Vrij en veilig

In de zomer van 1830 werd in Brussel La Muette de Portici opgevoerd, een opera van de Franse componist Daniel Auber. Het stuk verheerlijkte de opstand van de Napolitanen tegen Spanje in 1647. Geraakt legde het Belgische publiek een verband met de actuele situatie, de gespannen verhouding tot de Noordelijke Nederlanden. Op woensdag 25 augustus plunderde een meute huizen van prominente Nederlanders. Katholieken en liberalen sloten zich aaneen en riepen op 4 oktober de onafhankelijkheid uit van de staat België. Koning Willem I reageerde onmiddellijk:

“Te wapen op de dringende bede van uwen vorst! Te wapen, onder ootmoedig en biddend opzien tot de Almachtigen God, die Nederland en Oranje zo dikwerf uit de grootste gevaren heeft gered.” (Verleden van Nederland, 332)

Drie jaar later, in 1833 verscheen de eerste druk van Het Slot Loevenstein in 1570. De auteur van de roman was de Amsterdamse belastingontvanger Jan Frederik Oltmans. Hij publiceerde onder het pseudoniem J. van den Hage. Het Slot Loevenstein in 1570 is één grote steunbetuiging aan de band tussen God, Nederland en Oranje. De Nederlander moet actief het buitengewone karakter van Holland helpen bewaken. Het is schandelijk te kiezen voor gemak boven ‘de roem het vaderland te redden.’ (14)

Nu had twee jaar eerder de commandant van kanonneerboot no. 2 zich met de bemanning in de haven van Antwerpen opgeblazen. Luitenant Jan van Speyk moest de scheepvaart op de Schelde controleren, maar raakte op 5 februari 1831 door een storm tegen de kade aan de Belgische zijde. Fusielier Johannes van Oostendorp schreef destijds: “Men moet echter altijd opmerken dat de boot niet werd aangevallen door een militaire macht, maar door het grauw en een opgewonden hoop, voor een commandant echter hachelijk genoeg. Hij zag zich overmeesterd en rekende zich verloren, en aangezien hij dat niet verdragen kon, besloot hij tot een wanhopige daad en liet de boot met vriend en vijand de lucht in vliegen. Ik laat het achterwege om deze daad te beoordelen, dat laat ik liever aan wijzere mannen over, maar ik kan mij met de heldendaad niet verenigen.” (138)

Het is duidelijk dat Oltmans behoorde tot de bewonderaars. De climax van het verhaal over slot Loevenstein is dat de geuzen zich opblazen. Een groep van ruim twintig van hen had onder aanvoering van Herman van den Bosch het kasteel ingenomen. Deze Van den Bosch fungeerde als boodschapper tussen Willem van Oranje en lokale groepen opstandelingen in de Nederlanden. Ongrijpbaar als hij was werd hij de Emissario genoemd, de Boodschapper. Ik herinner me nog hoe dit personage indruk op mij maakte toen ik in 1980 dit boek voor het eerst las. Een echte leider, sterk en welbespraakt, met een enorm zwaard dat de vijanden wegmaaide, maar tegelijk edelmoedig met de eer van een soldaat. Vroom en gelovig bovendien.
De hertog van Alva stuurde een compagnie soldaten naar het slot en zij namen in twee dagen het slot weer in. Maar de Boodschapper wilde niet in handen van de vijand vallen. “Het gebouw schudde, een hevige slag volgde, het was alsof de aarde zich opende, om de vreemdelingen op Hollands grond te verpletteren.” (268). Oltmans gaat dan zo verder: “Nu eerst waren de Spanjaarden meester van Loevenstein; want de Boodschapper, ofschoon niet overwonnen, was gevallen. Zo kan de man, door een vaste wil en liefde voor vaderland en vrijheid, vrij zijn tot aan, tot in de dood. Zo, stierft gij, Reiner Klaaszoon! toen Fasciardo’s galjoenen u bij knaap St. Vincent, na een strijd van twee dagen, dreigden te vermeesteren; zo stierf in latere tijd Van Speijk, wiens naam met schrik aan Scheldes boorden wordt uitgesproken.” (268-9)
Reinier Klaaszoon was een onder-admiraal die in 1606 al iets dergelijks had gedaan tijdens een zeeslag tussen de Nederlandse en de Spaanse vloot. Fasciardo was zijn tegenstander, de Spaanse zeevoogd. Zo plaatst Oltmans Van Speyk’s daad in het kader van ‘vaderland en vrijheid’. En ieder die zijn boek leest wordt opgeroepen deze Nederlandse volksaard voor te leven en door te geven.
Marijke Stapert-Eggen noteert in haar voorwoord overigens dat de werkelijke gang van zaken rond Loevenstein beduidend anders was. “Oltmans vond dat echter geen reden om zijn roman aan deze ontdekking aan te passen, immers hij wilde slechts het Nederlandse volk een hart onder de riem steken door in een tijd dat het nationaal bewustzijn hoogtij vierde te herinneren aan kloekmoedige daden door voorvaderen in nog bozere tijden bedreven.” (5-6 en 380-381)

Daar dacht dus destijds al niet iedereen hetzelfde over. Johannes van Oostendorp had z’n twijfels. Ik ook intussen, maar die twijfels had ik niet bij eerste lezing. Bij ons thuis werd niet overdreven nadruk gelegd op God, Nederland en Oranje, maar een lichte nationale trots heb ik wel opgedaan in mijn jeugd. Vooral het gelovige heldendom van de geuzen sprak mij aan. Dat werd al vroeg gevoed door de boekjes die wij met Kerstfeest in de kerk kregen (Willem Wijchertsz).

Ad Verbrugge noemt vrijheid nog steeds een kenmerk van de Nederlandse identiteit. Boeiend, hij combineert vrijheid met veiligheid en wijst op die spanning tussen beide: “De spanning tussen vrijheid en veiligheid ligt bij uitstek besloten in het water dat ons omringt. Dat vormt een grondtoon van onze ziel.” (151) De zee biedt ons alle kansen op avontuur. Tegelijk bedreigt zij ons. Dat laatste voedde ook het religieus besef zoals dat in veel vissersdorpen nog gevonden wordt. De vrijheidservaring vertaalde zich in decentrale gemeenschapsvorming. Je moet er samen voor staan, eendracht maakt macht, maar tegelijk elkaars geweten vrij laten. Dat kweekte de ‘absolute waarheid van de eigen religieuze overtuiging’. (159)
Het verzet tegen gezagsdragers zit diep in de Nederlandse traditie. Oltmans laat dat treffend verwoorden door Dirk Duyvel, een van de geuzen. Als hij een order van de leider negeert, verantwoordt hij zich zo: “Ik veracht uw bevelen, gij zijt niets meer dan ik, en gij noch Oranje hebt recht, gehoorzaamheid van mij te vorderen. Of denkt gij, dat wij de ene dwingeland wegjagen, om ons onder het juk van een andere te buigen; ik volg alleen mijn eigen wil; want een vrije Nederlander is zijn eigen meester, met niets kunt gij het gezag, dat gij hier uitoefent, bewijzen.” (53, zie ook 59, 77 [Anna], 118)

Klaar ben je, met zulke mensen als wij.


Naar aanleiding van: J.F. Oltmans, Het Slot Loevenstein in 1570: Geschiedkundig verhaal uit de tachtigjarige oorlog. Ede: L.J. Veen, 1979. Met een inleidend woord en van noten voorzien door Marijke Stapert-Eggen. De complete tekst van de roman is te vinden op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. En op deze website over Oltmans. M.J. Langhout beschrijft de aanslag op Loevestein in zijn dissertatie over De Reformatie te Gorcum, 1550-1610 (verdedigd aan de Theologische Universiteit in Kampen op 30 juni 2017), 85-88: “In de lastbrief van de Prins voor Herman de Ruyter staat dat hij het aantal manschappen en middelen die hij nodig acht moet verzamelen om, met Gods hulp, het kasteel samen met Gorinchem en Woudrichem in te nemen voor de dienst van zijne majesteit.” (86)
Geert Mak, Jan Bank, Gijsbert van Es, Piet de Rooy, René van Stipriaan, Verleden van Nederland. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2008. “De vaak geciteerde woorden ‘Dat nooit! Dan liever de lucht in!’ heeft hij [Jan van Speyk]  waarschijnlijk nooit uitgesproken. Ze zijn vermoedelijk terug te voeren op een brief die hij in december 1830 schreef aan een nicht in Amsterdam: “Intusschen moet ik Ued, zeggen (zoo ik hoop mij te willen geloven) dat eerder Boot met kruid en mij in de Lugt gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig over te geven.” (332)
Johannes van Oostendorp [Nederlands fuselier], “Straatgevechten in Antwerpen: Van Speyk vliegt de lucht in.” In: Geert Mak, Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages.12 Amsterdam: Ooievaar, 2001, 134-138 (de eerste druk ervan verscheen in 1991)
Ad Verbrugge, “Vrijheid en veiligheid: Een fenomenologische reflectie op de Nederlandse identiteit vanuit het landschap.” In: Gabriël van den Brink (red.), Waartoe is Nederland op aarde? Nadenken over verleden, heden en toekomst van ons land. Amsterdam: Boom, 2018, 143-172
Als je van de literaire producten van de Romantiek kennis wil nemen, vind je hier een goed voorbeeld, recenseert K. Nolles in het Nederlands Dagblad van 22 april 1980: “Het lezen valt dan echt wel mee. Je moet tegen wat bloedige tonelen kunnen, maar bij het realisme van de huidige oorlogsromantiek in sommigen boeken zijn de beschrijvingen van Oltmans kinderspel.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *