Meer god dan mens

De machtigste mens op het dorp was de hoefsmid.
Hem bracht een boer zijn paard om te beslaan,
een merrie of een ruin en soms een hengst,
die om zijn kuren werd gevreesd.
Zo’n paard, dat met een klap of stamp
een man vermorzelen kan, tilde zijn poot
gehoorzaam in de holte van zijn hand,
want hij behoedde hem voor struikelen op al zijn wegen.
Hij was niet groot of bovenmate sterk, de smid,
maar voor het paard meer god dan mens.

“Want nu zegt de zwakke: ik ben sterk; zegt de arme: ik ben rijk, om wat de Here heeft gedaan, voor ons.” Het is een liedregel uit Opwekking 331 (Breng dank aan de Eeuwige) die makkelijk blijft hangen. Toch is de inhoud allesbehalve eenvoudig. Het is de woordkeus van de paradox. Het kan logisch niet samengaan en toch benoem je dit als de waarheid: als ik zwak ben, ben ik sterk; als ik arm ben, ben ik rijk.
In het christelijk geloof is dat een adequate reactie op de gelukwens van Jezus. Gelukkig jullie die arm zijn, want voor jullie is het koninkrijk van God. (Lukas 6,20) In de liedregel is de toekomst vandaag aan de orde. Dat is geloofstaal die durft.
En die gelukwens van Jezus gaat terug op het patroon van Gods werk van alle tijden. Hij doet het paradoxale leven voor, in Jezus. Jezus Christus laat zich wegdrukken, negeren, bespotten, ja zelfs arresteren en kruisigen – terwijl Hij niemand minder is dan de Eigenaar van mens en wereld. Hij kwam tot wat van Hem is maar zij hebben Hem niet met alle respect ontvangen. (Johannes 1,11) Daar loopt elk verzet op stuk. De machthebbers krijgen Hem niet echt in de vingers. De dood kan Hem niet vasthouden. De duivel wordt van de troon gestoten (Hebreeën 2,14). En vijanden komen tot bekering. De man die de gemeente van Christus vervolgt wordt tot een gehoorzame ambassadeur van diezelfde Christus omgevormd. (Handelingen 9)
Wat is dat toch, die weerloze overmacht van de Heer?

Deze vraag krijgt een bewonderde variant in het gedicht van Koos Geerds. De sterke invalshoek is dat dit gedicht het begrip macht volledig omdraait. De ‘machtigste mens’ is niet de burgemeester, de dominee, de landeigenaar of de rijke boer, maar de hoefsmid. “Hem bracht een boer zijn paard om te beslaan…” Prachtig met dat ‘Hem’ voorop.
Waarom de hoefsmid? Niet omdat hij brute kracht bezit. Hij dient het paard. “Want hij behoedde hem voor struikelen…” Dat is de taal van Gods Woord: “De enige God, die de macht heeft u voor struikelen te behoeden…” (Judas 24) Zo praat je over de Almachtige. Dat zien we terug in die hoef en de hand. Het is loepzuiver geobserveerd. Want het gaat om paarden die om hun kuren angst aanjagen. Met een klap of stamp van zo’n paard is een man tegen de aarde geslagen. Dat sterke dier tilt zijn poot op en legt die in de holte van de hand van de hoefsmid. Gehoorzaam. Omdat hij hem vertrouwt. De smid beheerst het paard niet door angst, maar door dienst. Macht ontstaat hier uit zorg. En daarom is de smid inderdaad het beeld van de God van de Bijbel: Hij is ‘meer god dan mens’.

Ik las kort geleden weer Psalm 68. Een uitbundig lied over de overwinning van God. Hij ‘verplettert de hoofden van zijn vijanden, de harige schedels van wie met schuld beladen zijn’ (22) en intussen weet de rechtvaardige zich veilig bij deze ‘vader van wezen, beschermer van weduwen’ (6a). Die twee dingen hebben dus alles met elkaar te maken: wie God heeft leren kennen als de God die je voor struikelen kan behoeden, die mag weten dat de bruten die over lijken gaan, aan deze God een harde dobber hebben.


Naar aanleiding van: Koos Geerds, ‘De machtigste mens op aarde was de hoefsmid’ In: idem, Staphorst. (3e druk) Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1998, 37.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *