De Belgische striptekenaar Hermann Huppen is op 22 maart 2026 in Brussel overleden. Hij werd 87 jaar. Hij laat een groot en invloedrijk oeuvre na, met reeksen als Jeremiah, Bernard Prince en Comanche. Zijn werk staat bekend om een somber mensbeeld en een uitzonderlijke visuele beheersing — scènes waarin stilte meer zegt dan tekst.
Tot op hoge leeftijd bleef hij publiceren. Volgens zijn zoon Yves voltooide hij, ondanks fysieke achteruitgang, nog een laatste album. Die vasthoudendheid past bij het perfectionisme dat zijn carrière typeerde. Ook in Nederland werd zijn overlijden opgepakt, onder meer door de NOS.
Maar een necrologie over Hermann blijft onvolledig zonder de vraag waarom lezers zoals ik hem zo trouw blijven — ook wanneer het werk minder overtuigt.
Fan-zijn blijkt zelden alleen een kwestie van kwaliteit. Het wordt onderdeel van je identiteit. Wie zich jarenlang lezer van Hermann noemt, bouwt ongemerkt een relatie op met dat oeuvre. De boekenkast is dan geen verzameling meer, maar een afdruk van jezelf. Stoppen met kopen voelt bijna als afstand doen van een eerdere versie van wie je was.
Dat verklaart ook waarom nieuwe delen blijven binnenkomen, zelfs als de twijfel groeit. De latere albums van Jeremiah missen soms de scherpte van vroeger: verhoudingen kloppen minder, kleuren worden zwaarder, het geheel donkerder. En toch — ze worden aangeschaft, gelezen, toegevoegd. Niet alleen uit gewoonte, maar uit een vorm van trouw. Aan de maker, maar ook aan de eigen leesgeschiedenis.
Die geschiedenis heeft duidelijke pieken. Voor velen liggen die bij het vroege werk: Bernard Prince, Comanche, maar ook latere hoogtepunten zoals De Torens van Schemerwoude. Dat zijn de albums die zich vastzetten. Alles wat daarna komt, wordt er — vaak onbewust — langs gelegd. Elk nieuw deel is een poging om dat oude niveau opnieuw te bereiken, of in elk geval te benaderen.
Soms zit de aantrekkingskracht ook in iets ongemakkelijks: het wereldbeeld. Hermann tekende geen geruststellende universa. Zijn verhalen laten een harde, moreel ambigue werkelijkheid zien. Juist dat kan lezers binden. Niet ondanks, maar dankzij die somberte. Het bevestigt een bepaalde kijk op de wereld: complex, weerbarstig, zelden eenvoudig. Tegelijk geldt ook hier een grens — te veel donkerte kan verzadigen.
Daarom is het relevant dat zijn oeuvre breder is dan alleen dat register. Er zijn lichtere uitgaven, schetsboeken, studies van dieren en figuren, experimenten. En er zijn albums waarin zijn kracht misschien wel het zuiverst zichtbaar wordt, zoals Caatinga. Daarin toont hij hoe beeld alleen — zonder veel tekst — een wereld kan dragen: hitte, ruimte, dreiging.


Uiteindelijk is dat de kern van zijn aantrekkingskracht: verbeeldingskracht. Hermann kon een scène laten ademen, een landschap laten spreken, een moment laten hangen. Hij trok de lezer een wereld in en hield hem daar vast. Dat is waarom sommige lezers blijven terugkeren. Niet uit nostalgie alleen, en ook niet uit louter bewondering, maar omdat dat vermogen — die combinatie van vakmanschap en verbeelding — zeldzaam is. En als je het eenmaal hebt leren herkennen, raak je het niet zomaar kwijt.
Hermann Huppen: 17 juli 1938 – 22 maart 2026
moge hij rusten in vrede.