Stille Week

We hebben samen Hem aan ’t kruis geslagen:
Hitler en Churchill en Stalin en ik.
Zijn handen beefden wel een ogenblik
maar niemand onzer heeft Hem horen klagen.

We hebben samen Hem naar ’t graf gedragen:
de dominee en ik en de pastoor.
We hadden allen ’t beste met Hem voor
en zijn Hem ongelovig gaan begraven.

Drie dagen heeft Zijn lichaam er geleden,
veilig geborgen achter zware steen.
‘Het Dagblad’ schreef: “Een zeer goed mens ging heen.”
‘De Humorist’ zelfs heeft beleefd gezwegen.

Maar na drie dagen is Hij opgestaan
en heeft geglimlacht, … en is weggegaan.

‘‘t En zijn de joden niet die U kruisten’ van Jacob Revius (1586 – 1658) is een bekend kruisigingsgedicht. ‘De soldaat die Jezus kruisigde’ van Martinus Nijhoff (1894 – 1953) is er ook een. ‘Stille Week’ van psychiater, dichter, columnist Piet Los (1924 – 2003) hoort in diezelfde categorie maar is niet zo bekend. Verborgen in zijn bundel uit 1978: Wijnazijn. Als je die bundel weer, als bij toeval, pakt en leest en dit gedicht tegenkomt, dan is het tijd om even stil te staan. Vooral als het lezen zich voltrekt vlak voor Goede Vrijdag en Pasen, in het jaar onzes Heren 2025.

De eerste strofe legt een verband tussen helden, boeven en de ik-persoon. Gemeenschappelijke actie is: Jezus kruisigen. Niemand kan zich uitzonderen van het kwaad. De reactie van de Heer is ontvangend. Een klacht had er kunnen zijn – gelet op de opgetelde schuld of de genoemde gemeenschappelijkheid. Geen klacht. Het is passend zo.

Het tweede kwatrijn gaat weer over gezamenlijkheid, nu bij de graflegging. De ik is in het gezelschap van de geestelijkheid. Eerst de wereld, nu de kerk. De beide hoofdstromingen uit het christelijke Westen vertegenwoordigd. Hier komt de dichter ons al subtiel bespelen. Het beste met Jezus voorhebben kan dus ook betekenen dat je Hem ten grave draagt. Door ongeloof de Levende niet ervaren in je leven – niet willen zelfs misschien.
Ik moet nu direct meedoen, dominee van beroep, dus ja. Dit klinkt mij heel modern en uiterst passend in de oren. Dat je gelooft in een verre God. Wat wij doen hier op aarde kan in Gods naam gedaan worden, maar pas later zullen wij weten of het past bij zijn naam. Het kan ook zijn dat wij hem – met alle goede bedoelingen – praktisch hebben doodverklaard. Ik kan mij in die openheid wel vinden. Het is wat eenzaam hier beneden, als je niet gelooft dat elke zucht door de Geest wordt ingefluisterd. Maar je kunt wel leven ‘op hoop van zegen’. 

Dan het derde kwatrijn – de opbouw van het sonnet is op z’n Shakespeares – dat begint met de beschrijving van de stille zaterdag tot en met de vroege Paasmorgen. Veilig geborgen betekent dat er reden was om onheil te verwachten. Terecht, de pers laat zich horen, door schrijven en zwijgen – tweemaal een misser van jewelste. Die verwijzing naar De Humorist is prachtig gevonden, nietwaar? Wie koppelt Jezus aan humor? Niemand bijna. En dat is nu precies wat wij allemaal denken: Jezus is humorloos. Net zo goed als niemand bezwaar maakt tegen de typering ‘een goed mens’. 

Vandaar de reactie van de verrezen Heer: een glimlach. Over humor gesproken.
En vertrek. Hoe kun je bij mensen als wij veilig zijn? Hij was het achter een zware steen.
Nu dan maar ten hemel gevaren – hier op aarde overgeleverd zijn aan het oordeel van mensen? Het zal toch niet?
Het gedicht gaat niet verder naar Pinksteren. Dat is verfrissend, even geen geruststellende afhechting.
Wij blijven als lezer even peinzend achter: hoe ga ik met de Heer om?


Naar aanleiding van Piet Los, ‘Stille Week’, In idem, Wijnazijn. Kampen: Kok, 1978, 38.
Hans Werkman in zijn In Memoriam (Nederlands dagblad 9 augustus 2003): “Piet Los placht te zeggen dat alle psychiaters min of meer gek zijn. Relativeren was een van zijn levensbehoeften. … In zijn psychiatrische gedichten keek hij graag vanuit de patiënt naar de zogenaamd gezonde wereld. Waar eigenlijk zitten de gekken?”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *