbesnijdenis

Geboren in een gevaarlijke wereld
Het is lente, het seizoen van het nieuwe leven. De wereld blijkt elk jaar weer een heerlijk vruchtbare plaats. Wie is niet vertederd door lammetjes in de wei en de jonge ganzen? De verwondering verdubbelt bij het zien van een nieuw mensenkind, jongen of meisje. Ouders stralen, grootouders glanzen, de omgeving feliciteert. Welkom in de wereld… vol gevaar! Dat laatste zeggen wij er niet bij. Maar als je geboren wordt als meisje dan loop je in bepaalde delen van de wereld een groot risico. Ergens in je jonge jaren kan het gebeuren dat ze je genitaal verminken. Je clitoris, de binnenste en buitenste schaamlippen worden weggesneden en je vagina dichtgenaaid. Zo zal je maagd blijven tot de man met wie je trouwen zal je openwringt of opensnijdt.

Een schokkend boek
Dit komt voor tot op de dag van vandaag. De Wereldgezondheidsorganisatie berekent dit voorjaar (2026) dat jaarlijks meer dan 4 miljoen meisjes het gevaar lopen besneden te worden. Meer dan 230 miljoen vrouwen leven met de gevolgen ervan. En het aantal verminkingen dat plaats vindt stijgt. Dit alles zou mij ontgaan zijn als ik het boek van Waris Dirie niet had gelezen: Mijn woestijn (dat zij schreef samen met Cathleen Miller). Het verbijsterende boek verscheen al jaren geleden (1998) en ook de verfilming ervan is al meer dan vijftien jaar geleden gemaakt (Desert Flower, 2009). Nu ik zowel boek als film tot me genomen heb, ben ik geschokt. Het is bijna niet voor te stellen dat ouders dit bij hun jonge dochters doen. En het is diep verdrietig dat het absolute aantal genitale verminkingen nog steeds stijgt.

Ongelooflijk verhaal
Wat is het verhaal van Waris Dirie? Zij loopt weg uit het Somalische nomadengezin waarin zij opgegroeid is. Zij heeft gehoord dat zij de vrouw zal worden van een man van zestig plus. Waris, geboren in 1965, is op dat moment dertien jaar. Haar vader zal vijf kamelen als bruidsprijs ontvangen en dat is niet niks. Haar moeder kan er niets aan doen – behalve zich niet verzetten tegen de vlucht van Waris. De jonge vrouw onderneemt een tocht die bijna niet te geloven is. Niet opgegeten door een leeuw, ternauwernood aan verkrachting ontsnapt, wonderbaarlijk haar familie gevonden in de grote stad Mogadishu. Dat is al heel wat. Dan krijgt zij de kans krijgen om hulp in de huishouding te worden van de Somalische ambassadeur in Londen. Zij blijft in de Britse hoofdstad als de ambassadeur teruggeroepen wordt. Bij nieuwe vrienden vindt zij opvang en zo krijgt zij de mogelijkheid om model te worden. Mooi zou je denken. Maar als een Engelse Nigel haar helpt aan een schijnhuwelijk in verband met een paspoort, loopt dat uit op een vervelend drama. Intussen boekt Waris succes en is er voor haar zelfs een kleine rol als Bondgirl in The Living Daylights, met Timothy Dalton als James Bond (1987). Hoe kan het allemaal? Maar het verhaal is niet bedoeld als illustratie van het motto: wie doorzet kan alles. Het is uiteindelijk de doorbraak van het verhaal over haar genitale verminking. Als dat via de Marie Claire wereldbekend wordt, krijgt Waris Dirie de uitnodiging om VN-ambassadeur te worden in de campagne tegen FGM: Female Genital Mutilation.

Culturele macht
In de film is dat ook de slotscene: Waris, die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toespreekt. Het is ontroerend uitgespeeld. Maar de meest ontregelende scene vond ik het moment waarop Waris ontdekt dat haar vriendin Marilyn niet besneden is. Zij dacht dat het normaal was. Het roept de emotie van deernis op: wat hebben je ouders met je gedaan, Waris!
Wat me ook raakte was dat Waris een schuldgevoel werd aangepraat door de Somalische mannelijke verpleger als zij zich laat onderzoeken door een Britse arts, dr. Macrae. De dokter wil zijn hulp aanbieden en vraagt vertaalhulp. Dan blijkt er alleen een mannelijke verpleger beschikbaar. “Hoe kan je dit doen?”, verwijt hij haar in het Somalisch. “Je maakt je ouders te schande!” Gelukkig laat Waris zich er niet van weerhouden de verminking zo goed mogelijk te laten herstellen. Maar het onderstreept de diepgewortelde culturele overtuiging in die Somalische nomadenwereld. De traditie bestaat al meer dan 4000 jaar. Het staat niet in Koran of Bijbel. Waris Dirie schrijft: “Het gebruik wordt gewoon in stand gehouden en opgelegd door mannen – onwetende, egoïstische mannen – die hun aanspraak op de seksuele gunsten van hun vrouw veilig willen stellen. … Moeders schikken zich hierin door hun dochters te besnijden, uit angst dat zij anders geen man zullen krijgen. Een onbesneden vrouw wordt beschouwd als smerig, oversekst en onhuwbaar. In een nomadische cultuur als die waarin ik ben opgegroeid, is geen plaats voor een ongetrouwde vrouw.”

Kritiek, begrip en een taak
Haar strijd tegen vrouwenbesnijdenis krijgt niet alleen bijval. “Omdat ik kritiek heb op het gebruik van genitale verminking van vrouwen, denken sommige mensen dat ik geen waardering heb voor mijn eigen cultuur. Daarin vergissen zij zich.” Waris vertelt hoe zij (afgezien van besnijdenis) blij was met haar leven in het gezin, de familie, met de geiten, de kamelen, de feesten, de saamhorigheid. Het was een puur leven, niet afgeschermd, in de open wildernis, je ontwikkelt het instinct om te overleven, je danst uitbundig als de regel valt, je hebt oog voor eenvoudige dingen, elke dag zorgen voor eten maakt je afhankelijk en inventief tegelijk. Zij kent de schaduwkanten van het Westerse leven, de leegte van de verslaving aan geld en spullen en het gebrek aan tijd. “Ik kon me voorstellen dat ze zouden zeggen: ‘Hoe durf je kritiek te hebben op onze oude tradities?’ Ik kon me voorstellen dat ze hetzelfde zouden zeggen als mijn familie, toen ik die in Ethiopië ontmoette: ‘Jij woont nu in het Westen en nu weet je ineens alles?”. En zelfs haar ouders neemt zij het niet kwalijk. “Mijn ouders waren allebei het slachtoffer van hun eigen opvoeding en de culturele gebruiken die duizenden jaren onveranderd in stand zijn gehouden.”
Maar op diezelfde laatste bladzijde van het boek klinkt het beslist: “De tijd is gekomen om de oude vormen van lijden achter ons te laten.”

Balans: actie blijft nodig
Als je probeert in de lente van 2026 een kleine balans op te maken, ruim vijfentwintig jaar na de publicatie van haar boek, dan is de winst eerst dit: van taboe is het geworden tot een wereldwijd erkend mensenrechtenvraagstuk. FGM wordt nu ondubbelzinnig gezien als schending van mensenrechten en vorm van gender-gerelateerd geweld. Dat was in 1998 nog lang niet zo breed erkend. Ook is het in meer dan 70 landen verboden. Maar de handhaving is vaak zwak en families wijken uit naar andere landen (‘cross-border FGM’). Het schrijnende is dat de praktijk een verschuiving laat zien: jongere meisjes (soms jonger dan 5 jaar) worden vaker besneden. En we zien een verplaatsing naar migrantengemeenschappen in Europa en de VS.
Waris Dirie is niet gestopt bij haar autobiografie — integendeel als VN-ambassadeur zette zij het onderwerp wereldwijd op de politieke agenda. Zij is oprichter van de Desert Flower Foundation. Die stichting richt zich op preventie, opvang van slachtoffers en onderwijsprogramma’s. Haar betekenis zit in het doorbreken van stilte en het in de media brengen van het probleem. Dirie heeft het verhaal verteld; instituties hebben het daarna moeten systematiseren.

Tegen-mythe als sleutel
“De tijd is gekomen om de oude vormen van lijden achter ons te laten.” Hoe moet je haar slotzin nu lezen? Een programmatische uitspraak, dat vooral. In 2026 kun je zeggen: Moreel: ja, die tijd is aangebroken. Feitelijk: nee, we zijn er nog lang niet. De realiteit is paradoxaal: er is meer bewustzijn dan ooit, maar miljoenen meisjes lopen nog steeds jaarlijks risico. FGM is als ritueel ingebed in gemeenschap, identiteit en culturele macht. De strijd ertegen is dus niet alleen juridisch, maar cultureel en narratief. Dirie’s verhaal functioneert als tegen-mythe: van “dit hoort bij ons”, naar “dit vernietigt ons”. FGM verdwijnt niet door wetten alleen. Het zit verankerd in identiteit en eer. Daarom ligt de sleutel in verhalen: wie het verhaal verandert, verandert de praktijk.
En dat wens je onze wereld toe, in deze mooie lente, met jong nieuw leven.


Naar aanleiding van: Waris Dirie en Cathleen Miller: Mijn woestijn: Ervaringen van een nomadendochter, topmodel en speciaal VN-ambassadeur. (2e druk) Amsterdam: Arena, 1998. Oorspronkelijke titel: Desert Flower, 1998. Vertaald door Jorien Hakvoort en Albert Witteveen.

Voor het rapport van Unicef 2024, klik hier.
Het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie vind je hier.
De film Desert Flower is helemaal op YouTube te bekijken, klik hier.
Voor het dossier over de film in de International Movie Database, klik hier.
Soraya Omar-Scego speelt de rol van Waris Dirie.

Bij de Trivia is het volgende verhaal te lezen:

“Het meisje dat werd uitgekozen om de jonge Dirie te spelen tijdens haar vrouwelijke genitale verminking is Safa Idriss Nour. Zij werd geselecteerd op voorwaarde dat haar ouders een contract zouden ondertekenen waarin ze beloofden nooit dezelfde rituele ingreep bij haar te laten uitvoeren. Dirie’s nieuwe boek [Onze verborgen tranen] begint in 2011, vier jaar nadat het contract met Nours ouders was getekend, toen ze een brief van het meisje ontving waarin haar ouders aangaven dat ze van gedachten waren veranderd. “Ik was geschokt en woedend,” zei de 48-jarige Dirie. “Ik besloot dat ik onmiddellijk naar Djibouti moest vliegen om het dochtertje te redden van deze brute misdaad.”
Eenmaal in Djibouti realiseerde ze zich dat het gezin werd verstoten en dat Nours angst om gedwongen te worden tot vrouwelijke genitale verminking, in plaats van af te nemen, alleen maar was toegenomen. De toen zevenjarige Nour vertelde haar: “Grootmoeder voerde veel besnijdenissen uit in ons huis. De meisjes gilden zo hard, net zoals ik in de film.”
De ouders van Nour bevestigden dat de druk van buren en anderen om Nour te laten besnijden zwaar op hen drukte. Ze vertelden Dirie dat haar dochter en het gezin als buitenstaanders werden behandeld en dat buren jaloers waren op de financiële en medische steun die ze ontvingen van Dirie’s stichting, Desert Flower Foundation, die campagne voert tegen vrouwelijke genitale verminking, in ruil voor het nakomen van de afspraak. “Safa’s familie is omringd door anderen die elke dag worstelen om te overleven. Hoewel de families heel weinig geld hebben, sparen ze het geld dat ze hebben om hun dochters te laten besnijden, omdat ze anders geen bruidsschat van de toekomstige echtgenoot krijgen”, zei Dirie. “Dankzij onze steun is Safa’s familie volledig onafhankelijk en de eerste familie in de omgeving die de vicieuze cirkel doorbreekt. Dit is een schending van hun traditie en mensen hebben daar grote problemen mee.” Dirie bracht tijd door met de familie en nam een aantal van hen mee naar Europa om hen het campagnewerk te laten zien en te vertellen over de corrigerende operaties die door de Desert Flower Foundation worden uitgevoerd. De ervaring was een keerpunt, vooral voor de vader, die ooit heftig met Dirie had gediscussieerd over het besnijden van Nour. Hij werkt nu als activist voor de liefdadigheidsinstelling. “Safa’s vader heeft zelfs buren uitgenodigd om deel te nemen aan ons programma en de reacties waren positief”, aldus Dirie, waarmee hij aantoont welk verschil campagnes kunnen maken vanuit de gemeenschappen zelf. Hoewel het geval van Nour’s vader een succes was, is het niet eenvoudig om bredere gedragsverandering te stimuleren door middel van educatie. “Het is erg moeilijk om gemeenschappen te onderwijzen, omdat mensen erg koppig zijn en niet bereid zijn hun gewoonten te veranderen, zelfs als dat tegen de menselijkheid ingaat”, zegt Dirie.”