“Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.” De regel waait langs, verdwijnt, komt soms verhaspeld terug: hoe kwetsbaar is een kostbaar mens. Lange tijd bleef onduidelijk wie de auteur was van deze indringende regel – tot hij opdook in een bundel met gedichten bij Overijsselse locaties. Het spoor leidt naar Landhuis Brinkgreven aan de Deventer Bolkesteinlaan, een plek met een lange geschiedenis op ggz-gebied. ‘Achter de koezen verdwijnen’ – de witte stenen bij de oprijlaan – betekende in de volksmond weinig goeds. In 1892 kreeg het St. Elisabethziekenhuis de vergunning voor een buitengasthuis, naast het hoofdgebouw in de stad. Honderd jaar later, in 1992, werd het jubileum gevierd met onder meer een literaire prijsvraag. De winnaar: Okke Jager, met dit gedicht:
Verraadt ons aller angst zich niet
in wie het leven weerloos liet?
De glasglans stemt de blazer mild.
De kaarsvlam vormt de hand tot schild.
De krokus wijst beton zijn grens.
Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.
Okke Jager had een scherp oog voor mensen die met vallen en opstaan door het leven gaan. En voor degenen die daar geen rekening mee houden. “Waarom doen bijvoorbeeld jongens op een motor zo agressief tegen een aarzelende fietser?” vroeg hij zich af in een gesprek. “Omdat ze bang zijn voor de weifelaar in zichzelf. Ze denken ‘je bent óf kwetsbaar óf kostbaar’, maar het is juist de kwetsbare die kostbaar is.” (9) Het zou zijn laatste boodschap worden. Op 26 januari 1992 overleed Jager, 63 jaar oud. Een hersentumor werd hem fataal. Het gedicht schreef hij voordat de tumor zich openbaarde. “Ik was al kwetsbaar toen ik schreef over ‘de kwetsbaarheid’,” vertelde hij later. “Ook mijn vrouw had een voorgevoel. Zij had zonder duidelijke reden extra veel eten en andere benodigdheden in huis gehaald.”
Zijn dochter Ruth noemde het zijn meest indringende boodschap: hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.
Het gedicht opent met een vraag: zijn de weerlozen in ons midden niet de voorbeelden van de angst die we allemaal diep in ons dragen? Het is een aanname die lang niet iedereen herkent. Er zijn mensen die als ‘jongens op een motor’ zijn, die niets laten blijken van angst voor kwetsbaarheid. Zelfs als zij gekwetst worden, komt die angst niet ter sprake. Toch bedoelt Jager de vraag retorisch – zijn antwoord is: jazeker.
De volgende drie regels richten de aandacht op glasglans, kaarsvlam en krokus. Het zijn de subtiele, breekbare dingen die iets veroorzaken: de blazer wordt mild, de hand gaat beschermen, het beton moet plaatsmaken. Wat kan domineren wordt door het tere bestaan tot dienen gebracht. Met drie voorbeelden onderbouwt de dichter zijn stelling: blijkbaar zijn de blazer, de hand en het beton niet vanzelfsprekend tot hardheid en overheersen geroepen.
Dan rest de conclusie: hoe kostbaar is een kwetsbaar mens. Een vraagzin zonder vraagteken. Een oproep tot bezinning. Je bent zuinig op je kostbaarheden – of dat nu mooie spullen zijn of juist díe dingen waaraan een verhaal en een emotie verbonden zijn. Kijk zo eens naar de beschadigde en verkreukelde mensen om je heen. Zij vormen de kostbaarheden in ons bestaan.
Bij zijn begrafenis sprak dochter Ruth over de kwetsbaarheid van haar vader: “In het gevoelsleven was Okke als zovelen van ons, een klein kind dat bang was voor kritiek, dat verlangde naar bevestiging en aandacht, en dat geen vertrouwen in het leven kende.” (76) In zijn verzamelde columns beschreef Jager hoe hij omging met de ziekte: “Langzamerhand krijg ik pas inzicht in mijn ziekte, omdat ik inzicht heb in de persoon die aan die ziekte lijdt. Een ziekte slaat niet zomaar toe als een dief in de nacht. Ze kan een vorm van existentiële zelfexpressie zijn. Ik zie het met een verblindende helderheid.” (39) Hij voerde het gevecht met de tumor op zijn eigen wijze: “Ik roep het beeld op van de grijze celletjes waar ik op in hak in naam van de commandocellen van de witte bloedlichaampjes. Ik zie de vloeistof naar beneden gaan. Mijn hele lijf werkt eraan mee. Hoor het kletteren van de zwaarden! Zie het sijpelen van de drabberige vloeistof! (…) Tot dat er eenmaal in mijn voorstelling een schoon hoofd verschijnt.” (45-46)
Het mocht niet baten.
Maar zijn regel blijft – hardnekkig, troostend, confronterend.
Naar aanleiding van: Okke Jager, Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens. Baarn: Ten Have, 1992.
Overijssel: Literaire reis langs het water. Stichting achterland Zeist, 2012.
Klik hier voor het kunstwerk door beeldhouwer Jeanot Bürgi.
