In 1665 publiceerde Jean de La Fontaine een verhaal dat tegelijk geestig, elegant, schandalig en ontluisterend was. Joconde behoort tot zijn minder gelezen werk — overschaduwd door de beroemde fabels — maar het is misschien juist een van zijn modernste teksten. Niet omdat het verhaal moreel vooruitstrevend is. Integendeel. Het confronteert de lezer met een ongemakkelijke vraag: wat blijft er van liefde over wanneer trouw een illusie blijkt?
Voor hedendaagse lezers, mannen én vrouwen, is dat nog steeds herkenbaar terrein. Niet alleen vanwege overspel, maar vanwege de spanning tussen romantische verwachtingen en menselijke werkelijkheid. Dat maakt Joconde meer dan een pikant verhaal uit de zeventiende eeuw. Het is een scherpe ontleding van verlangen, jaloezie en de manier waarop mensen zichzelf troosten wanneer liefde tegenvalt.
Waar komt het verhaal vandaan?
La Fontaine vond het verhaal niet zelf uit. Hij baseerde zich op een episode uit Orlando Furioso van Ludovico Ariosto. Maar hij deed iets wat grote schrijvers vaker doen: hij gebruikte een bestaande vertelling als grondstof en maakte er iets nieuws van. Dat leidde onmiddellijk tot ruzie. Sommigen vonden dat hij Ariosto had verrijkt; anderen dat hij het origineel had verminkt. Die controverse zegt iets wezenlijks over La Fontaine. Hij was geen kopiist maar een stilist. Zijn kracht lag niet alleen in het verhaal zelf, maar in de toon: lichtvoetig, ironisch, speels, alsof hij voortdurend met een opgetrokken wenkbrauw naar de lezer kijkt.
Wat voor verhaal is het?
De beeldschone koning Astolfo hoort dat er ergens een nóg mooiere man leeft: Joconde, pasgetrouwd en woonachtig in Rome. Wanneer Joconde onderweg naar het hof even terugkeert naar huis omdat hij een vergeten armband wil ophalen, ontdekt hij zijn jonge vrouw in bed met een lakei. Zijn wereld stort in. Niet alleen zijn hart breekt — zijn schoonheid verdwijnt bijna letterlijk van zijn gezicht. Dat detail is veelzeggend. Bij La Fontaine is liefde nauw verbonden met ijdelheid. Joconde lijdt niet alleen omdat hij verraden is, maar ook omdat zijn zelfbeeld instort. Hij dacht bijzonder te zijn. Uitverkoren. Onaantastbaar.
Pas later vindt hij troost, en die troost is bitter. Hij ontdekt namelijk dat zelfs de koningin haar echtgenoot bedriegt — en niet eens met een aantrekkelijke rivaal, maar met een mismaakte dwerg. Op dat moment verschuift het perspectief. Het probleem is niet langer persoonlijk; het blijkt universeel. Daar klinkt ook de beroemde passage uit het verhaal:
“Het weze ons een zoete troost. Een zal het anders wezen.
Dan komt een nieuwe tijd, je kunt het in de sterren lezen
dat eens de fakkel van de liefde enkel nog het vuur
verwekt in ’t hart van kuise vrouwen, eerbaar van natuur.”
Waarom is het verhaal cynisch?
Het is een ironisch fragment. La Fontaine doet alsof hij verlangt naar een toekomst van volmaakte trouw, maar de ondertoon zegt precies het tegenovergestelde: verwacht het vooral niet. Vanaf dat moment verandert Joconde in iets onverwachts. Het verdriet van de twee mannen slaat om in cynisch avontuur. Astolfo en Joconde trekken incognito rond, verleiden vrouwen en houden een register bij van hun veroveringen. Het “boek vol namen” is tegelijk komisch en triest. Het lijkt vrijheid, maar eigenlijk is het compensatiegedrag. Hun gekwetste trots wordt verdoofd met aantallen.
Juist daar begint het verhaal modern aan te voelen. Want onder de speelse oppervlakte legt La Fontaine een mechanisme bloot dat nog altijd bestaat: mensen die teleurgesteld raken in liefde, reageren vaak niet met verdieping maar met afstand, ironie of consumptie. Alsof hechting zelf het probleem is.
Waarom is het verhaal dubbelzinnig?
Toch ondergraaft La Fontaine ook zijn eigen personages. Zelfs hun vermeende ideale oplossing — samen één vrouw delen — mislukt. Ook zij ontvangt stiekem een andere minnaar. De mannen merken niets. Hun poging om controle te krijgen over verlangen blijkt lachwekkend naïef.
Het slot van het verhaal is daarom dubbelzinnig. Astolfo en Joconde keren terug naar huis. Hun vrouwen ontvangen hen liefdevol. Iedereen hervindt zijn rust.
Maar dan volgt die venijnige laatste draai:
“Zo komt het dat voortaan de beide echtelieden
weer heel gelukkig en tevreden al hun dagen sleten,
en ook hun nachten, want die het soelaas te bieden
van een gelukkig paar dat zich bezadigd nedervlijt.
De koningin vervulde steeds haar plicht vol tederheid
en ook Jocondes vrouw begon haar man weer te verwennen.
Hetzelfde doen nog zoveel anderen die wij niet kennen.”
Welke moraal deelt het verhaal ons mee?
Dat laatste zinnetje verandert alles. La Fontaine suggereert dat de schijn van harmonie eenvoudig terugkeert zodra iedereen besluit bepaalde dingen niet meer al te serieus te nemen.
Daar ligt ook de kern van de morele provocatie van Joconde. Het verhaal zegt niet: mensen zouden ontrouw moeten zijn. Het zegt iets veel ongemakkelijkers: mensen zijn ontrouw, overal en altijd, dus bouw je leven niet op illusies. Daar wringt toch iets fundamenteels? Want de vrouwen in het verhaal krijgen nauwelijks een eigen innerlijk leven. Ze functioneren vooral als object van begeerte, verraad of wraak. Hun verlangens worden niet onderzocht; ze worden geconstateerd. Dat maakt het moeilijk om Joconde vandaag nog onbevangen te lezen.
Waarom blijft het verhaal interessant?
Tegelijk verklaart juist die ongemakkelijkheid waarom het verhaal interessant blijft. Het legt een wereldbeeld bloot waarin liefde uiteindelijk door natuurdrift wordt bestuurd. De vraag is dan: geloven wij dat eigenlijk nog? Humanistische denkers zouden daar stevig tegenin gaan. Vanuit humanistisch perspectief is het scoreboek van Astolfo en Joconde niet bevrijdend maar juist leeg: veel lichamen, weinig ontmoeting. Ook religieuze tradities botsen frontaal met La Fontaines fatalisme. In het christendom is trouw geen naïeve verwachting maar een verbond dat juist standhoudt wanneer verlangen fluctueert. Het boeddhisme zou dan weer zeggen dat bezit en begeerte zelf het probleem vormen — maar niet om cynisch te worden, eerder om lief te hebben zonder toe-eigening.
Daarmee raakt Joconde aan een vraag die veel dieper gaat dan overspel: kan een mens moreel groeien, of blijven wij uiteindelijk gevangenen van drift en ijdelheid? La Fontaine lijkt te antwoorden: accepteer de menselijke natuur en maak het jezelf niet te moeilijk.
Maar misschien ligt precies daar de reden waarom het verhaal blijft steken in het geheugen.
Omdat wij ergens hopen dat hij ongelijk heeft.
Naar aanleiding van: De verhalen van La Fontaine, vertaald door Jan van den Berg. Leuven: Davidsfond/Clauwaert, 1996.
