Orizuru
Je kunt een vrouw maximaal zeven keer vouwen
voordat ze niet meer meebeweegt. Dat heb ik onderzocht.
Het zijn niet zozeer de bochten waarin zij zich wringt,
maar het dwingende waarop haar weerstand exponeert.
Ze halveert bij elke vouw, terwijl ze opstapelt in zichzelf.
Dit fenomeen doet zich voor ongeacht haar afmeting,
dichtheid en het vermogen zichzelf te ontkennen.
Zelf ben ik al kraanvogels geweest, een kikker
die echt kan springen en een modulaire kubus
om je geheimen te bewaren, je trouwring of iets anders
dat je liever achterwege houdt.
Een vrouw vouwt over het algemeen vanzelf weer uit
tot haar oorspronkelijk staat, maar het laat zachte lijnen na
waar zij gemakkelijk in terugklapt en te zijner tijd scheurt.
Dat gebeurt voornamelijk wanneer zij al jong werd geplooid
en nooit geleerd heeft wie ze is.
In theorie zou je een vrouw 39 keer moeten vouwen
om een stapeling te bouwen tot voorbij de maan. Haar bestaan
zou daarmee ter discussie raken. Hoe vaker gevouwen,
hoe verder haar oppervlak halveert. Ze verkleint
met een slag per keer tot ze uiteindelijk verdwijnt.
Je kunt een vrouw dus hooguit zeven keer vouwen
voordat ze niet meer meebeweegt. Je noemt haar dan koud
en onwendbaar, ongenaakbaar of frigide. Ze is rigide.
Je vindt haar hysterisch, een kenau, onvrouwelijk
omdat ze weigert en verwijt haar de vorm waarin je haar houdt.
Onthoud dat wanneer je verwacht dat ze glimlachend schikt.
De lijntjes rond haar mond zijn de allereerste vouw.
Yanaika Zomer
Ik moest het even opzoeken: orizuru. De orizuru is het bekendste Japanse origami-ontwerp, dat de kraanvogel voorstelt die volgens de legende duizend jaar leeft. Het symboliseert vrede, een lang leven en herstel. En wat mij ook niet bekend was: de kraanvogel wordt in de Japanse cultuur beschouwd als een ‘Edele Heer Kraanvogel’ en de vleugels dragen zielen naar het paradijs. Het is een krachtig symbool voor hoop en vrede geworden, sterk verbonden met de slachtoffers van de atoombom in Hiroshima.
De orizuru wordt gevouwen uit een enkel vel vierkant papier (meestal origineel Japans origami-papier) en dat is waar het gedicht van Yanaika Zomer over gaat: het vouwen van het papier is beeld van het vormen van een vrouw naar de wensen van haar man – tegen haar wil. Het beeld van het vouwen – ogenschijnlijk onschuldig – wordt een analytisch instrument om relationele dynamiek bloot te leggen. En dat is voor Bijbellezers bepaald nuttig om te lezen. En te schrikken.
Papier kun je niet onbeperkt vouwen. Wie een A4 zeven keer probeert te halveren, merkt weerstand, dikte, opstapeling van materiaal. De fysica is helder: bij elke vouw verdubbelt de dikte en halveert het oppervlak. De weerstand neemt exponentieel toe.
Zomer neemt dit natuurkundige gegeven en past het toe op een vrouw en haar lichaam. Cruciaal is regel 2: “Dat heb ik onderzocht.” Dat klinkt klinisch, bijna laboratoriumachtig. Het experiment suggereert neutraliteit, maar het object van onderzoek is een vrouw. Daarmee verschuift het van natuurkunde naar macht. De regel “Ze halveert bij elke vouw, terwijl ze opstapelt in zichzelf” is psychologisch scherp. Halvering van oppervlak (zichtbaarheid, ruimte) gaat samen met interne verdichting (opstapeling van spanning, herinnering, trauma). Wat bij papier puur materieel is, wordt bij de vrouw existentieel. Er is een grens aan meebuigen. Daarna breekt of verstijft iets.
De spanning met de Bijbelse teksten over ‘onderschikken’ is evident. In onder meer Efeze 5 wordt onderdanigheid in een relationele ordening geplaatst: wederzijds, maar ook specifiek (vrouw–man, kind–ouder, slaaf–heer). Dat kader veronderstelt gezag en orde, maar volgens de tekst ‘uit eerbied voor de Heer’, dus begrensd door Christus.
Wat doet het gedicht? Het toont wat er gebeurt wanneer onderschikking geen vrijwillige, liefdevolle beweging is, maar een extern opgelegde vorming. Dan wordt ‘vouwen’ geen dienstbare zelfgave, maar dwangmatige modellering.
De Bijbelse oproep tot nederigheid is ingebed in christologie: de Heer schikte zich gewillig naar zijn Vader. Maar in het gedicht ontbreekt die wederkerige liefde. De man in het gedicht (impliciet aanwezig als ‘je’) verwacht dat zij ‘glimlachend schikt’. Dat is geen wederzijdse onderdanigheid; dat is normerende macht.
Er zijn gelovigen die menen: gelijkwaardigheid en onderwerping kunnen samengaan. Het gedicht lijkt te antwoorden: in de praktijk worden die twee vaak losgetrokken. Dan blijft alleen onderwerping over, zonder erkende gelijkwaardigheid. Zomer laat zien wat er gebeurt als liefde ontbreekt: de vrouw wordt object van vormgeving; haar weerstand wordt negatief gelabeld (‘koud’, ‘hysterisch’, ‘frigide’); haar grens wordt gelabeld als ziekelijk of slecht. De punchline – “De lijntjes rond haar mond zijn de allereerste vouw” – ontmaskert een cultuur waarin zelfs glimlachen al een aanpassing is. Precies die karikatuur is historisch vaak als Bijbels gelegitimeerd.
“Ik ben al kraanvogels geweest…” De orizuru is een symbool van hoop en wensvervulling in de Japanse traditie. Hier wordt het een metafoor voor maakbaarheid. De vrouw wordt wat de ander van haar maakt. Dat is relationele vervreemding. Yanaika Zomer schrijft geen dogmatiek. Ze schrijft poëzie. Maar ze stelt wel een dogmatische vraag: wie bepaalt de vorm van de ander?
Dat is geen kleine vraag.
Naar aanleiding van: Yanaika Zomer, ‘Orizuru’ in: Ik sta in wilde schoonheid: Meer dan 100 gedichten over het vrouwenlichaam, geschreven door vrouwen, samengesteld en ingeleid door Susan Smit. Amsterdam: Lebowski, 2025, 175-176.
Voor meer info over Yanaika Zomer, klik hier.
