Meer dan een tuin

Tuinier

Het kraakt in mijn stille bomen
en zacht gaan hun knoppen kreunen
wie wil hoort de bange geluiden
het houtige handenwringen
om al wat wij weer moeten doen
mijn slakken mijn vogels mijn stekken
de torren het gras. Het fijne vertakken
het boren en zingen het gaat in de wind
in de doem van het even paren
om open te springen en spelenderwijs
zijn slag te slaan in het groen
vervolgd te zijn in de blaren.

Ed Leeflang, Gaandeweg, 36

Het gedicht Tuinier is een compact en weerbarstig stuk taal, waarin stilte, arbeid en vergankelijkheid onder één noemer vallen. De vorm en interpunctie spelen daarbij een beslissende rol. De dichter plaatst slechts twee punten: één na regel 7 en één aan het einde. Dat is opvallend in een tekst vol opsommingen en wendingen. De afwezigheid van komma’s dwingt de lezer tot een aarzelende, zoekende leeshouding. De regels ademen zelf: elke afbreking fungeert als ademteken. De enige echte zinbreuk – bij de punt in regel 7 – markeert een omslag. Daar begint niet zomaar een nieuw beeld, maar een nieuwe toestand: wat eerst beschrijving was, wordt proces, bijna metamorfose.

Het eerste deel, van de hoofdletter tot de eerste punt, is beschrijvend. ‘Het kraakt in mijn stille bomen…’ Allitererende k’s en ‘houtig handenwringen’ zijn de taalmiddelen die ons meenemen in iets moeizaams. Wat er precies kraakt gaat we nog horen maar helder is in elk geval dat het gaat over de bomen van iemand: ‘mijn stille bomen’.  Of we hier te maken hebben met concrete objecten in de tuin van de ik-figuur of een beeldsprakige aanduiding van iets van zijn lichaam of geest of nog bredere leven, we laten het even open. Hij beschrijft dat het kraakt.
Het tweede werkwoord dat de ik-figuur gebruikt is ‘kreunen’. Nu worden lezers betrokken, ‘wie wil’ hoort bange geluiden in hout. En we krijgen er nu de reden bij geserveerd: deze geluiden zijn er omdat wij weer iets moeten doen, ‘al wat’. Onbepaald en vaag beschreven. En vlak voor de eerste punt blijkt het niet alleen de bomen van de ik-figuur betreft. Nee, hij heeft ook slakken, vogels, stekken, torren en het gras. Kortom, we hebben een klein ecosysteem aangetroffen. Het is stil maar de stilte wordt verbroken door bange geluiden van dat ecosysteem. Is de tuin een miniatuur van het menselijk bestaan: stil, maar vol onrustige, noodlottige activiteit? We zijn aangesproken als lezers en ‘wij’ moeten weer wat doen. Ik denk dus ja.

De tweede zin vertelt wat het effect is, het resultaat van dat ‘doen’ wat gedaan moet worden. De geluiden blijken te maken hebben met ‘paren’ (regel 9), dat maar kort duurt maar niettemin veel effect heeft. De taal wordt dynamischer: ‘Het fijne vertakken / het boren en zingen’. Alles lijkt te bewegen, te willen leven. Toch blijkt die energie niet bevrijdend, maar gedreven door een onontkoombare natuurwet: ‘de doem van het even paren / om open te springen.’ Het paren als voortplanting kan ‘spelenderwijs’ een vreugdevolle bezigheid zijn (althans zo komt het voor bij mensen) maar nu gaat het over ‘de doem van het even paren’. Dat klinkt niet best. Het moet maar je wil het niet. Wie gedoemd is ondergaat een moeizaam lot, opgelegd door een hogere macht. Het staat parallel met ‘in de wind gaan’ uit de regel ervoor en dat klinkt als verwaaien. Er niet toe doen omdat je weggevoerd wordt en aan het zicht onttrokken. En zo moet de slotzin toch wat somber worden geïnterpreteerd lijkt me: je krijgt een vervolg in de ‘blaren’. Dat kan een samentrekking zijn van ‘bladeren’ maar ‘blaren’ als zelfstandig woord heeft ook de betekenis van blaasjes (op de huid), wat een extra laag toevoegt: iets pijnlijks, een verwonding die uit inspanning voortkomt. De schepping draait, en alles erin moet meedoen. De ik en zijn omgeving worden meegesleurd in een cyclus waarin leven onlosmakelijk met vergaan verbonden is.

De titel ‘Tuinier’ geeft dit alles een menselijk perspectief. Met die ene aanwijzing wordt de tekst gelezen als reflectie op het werk van de mens in zijn schepping, het zorgdragen voor iets wat hem tegelijk overweldigt.


Naar aanleiding van: Ed Leeflang, ‘Tuinier’ In: Idem, Gaandeweg. Gedichten, bezorgd en samengesteld door Judith Herzberg. Amsterdam-Antwerpen: Arbeiderspers, 2009, 36.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *