Schuwe hulsels

Hulde van Chevalier de …
Aan Duchesse de …

Als volle witte meibloesems,
rond en met rozige zachte knoppen,
zijn je jonge borsten, beminde.

Boven het smalle, soepele lichaam
staan ze hoog en rijpen zwellend,
zoete granaten op een buigzame stam.

Je buigt en ze zinken rustig,
je knielt en over je malse armen
glijden ze met roze snavels.

Je staat en werpt met opgeheven kin
je weerbarstige haar in je nek:
trots tartend verheffen ze zich en verstijven.

Verberg je hun zwelling in kant en zijde,
dan rijzen ze als uit nevelsluiers
witte koepels van stille bergtempels
ontembaar onder de schuwe hulsels.

We kunnen ons als mensheid rijk rekenen met de bundel liefdesliederen die bekend staat als het Hooglied. Het Lied der Liederen. Een jonge man en jonge vrouw bezingen elkaar. Hier een voorbeeld van wat hij de lezer te melden heeft over zijn geliefde:

“Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk, liefde en verrukking, dat ben jij.
Als een palm is je gestalte, je borsten zijn als druiventrossen.
Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen, ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten als trossen van de wijnstok zijn, je adem als de geur van appels, je tong als zoete wijn …”
(Hooglied 7,7-10)

Wat de dichter doet is de kracht van vergelijking ten volle benutten. Materiaal om te vergelijken is eerst en vooral te vinden in de natuur. De vorm, de geur, de smaak, maar ook de uitnodiging: een palm kan je beklimmen. Naarmate wij ons als lezer laten activeren om het beeld verder uit te werken – in eigen gedachten – wordt de lading van de woorden groter. Wat ongezegd gesuggereerd wordt kan heerlijke opwinding veroorzaken. Zou dat misschien de bedoeling zijn?

Ik ervaar hetzelfde bij dit gedicht van Richard von Schaukal. In de mooie bloemlezing van Paul Claes, De blauwe bloem: De beste 101 Duitse gedichten, kwam ik hem tegen. Onbekende ster voor me, en waarachtig daar had hij me te pakken met dit gedicht over bevallige borsten. Bij de aantekeningen achterin noteert Claes dat deze Richard von Schaukal leefde van 1874 – 1942 en in leven een Oostenrijkse ambtenaar was uit Moravië, en ook vertaler, criticus en neoromantisch dichter. En dan nog dit, aldus Claes: “Dit galante gedicht baadt in een rococosfeer.” (245)

Rococo, ik moest het weer even opzoeken. Wikipedia helpt en nu weet ik dat deze Europese stijlperiode haar hoogtepunt beleefde tussen 1730 en 1760. “Het woord rocaille gaat terug op de Franse woorden roc (rots) en coquilles (schelpen) en geeft aan dat het vooral om een decoratieve stijl gaat.” Decoratief, zo eindigt het borstengedicht in elk geval. Wat nu, zo heeft de dichter gedacht, als wij die mooie jonge borsten ons eens voorstellen in kant en zijde? Tja, dan ben je ineens in een berglandschap, ver weg van alledaagsheid van het bestaan. In nevels gehuld zie je bergtempels verrijzen en dat wijst op ontembaarheid. De verhulling kan niet compleet zijn en dat is bewonderenswaardig opwindend. De decoratie maakt de verbeelding allemaal maar sterker.

Dat is wat dit gedicht goed doet: de borsten van een jonge vrouw van verschillende kanten zo belichten dat je je er niet van kan losmaken. Eerst ontvangen wij de vergelijking met meibloesems, dan zijn het granaatappels, vervolgens worden we even aan het denken gezet met ‘roze snavels’. Welke vogel heeft die? Maar dan dit onweerstaanbare fysieke werkelijke: de pront verheven borsten, stevig, stijf. Maar we eindigen in verhulling. In kant en zijde gebeurt er iets wat verder gaat dan de al zeer te prijzen borsten in onthulling.

Misschien is het dát, wat we zo aanspreekt. Het mysterie moet blijven. Het mysterie moet terugkomen. Het mysterie kan betoveren. Erotiek in lingerie windt meer op dan bloot.
En dat geldt voor zoveel meer domeinen van het leven, toch? We zijn gebaat met schuwe hulsels.


Naar aanleiding van: Richard von Schaukal, ‘Hulde van Chevalier de… Aan Duchesse de …’ In: De Blauwe bloem: De 101 beste Duitse gedichten, vertaald en samengesteld door Pauls Claes. Amsterdam: Van Oorschot, 2024, 160-161.

Wie volle weiße Maienblüten,
rund und mit rosigen zarten Spitzen,
sind deine jungen Brüste, Geliebte.

Über dem schmalen geschmeidigen Leibe
stehen sie hoch und reifen schwellend,
süße Granaten am biegsamen Stamme.

Du beugst dich und sie senken sich ruhig.
Du kniest und über die weichen Arme
gleiten sie mit den rosa Schnäbeln.

Du stehst und wirfst mit erhobenem Kinne
dein widerwilliges Haar in den Nacken:
stolz fordernd heben sie sich und starren.

Birgst du die drängenden in Spitzen und Seiden,
steigen sie wie aus Nebelschleiern
weiße Kuppeln stiller Bergestempel,
ungebändigt unter den scheuen Hüllen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *