Was mij, reinig mij

“Ik vroeg de hemel het van me weg te nemen.” Met die zin beschrijft een jonge vrouw, zichtbaar aangeslagen, haar verlangen om schoongewassen te worden. Ze zit achterin een taxi die haar vanaf luchthaven JFK naar Manhattan brengt. Tegenover haar zit een chauffeur die ze niet kent. Dit is de climax van een gesprek van honderd minuten dat de kern vormt van Daddio (2024), een film die het moet hebben van dialoog, stilte en close-ups.

De vrouw voelt zich, in haar eigen woorden, ‘like trash’. Ze vertelt over ingrijpende gebeurtenissen en over haar eigen aandeel daarin. Over schuld en schaamte. Over een verlangen naar reiniging. Ze spreekt niet in religieuze termen; de naam van Christus valt hooguit als vloek. Maar onder haar woorden klinkt een oud motief door: het verlangen dat wat vuil is, wordt weggenomen.
Regisseur en scenarist Christy Hall koos voor een minimale opzet. Eén taxirit. Twee personages. Een smartphone waarop berichten binnenkomen van een minnaar. De vrouw (gespeeld door Dakota Johnson) appt tijdens de rit met een getrouwde man met wie zij een seksuele relatie onderhoudt. De chauffeur Clark (vertolkt door Sean Penn) observeert, bevraagt en analyseert. Sean Penn is op leeftijd, maar speelt de rol van de oudere, wijzere man met veel inzicht en overtuiging. Dakota Johnson is uitstekend als de vrouw. Ze toont een breed scala aan emoties en je kunt vrijwel de hele tijd aanvoelen wat ze denkt. Ze doet haar kenmerkende nagelbijtbeweging, maar het komt niet goedkoop of geacteerd over.

In de openingsminuten maakt Clark vooral indruk als mopperende New Yorker. Hij klaagt over digitale betalingen waardoor fooien uitblijven en prijst zijn passagier omdat ze niet voortdurend op haar telefoon zit. “Het gaat om menselijkheid,” is de ondertoon. Gaandeweg blijkt hij meer dan een brombeer. Hij leest haar houding, haar kleding, haar eerste handelingen. “You can handle yourself,” concludeert hij. Wanneer zij hem naar zijn naam vraagt, zegt hij liever Vinny genoemd te worden.
De vrouw krijgt van hem de bijnaam “Girlie”. Meisjesachtig. Het is een benaming die zowel speels als pijnlijk is. In haar berichten noemt zij haar minnaar “Daddy”. Clark prikt daar feilloos doorheen. Hij waarschuwt haar: gebruik nooit het woord liefde in zo’n relatie. Volgens hem zoeken mannen in affaires seks; liefde reserveren ze voor hun gezin. Hij spreekt uit ervaring.

Wat begint als smalltalk, verschuift naar existentiële vragen. Waarom gaan mensen vreemd? Wat drijft hen? Het antwoord dat zich aandient is minder sensationeel dan verwacht: eenzaamheid, leegte, de behoefte aan ontsnapping. Stap voor stap ontvouwt zich het verleden van Girlie. Een moeder die zonder afscheid verdwijnt. Een vader die haar niet steunt. De enige fysieke herinnering aan hem is een handdruk toen zij als zesjarige met haar zeventienjarige zus vertrok om bij diens vriend in een caravan te wonen. Het patroon tekent zich af: het volwassen meisje dat nog altijd een vader zoekt.

Halverwege de rit stapt Clark uit om te plassen; de taxi staat vast in het verkeer. De camera blijft bij Girlie. Door het raam ziet zij in een auto naast hen een klein meisje dat chips eet in de vorm van een vis. Het is een kort, woordloos moment dat vooruitwijst naar wat volgt. Girlie vertelt over haar recente bezoek aan haar zus in Oklahoma, na negen jaar radiostilte. Toen zij New York verliet, was ze zwanger van haar minnaar. Ze wilde het kind niet houden en wilde er met niemand over spreken. Nog voor er een beslissing viel, kreeg ze hevige bloedingen: een miskraam. Ze voelde zich beroerd en opgelucht tegelijk. De avond voor haar terugreis deden zij, samen met een Native American vriendin, een dronken regendans. “Ik vroeg de hemel het van me weg te nemen.” Niet alleen de zwangerschap, maar het hele benauwende gevoel van de situatie waarin ze verstrikt was geraakt. Ze verlangde naar regen als symbool van reiniging.

Daddio is in essentie een film over aandacht. Over wat er gebeurt wanneer iemand zonder directe belangen luistert en doorvraagt. Of Clark psychologisch betrouwbaar is en of Girlie moreel te rechtvaardigen valt, blijft wat mij betreft open. Wat blijft hangen is de ontwapenende kracht van eerlijkheid. Onder schaamte en cynisme blijkt een diep verlangen te liggen: schoon leven, opnieuw beginnen, kunnen ademen.

In de slotscène vallen de lijnen samen. Er is een royale fooi, de aangeboden hand, de hand op zijn wang, en de naam. “Mickey,” zegt Clark, “Mickey zou ik willen heten.” De naam blijkt geen detail. In een wereld van vluchtige contacten en lichamen zonder geschiedenis, is een naam een erkenning van menselijkheid.


Naar aanleiding van: Daddio (2024), speelduur 100 minuten.
Regie en scenario: Christy Hall.
Rollen: Dakota Johnson (Girlie), Sean Penn (Clark), Marcos A. Gonzalez (Taxi Line Attendant), Zola Lloyd (kind met vis).

De taxiscènes zijn opgenomen in een studio met virtuele productie via grote led-schermen waarop digitale omgevingen in realtime werden geprojecteerd. Buitenopnames vonden plaats op locatie in New York City. Volgens de regisseur is de film in chronologische volgorde gedraaid, in zestien dagen.

Opmerkelijk detail: de taximeter verandert tijdens de rit niet van tarief. Clark legt uit dat er vanaf JFK een vast bedrag geldt; daarom zet hij de meter niet aan. Voor de film in de Internationale Movie Database, klik hier.

Onvrijwillig schikken

Orizuru

Je kunt een vrouw maximaal zeven keer vouwen
voordat ze niet meer meebeweegt. Dat heb ik onderzocht.
Het zijn niet zozeer de bochten waarin zij zich wringt,
maar het dwingende waarop haar weerstand exponeert.
Ze halveert bij elke vouw, terwijl ze opstapelt in zichzelf.
Dit fenomeen doet zich voor ongeacht haar afmeting,
dichtheid en het vermogen zichzelf te ontkennen.
Zelf ben ik al kraanvogels geweest, een kikker
die echt kan springen en een modulaire kubus
om je geheimen te bewaren, je trouwring of iets anders
dat je liever achterwege houdt.
Een vrouw vouwt over het algemeen vanzelf weer uit
tot haar oorspronkelijk staat, maar het laat zachte lijnen na
waar zij gemakkelijk in terugklapt en te zijner tijd scheurt.
Dat gebeurt voornamelijk wanneer zij al jong werd geplooid
en nooit geleerd heeft wie ze is.
In theorie zou je een vrouw 39 keer moeten vouwen
om een stapeling te bouwen tot voorbij de maan. Haar bestaan
zou daarmee ter discussie raken. Hoe vaker gevouwen,
hoe verder haar oppervlak halveert. Ze verkleint
met een slag per keer tot ze uiteindelijk verdwijnt.
Je kunt een vrouw dus hooguit zeven keer vouwen
voordat ze niet meer meebeweegt. Je noemt haar dan koud
en onwendbaar, ongenaakbaar of frigide. Ze is rigide.
Je vindt haar hysterisch, een kenau, onvrouwelijk
omdat ze weigert en verwijt haar de vorm waarin je haar houdt.
Onthoud dat wanneer je verwacht dat ze glimlachend schikt.
De lijntjes rond haar mond zijn de allereerste vouw.

