Een Bijbelse Jezus Christus?
‘Hij mocht wel zo een plant wezen,’ eindigt de dichter J.H. Leopold de zes verzen die samen de Christus-cyclus vormen. Een plant, ja een bloem die vredig op z’n steel staat, wat heen en weer wiegt in de wind, tenger maar toch ontzagwekkend omdat er een zekere heiligheid vanuit gaat. Het is een mens die, aan het uiterlijk te zien, een zeer intens innerlijk heeft. Hij is in zichzelf gekeerd en heeft pijn. Je kunt hem volgens de slotregel typeren als ‘zich pijnend, kwijnend, bloemmensch alleen’.
Is hij de Jezus Christus van de Bijbel? Een voor de hand liggende weg naar het antwoord is het vergelijken met het beeld zoals dat de vier Bijbelschrijvers schetsen in de evangeliën. Dat is een beetje tricky, want is het beeld dat ik teken the one and only thruth? Nee, een ander kan een schets maken met afwijkende accenten, maar vooruit. Ik denk dat het bijna niet anders kan of ieder zal iets zeggen over Jezus als rondreizende prediker. Gedurende een jaar of drie was Hij spreker in de leerhuizen, trok Hij menigten aan die in de open lucht zijn onderwijs kwamen volgen, Hij maakte van ontmoetingen gebruik om een verhaal te vertellen over een rijk dat niet van deze wereld is. Zowel zijn persoon als zijn boodschap was excentrisch. Hij leefde naar buiten gericht, in dialoog. Hij leerde mensen voorbij deze aardse werkelijkheid kijken. En tegelijk volop op en van deze aarde te zijn. “Gelukkig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid [hier en nu], want zij zullen verzadigd worden [straks].” (Matteüs 6,6)
Jezus combineerde uiterlijk leven met noodzakelijke innerlijkheid. We krijgen daar beeld bij als we horen over zijn geregelde retraites. “Nadat Hij afscheid van de mensen had genomen, ging Hij de berg op om er te bidden.” (Markus 6,46) Hij wilde soms simpelweg alleen zijn. Wat zich op die momenten tussen Hem en zijn Vader afspeelt, onttrekt zich vaak aan de waarneming. Maar op sommige momenten mogen wij meekijken. De scene in Getsemané is daar een van. “Abba, Vader, voor U is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.” (Markus 14,36) Hij zweette bloed. Ook zijn gevoelens over de effecten van zijn persoon en toespraken worden soms vermeld. Hij is verontwaardigd als de leerlingen moeders met kinderen blokkeren. (Markus 10,13-16) Hij huilt bij het graf van zijn vriend Lazarus. (Johannes 11,35) en heeft medelijden met een man die aan huidziekte lijdt. (Markus 1,40-42)
Het eerste gedicht uit Leopolds Christus-cyclus kan met goede reden wijzen op de ‘klam zwetende verworpeling’. Dat we meekijken met wakkere bomen is een mooie vondst als je je realiseert dat in het Bijbelverhaal de leerlingen allen in slaap vallen. Maar prof. Pierre Smit meent nu juist dat het tweede en derde gedicht geschreven zijn vanuit het perspectief van een wakkere discipel. Waar het om gaat is dat wij door Leopold heengeleid worden naar de ogen – en dat die, klassiek, de ziel van de hoofdfiguur weerspiegelen. De ogen lijken op water dat leven laat opbloeien. Meer naar binnen vinden wij een ziel die druk aan het werk is: ‘een strelend peinsbegeeren op een ding gericht, een trillend willen’.
Wat dat ding is? De vraag staat open. We kunnen het proberen in te vullen vanuit het Bijbelverhaal. Dan komen we misschien uit bij de wil van de Vader. Deze is onontkoombaar. Jezus moet sterven. Is dat een trillend willen? Een trillen van emotie? Van weifeling, heen en weer tussen ja en nee? Zien we met enige zelfdiscipline van deze invulling af, dan blijft over dat de verworpene in een niet te benijden angstmoment zich richt op een ‘trillend willen’. Het is de focus van een mens die je nauwelijks hemeling zou noemen.
Kijken we naar de scenes met Jezus na de opstanding uit de dood, dan zijn het allemaal ontmoetingen. We horen dialogen met geruststelling, opdrachten en beloften. Hij verschijnt aan de leerlingen gedurende veertig dagen. Dan is Hij weg. Geen inkijk op de momenten dat Hij alleen was. De vraag is überhaupt waar Hij verbleef in die veertig dagen. De losmaking van zijn leerlingen leek al begonnen door de contacten te beperken tot enkele ontmoetingen.
Hoe ook, Jezus komt in de evangeliën niet naar voren als een in zichzelf gekeerd bloemmens. En na de opstanding al zeker niet pijnend en kwijnend. We leren Hem kennen in dialoog waarbij allereerst identificatie centraal staat. De leerlingengroep moet Hem herkennen als dezelfde van voor de kruisiging. Daarna komt het accent op instructie. Zij moeten het zonder Jezus aankunnen. De missie is niet gering: wereldwijd en geschiedenislang. Ook hier veel excentriciteit dus. Ook de emotie van Jezus komt niet meer aan de orde. De conclusie van dit eerste deel kan niet anders zijn dat de check aan de hand van de vroegchristelijke teksten is: de schets van de mens in deze cyclus heeft slechts enkele aspecten van de Bijbelse vertelling, en dan vooral de uiterlijke omgeving: Getsemané, de setting van een reflecterende persoon en de drie koningen. De focus van de cyclus komt niet op uit de evangeliën.
Welke kwelling?
Nu verder bij de beschreven binnenwereld. Via de ogen komen wij bij denken en willen uit. De oriëntatie op dat ‘ding’ is geladen met angst en eenzaamheid. De menselijke conditie is daar bepaald vol van maar als wij ons een bloeiend leven in gedachten nemen, is dat niet wat wij hier lezen. De materiële context in gedicht I en VI haalt de natuur naar voren. De bomen in Getsemané worden synchroon aan de nood van de hoofdpersoon: wringend. En de voorjaarstuin in het laatste gedicht met bloeiende bloemen en struiken en een zachte bries.
De natuurharmonie is een reactie op de borende onrust die in het derde gedicht gesignaleerd is. Hier is de hoofdpersoon sprekend ingevoerd. Ogen en ziel wijzen weer op die innerlijke kant van het bestaan. Het is de ervaring van leegte met de emotie van verdriet. Maar welke? Het is voor de spreker zelf ook niet helder. Ook als in de tweede strofe een antwoord gezocht wordt, eindigt het met dezelfde herhaalde vraag: welke? Het heeft, zo denkt de ik-figuur, te maken met het verlies van een zielslieveling. Daarvan zijn er veel, of meerdere, maar in elk geval een van hen is verloren gegaan. Ook hier blijft veel verzwegen en dus open, maar een verlieservaring is het wel.
Het vierde gedicht dat duidelijk reflecteert op het derde (tweemaal ‘blij zijn’) hint op een verwantschap in denken en dat heeft geleid tot een ‘bloedend berouwen’. Weer hoop je als lezer op meer. Spijt is blijkbaar verbonden geraakt aan het verlies. Smit zoekt het bij de leerling die de verwantschap met de Christusfiguur verliest en spijt heeft van alle gemiste kansen. Het kan ook gaan om een typering van het innerlijke van de hoofdfiguur. Wie erg ingesteld is geraakt op harmonieuze verhoudingen tussen mensen, wie vriendschap als een van de hoogste vormen van mens-zijn beschouwt, die kan verlies ervan ernstig betreuren. En verraad al helemaal. Zo bekeken is de Christusfiguur dus beeld van een hoog sociaalsensitief persoon in de situatie van breuk en afscheid.
Hoe werkt dat?
Hoe werken verlies en spijt in de individuele hoog-sensitieve mens?
Dat laatste lijkt me van belang te vermelden. Niet iedereen zit zo in elkaar.
Voor een hoog-gevoelig persoon kan het verlies langdurig aanhouden. We kunnen gedicht VI als slot-zonder-oplossing hiermee in verband brengen. Er is een blijvende leegte ontstaan die niet opgevuld wordt. Welke fysieke klachten doen zich dan voor? Hoofdpijn, spanning in spieren of moeite met de spijsvertering? Onrustige gedachten of slapeloosheid horen wellicht erbij. We lezen in de Christusgedichten over zweten (I) een berouw waar bloed bij komt kijken. (IV)
Voor het sociale leven heeft het ook gevolgen. Hoog-gevoelige mensen kunnen het lastig vinden om mee te doen aan ‘small talk’. Het voelt zo leeg. Je voelt je niet begrepen in je zijn als mensen niet dieper kijken dan de dagelijkse, gewone dingen. Zij hebben behoefte aan het alleen-zijn. De emoties worden innerlijk verwerkt. Niemand kan er bij komen.
Op spiritueel niveau leidt het verlies van zielsverwanten mogelijk tot vragen over de zin van het leven. Wat je onbewust hield voor zinvol is van je afgenomen. Is er dan zin over? Deze zoektocht kan het besef van het belang van het eigen innerlijk versterken. Daar is de eigen ziel. Die nu een verwant mist. Ik las ergens de opmerking dat mensen met een hoge gevoeligheid symbolen en dromen gaan linken aan de verloren zielsverwant. Zou het kunnen zijn dat de bloeiende zelfstandigheid van in de wind wiegende bloemen door de hoofdfiguur worden ervaren als nieuw symbool van de zielsverwant? Nieuwe betrokkenheid op de eigen ziel? Dan is de poëtische beschrijving in gedicht VI de uitkomst van een spirituele weg, of zelfs groei.
En verder?
Wat zou het mooi zijn om bij spijtig verlies een diepe transformatie te ondergaan. Dat kan door nieuwe inzichten over jezelf. Welke kernwaarden of levensdoelen heb ik in een eerdere fase aangenomen? Was dat omdat ik het deelde met de zielsverwant? Blijf ik erbij nu hij of zij uit het leven verdwenen is? Of formuleer ik nieuwe en zijn er wellicht anderen, nieuwe zielsverwanten, met wie ik die deel?
Het verlies kan ook begrip doen groeien voor anderen die je tegenkomt en aangeven hetzelfde gevoel van leegte te ervaren. Met meer empathie dan voorheen kun je hen tegemoet treden. Dat zou dan een andere kijk op relaties kunnen brengen. Het doen oplichten van liefde. In ogen ‘waarin overvloed een diepe weelde opwellen doet’. (gedicht I)
Naar aanleiding van: J.H. Leopold, ‘Zes Christus-verzen’ In: J.H. Leopold, Verzamelde verzen: De tijdens het leven van de dichter gepubliceerde poëzie.3 Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennip, 2001, 9-14.
