Ruim een maand was ik toen Herman Hesse stierf. Ik ben geboren op 27 juni 1962 en hij overleed op 9 augustus van datzelfde jaar. Het is nu 2025 en ik lees voor het eerst zijn roman Narziss en Goldmund. Ik zie dat dit verhaal in 1930 voor het eerst gepubliceerd werd. Dat is bijna honderd jaar geleden! Had hij niet zulke geweldige romans geschreven, ik had zijn naam waarschijnlijk nooit gehoord. Maar ik heb Siddhartha (uit 1922) al jaren geleden met bewondering gelezen. En ook dit keer had ik het gevoel dat het boek niet eindigen mocht. Wat een weldaad om goede literatuur te lezen, ook nog goed vertaald, en vooral omdat het over de essentie van leven gaat: kun je de vergankelijkheid onder ogen zien en bestaat er zoiets als een nalatenschap?
Lees Narziss en Goldmund.
Narziss en Goldmund staan voor twee typen. De rationele, lerende en ordende mens, en de avonturier die z’n gevoel en lust volgt en de orde aan z’n laars lapt. Zo kunnen het ook twee kanten vormen van één persoon. Je verlang het volgen van je impulsen en je wilt je leven door ratio en kennis en orde beheersen.
In het begin van de roman komen beide bij elkaar. Er ontstaat vriendschap. Maar al gauw is helder: Goldmund gedijt niet onder het gezag en de orde. De enscenering is een klooster in het middeleeuwen. Veertiende of vijftiende eeuw, het is niet heel duidelijk gedateerd, al doet de pestepidemie wel vermoeden dat we het hebben over het midden van de veertiende eeuw. De vader van Goldmund brengt hem in Mariabronn: “Het was een jongen die, al een hele tijd geleden door zijn vader aangemeld, op een voorjaarsdag arriveerde om een begin te maken met zijn studie aan de klossterschool. Bij de kastanjeboom bonden ze hun paarden vast, de jongen en zijn vader, en uit het portaal kwam de portier hen tegemoet.” (11) Daar, in Mariabronn, speelt zich de eerste kennismaking en toenadering met Narziss af. Maar vervolgens laat Hesse ons lang meelopen met alleen Goldmund. Hij trekt de wijde wereld in. Op zoek naar zijn bestemming.
De bestemming van het leven was al onderwerp van gesprek geweest tussen de twee vrienden. “Ons doel is niet in elkaar over te gaan, maar inzicht in elkander te verwerven en dat de een in de ander leert zien en eerbiedigen wat deze is: tegenhanger en vervollediging van de ander.” (40) Wat we in feite in dit boek meemaken is de zoektocht naar eenheid (of beter: verbinding) tussen die twee kanten, de rationele heerschappij en de emotievolle drang. Aan het slot horen we de twee vrienden er weer over spreken. Het gaat over vriendschap die op eenheid aankoerst. “Als ik dan toch weet wat liefde is,” zegt Narziss tegen de stervende Goldmund, “dan komt dat door jou. Van jou heb ik kunnen houden, alleen van jou, van alle mensen die er bestaan.” (276-277) Het is een pleidooi om voluit het leven te genieten. De orde en de ratio hebben het nodig om te leren wat liefde is. Wat een goede gedachte.
Maar de dood en de vergankelijkheid omringen ons. Zij bedreigen deze liefdevolle eenheid. De vrede is zo vaak zoek. Goldmund heeft al vroeg zijn moeder gemist. (12) In alle meisjes en vrouwen die hij verleidt, zoekt hij de eenheid met de bron van zijn leven. In het spirituele spoor van het christelijk geloof komt de heilige moeder Maria hem tegemoet.
Goldmund komt in een kapel een Mariabeeld tegen:
“Het was een Mariabeeld van hout; zij zag er zo lief uit, haar houding was zo innemend als hij zich niet kon herinneren ooit eerder gezien te hebben. Zowel de plooival van de blauwe mantel om haar frêle schouders, en het gebaar dat ze maakte met haar verfijnde meisjeshand, als de manier waarop boven een mond met een uitdrukking van pijn haar ogen je aankeken en haar voorhoofd zich welfde – het was allemaal even levensecht, even mooi, even bovenaards en bezield. Hij kon maar niet genoeg krijgen van de mond en de lieflijke, bescheiden welving van die hals. Hij had het gevoel dat wat daar stond iets was wat hij vaak eerder had gezien, in zijn dromen en fantasieën, iets waarnaar hij al dikwijls had verlangd. Meer dan een keer maakte hij aanstalten om te vertrekken, maar even vaak werd hij weer naar het beeld toe getrokken.” (134)
Hij is er zo ondersteboven van dat hij de maker ervan wil kennen. En van die maker wil leren ook zo iets te kunnen maken. Zo komt hij bij Niklaus en leert hij het vak. Hij vermoedt dat hij met kunst iets produceert dat zich kan meten met de kennis van de vriend die hij achter zich heeft gelaten. “Als wij nu als kunstenaars beelden maken, of anders als denkers wetten en gedachten proberen te formuleren, dan doen wij dat om toch in elk geval iets in veiligheid te brengen uit de grote dodendans, iets te maken dat van langere duur is dan wijzelf.” (141, zie ook 213, 241, 262, 277)
De meester beeldsnijder ziet dat Goldmund uitzonderlijk talent heeft. Het laat hem een meesterstuk maken en wil hem in het gilde op laten nemen via een verkorte route; en dan met z’n dochter trouwen. Maar is eenmaal zijn werkstuk klaar, dan is de onrust van Goldmund opnieuw groter dan het vak, de orde en ook dan Lisbeth, de dochter van Niklaus. Weer gaat hij alleen op pad en moet door de harde wereld van de pest heen het leven zien te behouden. Als hij dan ten slotte terug keert in de stad van zijn leermeester is alles wat hij in goede herinnering had verdwenen. Dan heeft hij ook geen weerstand meer aan de volgende verleiding. Agnes, de schone vrouw van de graaf, verschijnt en laat zich verleiden. Goldmund gaat voor de bijl. Deze keer wordt hij gepakt. Hem wacht de dood.
Hij krijgt nog de kans om te biechten. De monnik die binnenkomt is… jawel, Narziss. Goldmund ontvangt gratie en keert terug naar Mariabronn. Daar zal hij uiteindelijk sterven en terugkeren naar de oermoeder. Vrede op aarde bestaat, maar niet onaantastbaar: “Vrede bestaat, zeker, maar niet zo dat die blijvend in ons woont en ons niet meer verlaat. Er bestaat alleen een vrede, die steeds opnieuw bevochten wordt en die van dag tot dag opnieuw bevochten moet worden.” (262-263, zie ook 278) Na de dood echter wacht een verenging, een hereniging: “Ik kan de gedachte niet van me afzetten dat het in de plaats van de dood met de zeis mijn moeder zal zijn die me weer bij neemt, die me terugbrengt in het niet-zijn en in de onschuld.” (278)
De kunst die hij achterlaat is een herinnering en een verwijzing naar het hogere. Zo zijn de romans van Hermann Hesse een teken dat het zoeken naar de bestemming van het leven generatie op generatie de opdracht blijft. En dat we elkaar over de geslachten heen erbij kunnen helpen. Daarom lees ik zulke goede boeken. Daarom lees ik poëzie. Daarom schrijf ik gedichten. Veel ervan zal geen gedachtenis worden. Maar als er iets is, iets kleins, dan zal ik tevreden zijn. En als het alleen de liefde is die herdacht wordt, ook goed. Want de liefde van een ander zit in mij en de liefde die ik geven kan gaat mee in de ander en ten slotte keren wij terug naar de bron van alle leven: de Liefde zelf in eigen persoon. God.
Naar aanleiding van: Hermann Hesse, Narziss en Goldmund.34 Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2007, in de serie De Twintigste Eeuw, no. 41. De eerste druk van de vertaling verscheen in 1970. Het origineel verscheen in 1930 in het Duits onder de titel Narziss und Goldmund, bij Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main. Vertaling door Pé Hawinkels. Hermann Karl Hesse (Calw (Duitsland), 2 juli 1877 – Montagnola (Zwitserland), 9 augustus 1962) ontving in 1946 de Nobelprijs voor Literatuur.

“Voor de poort van het klooster Mariabronn, met zijn op tweelingzuilen rustende ronde boog, vlak bij de weg, stond een kastanjeboom, een vereenzaamde zoon van het zuiden, onheuglijk lang geleden meegebracht van een pelgrimstocht naar Rome, een kastanje van een edel soort, noest van stam …” Zoals het betaamt zet de eerste zin van een goede roman de eerste thema’s al op de kaart. (5, zie ook 11 en 246)
In 2020 is het boek verfilmd. Klik hier voor de trailer.
Klik hier voor mijn blog over Siddhartha.