Yanaika Zomer

Ik moest het even opzoeken: orizuru. De orizuru is het bekendste Japanse origami-ontwerp, dat de kraanvogel voorstelt die volgens de legende duizend jaar leeft. Het symboliseert vrede, een lang leven en herstel. En wat mij ook niet bekend was: de kraanvogel wordt in de Japanse cultuur beschouwd als een ‘Edele Heer Kraanvogel’ en de vleugels dragen zielen naar het paradijs. Het is een krachtig symbool voor hoop en vrede geworden, sterk verbonden met de slachtoffers van de atoombom in Hiroshima.
De orizuru wordt gevouwen uit een enkel vel vierkant papier (meestal origineel Japans origami-papier) en dat is waar het gedicht van Yanaika Zomer over gaat: het vouwen van het papier is beeld van het vormen van een vrouw naar de wensen van haar man – tegen haar wil. Het beeld van het vouwen – ogenschijnlijk onschuldig – wordt een analytisch instrument om relationele dynamiek bloot te leggen. En dat is voor Bijbellezers bepaald nuttig om te lezen. En te schrikken.

Papier kun je niet onbeperkt vouwen. Wie een A4 zeven keer probeert te halveren, merkt weerstand, dikte, opstapeling van materiaal. De fysica is helder: bij elke vouw verdubbelt de dikte en halveert het oppervlak. De weerstand neemt exponentieel toe.
Zomer neemt dit natuurkundige gegeven en past het toe op een vrouw en haar lichaam. Cruciaal is regel 2: “Dat heb ik onderzocht.” Dat klinkt klinisch, bijna laboratoriumachtig. Het experiment suggereert neutraliteit, maar het object van onderzoek is een vrouw. Daarmee verschuift het van natuurkunde naar macht. De regel “Ze halveert bij elke vouw, terwijl ze opstapelt in zichzelf” is psychologisch scherp. Halvering van oppervlak (zichtbaarheid, ruimte) gaat samen met interne verdichting (opstapeling van spanning, herinnering, trauma). Wat bij papier puur materieel is, wordt bij de vrouw existentieel. Er is een grens aan meebuigen. Daarna breekt of verstijft iets.

De spanning met de Bijbelse teksten over ‘onderschikken’ is evident. In onder meer Efeze 5 wordt onderdanigheid in een relationele ordening geplaatst: wederzijds, maar ook specifiek (vrouw–man, kind–ouder, slaaf–heer). Dat kader veronderstelt gezag en orde, maar volgens de tekst ‘uit eerbied voor de Heer’, dus begrensd door Christus.
Wat doet het gedicht? Het toont wat er gebeurt wanneer onderschikking geen vrijwillige, liefdevolle beweging is, maar een extern opgelegde vorming. Dan wordt ‘vouwen’ geen dienstbare zelfgave, maar dwangmatige modellering.
De Bijbelse oproep tot nederigheid is ingebed in christologie: de Heer schikte zich gewillig naar zijn Vader. Maar in het gedicht ontbreekt die wederkerige liefde. De man in het gedicht (impliciet aanwezig als ‘je’) verwacht dat zij ‘glimlachend schikt’. Dat is geen wederzijdse onderdanigheid; dat is normerende macht.
Er zijn gelovigen die menen: gelijkwaardigheid en onderwerping kunnen samengaan. Het gedicht lijkt te antwoorden: in de praktijk worden die twee vaak losgetrokken. Dan blijft alleen onderwerping over, zonder erkende gelijkwaardigheid. Zomer laat zien wat er gebeurt als liefde ontbreekt: de vrouw wordt object van vormgeving; haar weerstand wordt negatief gelabeld (‘koud’, ‘hysterisch’, ‘frigide’); haar grens wordt gelabeld als ziekelijk of slecht. De punchline – “De lijntjes rond haar mond zijn de allereerste vouw” – ontmaskert een cultuur waarin zelfs glimlachen al een aanpassing is. Precies die karikatuur is historisch vaak als Bijbels gelegitimeerd.

“Ik ben al kraanvogels geweest…” De orizuru is een symbool van hoop en wensvervulling in de Japanse traditie. Hier wordt het een metafoor voor maakbaarheid. De vrouw wordt wat de ander van haar maakt. Dat is relationele vervreemding. Yanaika Zomer schrijft geen dogmatiek. Ze schrijft poëzie. Maar ze stelt wel een dogmatische vraag: wie bepaalt de vorm van de ander?
Dat is geen kleine vraag.


Naar aanleiding van: Yanaika Zomer, ‘Orizuru’ in: Ik sta in wilde schoonheid: Meer dan 100 gedichten over het vrouwenlichaam, geschreven door vrouwen, samengesteld en ingeleid door Susan Smit. Amsterdam: Lebowski, 2025, 175-176.

Voor meer info over Yanaika Zomer, klik hier.

Rondjes om de aarde

In 2024 won Samantha Harvey de prestigieuze Booker Prize. Dat betekent voor haar boek Orbital veel eer en voor de schrijver bovendien een fors geldbedrag. Ik kan niet anders zeggen dan dat het een bijzonder boek is. Ik heb de alternatieven die op de shortlist stonden niet gelezen. Maar wat de jury over Orbital schrijft, kan ik hartelijk onderstrepen: “Samantha Harvey heeft een roman geschreven die voortgestuwd wordt door de schoonheid van zestien zonsopgangen en zestien zonsondergangen. Iedereen en niemand is het onderwerp, terwijl zes astronauten in het Internationale Ruimtestation rond de aarde cirkelen en de weersveranderingen observeren over de fragiele grenzen en tijdzones heen. Met haar lyrische en scherpe taal maakt Harvey onze wereld vreemd en nieuw voor ons.”

Ik merkte dat ik het boek langzaam las. Dat komt, denk ik, door de vreemde wereld waar je in binnenkomt. Hoe moet het zijn als je in 24 uur zestien keer een zonsopgang meemaakt? Dat ontregelt en de rimpeling daarvan ondervond ik als lezer. Het nieuwe perspectief op de aarde zet je aan het denken.
Hoewel nieuw, het is natuurlijk al eerder opgetekend uit de mond van astronauten. Denk aan onze eigen Wubbo Ockels (1946 – 2014). Ook hij had de aarde vanuit dat andere perspectief gezien. Dat had zo’n indruk op hem gemaakt dat hij al zijn creativiteit en inzet heeft gebruikt om tot ons te zeggen: ‘Hou een beetje van deze aarde, zorg er een beetje goed voor.’ Het is precies wat we in de roman Orbital lezen. De astronauten zien geen grenzen tussen de landen. Zij zien eenvoudig de aarde draaien: “Dit ding van zo’n wonderbaarlijke en bizarre schoonheid. Dit ding dat, gezien de beperkte keuze aan alternatieven, zo onmiskenbaar thuis is. Een onbegrensde plek, een zwevend juweel zo schokkend helder. Kunnen mensen geen vrede met elkaar vinden? Met de aarde? Het is geen vurig verlangen, maar een dringende eis.” (73) Dat gebeurt er blijkbaar als je afstand neemt.

Gelukkig loopt Harvey niet om de God-vraag heen. Want mensen op aarde stellen nu eenmaal de vraag waar dit ‘thuis’ vandaan komt. Het dominante verhaal van vandaag is dat van de evolutie. En daar is goede reden voor, het blijkt een robuust model voor onderzoek en duiding van de werkelijkheid. Maar de vraag naar een goddelijke schepper laat zich niet wegdrukken: “Soms kijken ze naar de aarde en zouden ze in de verleiding kunnen komen om alles wat ze als waarheid beschouwen te verwerpen en in plaats daarvan te geloven dat deze planeet zich in het centrum van alles bevindt. Het lijkt zo spectaculair, zo waardig en majestueus. Ze zouden nog steeds kunnen geloven dat God zelf haar daar heeft neergezet, in het absolute centrum van het dansende universum, en ze zouden al die waarheden kunnen vergeten die mannen en vrouwen hebben ontdekt (via een schokkerig en stotterend pad van ontdekking, gevolgd door ontkenning, gevolgd door ontdekking, gevolgd door verhulling) dat de aarde een onbeduidend stipje is in het centrum van niets.” (27-28)
Het is de bekende vraag: kunnen wij uit de werkelijkheid concluderen dat er een God is? Wat mij betreft niet. Er is geloof in God nodig voordat je Hem terugvindt in de schepping. En dan moet ik het preciezer zeggen: het begint met het geloof in Jezus Christus als Heer en Redder van je leven – daarna kan er een hint naar God gevonden worden bij de planten, de vogels, de sterren en in de mensheid. De spannende vraag is voor mij dan ook niet of God onze aarde in het centrum van het universum heeft gezet. De vraag die mijn hersens doet kraken is deze: heeft de Schepper werkelijk de stap genomen om mens te worden op onze planeet? Of andersom gezegd: hoe kan je leren aanvaarden dat de concrete Jezus van Nazareth claimt niemand anders te zijn dan de Schepper zelf? Is zijn leven en zijn invloed werkelijk de redding van deze kosmos, niet alleen van dit onbeduidende stipje maar ook van het hele universum?

Als dat waar is, dan zijn wij niet een kortstondig lichtje ‘dat door niets herinnerd wordt’. (114) Dan doen we ertoe en wat we doen en laten heeft waarde voor de komst van Gods Rijk. Zou dat transformerende geloof niet ook een reserve moeten geven bij de niet te stoppen nieuwsgierigheid van de mens? Harvey is helder: deze astronauten zijn slechts middel tot een doel. “Ze nemen bloed-, urine-, ontlasting- en speekselmonsters af, controleren hun hartslag en bloeddruk en slaappatroon, en documenteren eventuele pijntjes, kwalen of ongewone sensaties. Het zijn gegevens. Bovenal dat. Een middel, geen doel op zich.” (94-95) De mens is niet gemaakt om stil te staan en dus gaan we naar de maan, naar Mars en nog veel verder.
Maar waarom eigenlijk? Als de Heer door zijn aanwezigheid op deze planeet aarde de doorbraak van zijn kosmische Rijk heeft voorbereidt, hebben we daar dan niet genoeg aan? Totdat de Heer terugkomt. Ik zal niet verbaasd zijn als daarna veel andere planeten bewoonbaar gaan worden – zonder de destructieve gevolgen van de homo sapiens. Omdat die is overgegaan in een zondeloze staat van zijn. Het lijkt me adembenemend.


Naar aanleiding van: Samantha Harvey, Orbital. Vintage, 2024 (Vintage is part of the Penguin Random House group of companies whose addresses can be found at global.penguinrandomhouse.com). Voor het eerst gepubliceerd door Jonathan Cape in 2023. (de paginaverwijzing is naar deze Engeltalige versie).

Zoektocht naar identiteit

“Vertel me wie ik ben” – het is een vraag die raakt aan de kern van het menselijk bestaan. Een vraag die je niet in isolatie kunt beantwoorden. We hebben anderen nodig om ons een spiegel voor te houden, om te zien wat we uitstralen. Die buitenkant is slechts een deel van het verhaal, maar het verbindt zich wel degelijk met wat er van binnen gebeurt. Wanneer je jezelf even kwijt bent of van jezelf staat te kijken, kan die ander helpen om jezelf te hervinden, opnieuw te ontdekken of verder te brengen.

Van verwondering naar cynisme
“Please tell me who I am” – deze sleutelregel uit ‘The Logical Song’ van Supertramp resoneerde in 1979 bij miljoenen luisteraars en doet dat nog steeds. Het nummer, afkomstig van het album Breakfast in America, heeft een tijdloze kwaliteit. Van de openingsregel – “When I was young, it seemed that life was so wonderful” – word je meteen meegenomen in de wereld van een kind dat in veiligheid en met nieuwsgierigheid om zich heen kijkt. Het leven is wonderbaarlijk, magisch zelfs. De vogels in de bomen fluiten speels, en het kind kijkt naar hen terwijl zij terugkijken. Geen eten of gegeten worden, maar een zuiver moment van wederzijdse observatie.
Dan komen de volwassenen. Ouders en opvoeders die beslissingen nemen, die het kind naar school sturen. Daar moet worden geleerd wat zij essentieel achten voor het leven: verstandig zijn, logisch denken, verantwoordelijk en praktisch handelen. Het maakt je betrouwbaar, capabel tot klinisch redeneren. De intellectueel wordt gevormd, maar ergens onderweg verdwijnt de verwondering en maakt plaats voor cynisme. De radicaal wordt netjes verpakt in een respectabel jasje, en ze willen dat je ervoor tekent.

De kostschoolervaring van Roger Hodgson
‘The Logical Song’ werd voornamelijk geschreven door Roger Hodgson, die de tekst baseerde op zijn tien jaar durende verblijf op een kostschool. Hodgson heeft over de betekenis van het lied gezegd: “‘The Logical Song’ is ontstaan ​​uit mijn vragen over wat er echt toe doet in het leven. Gedurende onze kindertijd leren we allerlei manieren van zijn, maar zelden wordt ons iets verteld over ons ware zelf. We leren hoe we ons uiterlijk moeten gedragen, maar worden niet begeleid naar wie we innerlijk zijn. We gaan van de onschuld en verwondering van de kindertijd naar de verwarring van de adolescentie, die vaak eindigt in het cynisme en de desillusie van de volwassenheid. In ‘The Logical Song’ was de brandende vraag die tot de kern terugkwam: ‘Vertel me alsjeblieft wie ik ben’, en daar gaat het lied in wezen over. Ik denk dat deze eeuwige vraag nog steeds zo’n diepe snaar raakt bij mensen over de hele wereld en dat is waarom hij zo betekenisvol blijft.” (Wikipedia)

De nachtelijke vragen

Het refrein van het nummer spreekt over de nacht – dat moment waarop de wereld slaapt en alle dagelijkse indrukken wegvallen. De conventies zijn geparkeerd, en er ontstaat ruimte voor fundamentele vragen waarvoor een gewoon mens nauwelijks antwoorden lijkt te hebben. Wie ben ik eigenlijk? Waar is mijn innerlijke kind gebleven? Wanneer durf ik radicaal te kiezen voor wat ik werkelijk van waarde vind?

En dan komt het meest intrigerende aspect: wie kan daarop een antwoord geven dat niet meteen de bestaande orde bevestigt? Het klinkt absurd, maar het antwoord moet van buitenaf komen, van een onverwachte kant. Die zoektocht maakt ‘The Logical Song’ tot meer dan alleen een popmuziek-klassieker – het is een existentiële vraag verpakt in een onvergetelijke melodie.


Supertramp – Breakfast in America (1979)
Rick Davies: vocals en keyboards
Roger Hodgson: vocals, keyboards en gitaar
John A. Helliwell: woodwind instruments
Dougie Thomson: bass
Bob C. Benberg: drums
Russel Pope: concert sound engineer


The Logical Song – Volledige tekst

When I was young, it seemed that life was so wonderful
A miracle, oh, it was beautiful, magical
And all the birds in the trees, well they’d be singing so happily
Oh, joyfully, oh, playfully watching me

But then they sent me away to teach me how to be sensible
Logical, oh, responsible, practical
And then they showed me a world where I could be so dependable
Oh, clinical, oh, intellectual, cynical

There are times when all the world’s asleep
The questions run too deep
For such a simple man
Won’t you please, please tell me what we’ve learned?
I know it sounds absurd
Please tell me who I am

I said, now, watch what you say, they’ll be calling you a radical
A liberal, oh, fanatical, criminal
Oh, won’t you sign up your name? We’d like to feel you’re acceptable
Respectable, oh, presentable, a vegetable
Oh, take, take, take it, yeah

But at night, when all the world’s asleep
The questions run so deep
For such a simple man
Won’t you please (oh, won’t you tell me)
Please tell me what we’ve learned? (Can you hear me?)
I know it sounds absurd (oh, won’t you tell me)
Please tell me who I am

Who I am, who I am, who I am
Ooh Hey
‘Cause I was feeling so logical
Yeah
D-D-D-D-D-D-D-Digital
Yeah, one, two, three, five
Oh, oh, oh, oh, yeah
Ooh, it’s getting unbelievable
Yeah
Getting, getting, yeah, yeah
Uh, uh, uh, uh

Kwetsbaar kostbaar

“Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.” De regel waait langs, verdwijnt, komt soms verhaspeld terug: hoe kwetsbaar is een kostbaar mens. Lange tijd bleef onduidelijk wie de auteur was van deze indringende regel – tot hij opdook in een bundel met gedichten bij Overijsselse locaties. Het spoor leidt naar Landhuis Brinkgreven aan de Deventer Bolkesteinlaan, een plek met een lange geschiedenis op ggz-gebied. ‘Achter de koezen verdwijnen’ – de witte stenen bij de oprijlaan – betekende in de volksmond weinig goeds. In 1892 kreeg het St. Elisabethziekenhuis de vergunning voor een buitengasthuis, naast het hoofdgebouw in de stad. Honderd jaar later, in 1992, werd het jubileum gevierd met onder meer een literaire prijsvraag. De winnaar: Okke Jager, met dit gedicht:

Verraadt ons aller angst zich niet
in wie het leven weerloos liet?

De glasglans stemt de blazer mild.
De kaarsvlam vormt de hand tot schild.

De krokus wijst beton zijn grens.
Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Okke Jager had een scherp oog voor mensen die met vallen en opstaan door het leven gaan. En voor degenen die daar geen rekening mee houden. “Waarom doen bijvoorbeeld jongens op een motor zo agressief tegen een aarzelende fietser?” vroeg hij zich af in een gesprek. “Omdat ze bang zijn voor de weifelaar in zichzelf. Ze denken ‘je bent óf kwetsbaar óf kostbaar’, maar het is juist de kwetsbare die kostbaar is.” (9) Het zou zijn laatste boodschap worden. Op 26 januari 1992 overleed Jager, 63 jaar oud. Een hersentumor werd hem fataal. Het gedicht schreef hij voordat de tumor zich openbaarde. “Ik was al kwetsbaar toen ik schreef over ‘de kwetsbaarheid’,” vertelde hij later. “Ook mijn vrouw had een voorgevoel. Zij had zonder duidelijke reden extra veel eten en andere benodigdheden in huis gehaald.”
Zijn dochter Ruth noemde het zijn meest indringende boodschap: hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Het gedicht opent met een vraag: zijn de weerlozen in ons midden niet de voorbeelden van de angst die we allemaal diep in ons dragen? Het is een aanname die lang niet iedereen herkent. Er zijn mensen die als ‘jongens op een motor’ zijn, die niets laten blijken van angst voor kwetsbaarheid. Zelfs als zij gekwetst worden, komt die angst niet ter sprake. Toch bedoelt Jager de vraag retorisch – zijn antwoord is: jazeker.
De volgende drie regels richten de aandacht op glasglans, kaarsvlam en krokus. Het zijn de subtiele, breekbare dingen die iets veroorzaken: de blazer wordt mild, de hand gaat beschermen, het beton moet plaatsmaken. Wat kan domineren wordt door het tere bestaan tot dienen gebracht. Met drie voorbeelden onderbouwt de dichter zijn stelling: blijkbaar zijn de blazer, de hand en het beton niet vanzelfsprekend tot hardheid en overheersen geroepen.
Dan rest de conclusie: hoe kostbaar is een kwetsbaar mens. Een vraagzin zonder vraagteken. Een oproep tot bezinning. Je bent zuinig op je kostbaarheden – of dat nu mooie spullen zijn of juist díe dingen waaraan een verhaal en een emotie verbonden zijn. Kijk zo eens naar de beschadigde en verkreukelde mensen om je heen. Zij vormen de kostbaarheden in ons bestaan.

Bij zijn begrafenis sprak dochter Ruth over de kwetsbaarheid van haar vader: “In het gevoelsleven was Okke als zovelen van ons, een klein kind dat bang was voor kritiek, dat verlangde naar bevestiging en aandacht, en dat geen vertrouwen in het leven kende.” (76) In zijn verzamelde columns beschreef Jager hoe hij omging met de ziekte: “Langzamerhand krijg ik pas inzicht in mijn ziekte, omdat ik inzicht heb in de persoon die aan die ziekte lijdt. Een ziekte slaat niet zomaar toe als een dief in de nacht. Ze kan een vorm van existentiële zelfexpressie zijn. Ik zie het met een verblindende helderheid.” (39) Hij voerde het gevecht met de tumor op zijn eigen wijze: “Ik roep het beeld op van de grijze celletjes waar ik op in hak in naam van de commandocellen van de witte bloedlichaampjes. Ik zie de vloeistof naar beneden gaan. Mijn hele lijf werkt eraan mee. Hoor het kletteren van de zwaarden! Zie het sijpelen van de drabberige vloeistof! (…) Tot dat er eenmaal in mijn voorstelling een schoon hoofd verschijnt.” (45-46)
Het mocht niet baten.

Maar zijn regel blijft – hardnekkig, troostend, confronterend.


Naar aanleiding van: Okke Jager, Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens. Baarn: Ten Have, 1992.
Overijssel: Literaire reis langs het water. Stichting achterland Zeist, 2012.
Klik hier voor het kunstwerk door beeldhouwer Jeanot Bürgi.