Liefde die sprak

Magdalena schreef een van de apocriefe evangeliën die in 1896 in Caïro werd gevonden

Deel mij niet als brood. Ik ben één
ieder. Ik ben hem die ik volg,
die mij als geen ander ziet. Houd mij
niet vast in uw beeld. Laat mij
als malse heuvels, de schuren
in oktober. Vrucht is barstend vel,
vleesgeworden licht. Er zijn geen harten,
er is één hart.
Zo die liefde die sprak.

Ik kwam op mijn pad. Ik zag mij. Haren
zwart, ogen zonder wacht. Riten stroopte
ik als vel af. Er zijn geen regels, geen
ribben als ontstaan. Alles is nieuw:
mens zoals hij zat. Mens was wat ik
had. Ik waste zijn voeten, zette
geen stap. Afstand kromp tot pad, eigen
aan wie ik was.
Zo schoot ik vast, als gras

tussen keien, hoop in een hart. Liefde
werd wat ik zag door hem te dragen
in mijn oogopslag. Ik bewandel mijn
wegen. Zand onder mijn voet. Hij heeft
mij niet herkend. Ik zag in hem wie ik was:
het vuur in de haard, het deeg
in de kom, het goed in de kast ik ben
nieuw van ouderdom,
verbaasd van weten.

‘Zo die liefde die sprak’. Het slot van de eerste strofe geeft een duiding en tegelijk blijft de vraag open: wie is hier nu aan het woord? Maria Magdalena in de apocriefe versie, aldus het opschrift, en dat is voor de ingevoerde lezer een aanwijzing. We komen daarmee in de sfeer van de vroeg-christelijke gnostiek die de eenheid in alles als hoogste realiteit beschouwde. De dualiteit van verschillende personen verdampt in het geestelijk opgaan in elkaar. Voeg daarbij de legendarische gedachte dat Jezus en Maria van Magdala een liefdesrelatie hebben gehad en zie daar hoe dit gedicht een context krijgt. Hier spreekt de verbindende liefde die de duidelijk gescheiden ikken in elkaar laat vloeien.

Toch is dat niet de reden waarom ik dit een mooi gedicht vind. ‘Liefde werd wat ik zag door hem te dragen in mijn oogopslag.’ Dat is een mooie zin. Compact en rijk aan verbeelding. Zo wil ik ook graag dichtregels schrijven en dat is een kunst op zich. Soms lukt het, vaak niet. Ik heb de bundel Van tijd het dood gewicht uit 1997 erbij gepakt. Daar tref ik een zin aan als ‘Tot aan de rand van horen rijdt de auto.” (Onvoltooid vertrek, p.17). Knap hoor. Of deze: ‘Ze heeft zich in een doek doen keren, gekleed in haar allermooiste zij. ‘ (Tentoon, p.16) en zo ik kan doorgaan: ‘Haar ogen vol zondagslicht, haar huid tentoon in het teder barsten van ferme vegen. Als klei.’ Kijk, daar heb je als lezer werk aan en dat deugt.

Terug naar Maria en de Heer. De gnostiek zegt dat hij in haar geboren is, als de zelfverwerkelijking. ‘Ik kwam op mijn pad. Ik zag mij.’ Even gemakkelijk en dan toch ook weer: ‘Afstand kromp tot pad, eigen aan wie ik was.’ Het meest treffende bij dit gedicht is de verbazing aan het slot: ‘…verbaasd van weten’. Ja dat herken ik als een mooi moment na de overweging van de liefde die sprak. Wat mij betreft spreekt echt een Ander, maar ik kom een eind mee met Magdalena.

Naar aanleiding van: Margreet Schouwenaar ‘Magdalena’s rede’, in: Ik blijf van hem dromen: Het leven van Jezus in gedichten, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Utrecht: Kokboekencentrum Uitgevers, 2019. Het gedicht stond eerder in Het Liegend Konijn, 2008

Margreet Schouwenaar, Van tijd het dood gewicht. Amsterdam: Querido, 1997. Klik hier voor haar persoonlijke website.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *