Denken over God

Over God denk ik
maar zelden na.
Straks, als we dood zijn,
zullen we ’t wel merken.

Hoewel: hoogstwaarschijnlijk
merken we niks.

Fini is ’t kortstondige feest.
We zijn er gewoon geweest.

Er is maar weinig dat buiten discussie blijft. De postmoderne gedachte dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, is niet te ontwijken. Als je niet onder een steen gaat liggen, ontmoet je vroeg of laat de andersdenkende. De botsing van overtuigingen bestaat nog, maar eindigt toch vaak in de sfeer van tolerantie. Wie ben ik om jou de ruimte te ontzeggen?

Zo gaat het ook met de gedachten over God. Ik denk eigenlijk wel elke dag aan Hem. Niet altijd even intensief maar vanwege mijn werk gaat er geen dag voorbij of Hij komt langs. Dat is niet praktijk voor ieder ander. Ik ben me dat vaak bewust (en soms niet, als ik even te weinig mensen spreek). En daarom kan ik Cees Buddingh’ wel volgen als hij schrijft:

Over God denk ik
maar zelden na.

Er is één menselijke eigenschap die maakt dat het toch zover komt. De dood – niemand ontkomt eraan. Is er dan een God die je opwacht? Wie zal het zeggen? Buddingh’ gaat laconiek verder:

Straks, als we dood zijn,
zullen we ’t wel merken.

Ja, als het waar is wat de Bijbelschrijvers vertellen, dan gaan we op een goede dag Jezus ontmoeten. Daar is dan geen ontkomen aan. Iedereen zal Hem ontmoeten en meer dan dat: in die ontmoeting wordt de balans van het leven opgemaakt.
Je kunt die balans ook zelf opmaken. Voor je dood. En dan maak je met Buddingh’ de zelfcorrectie in dit gedicht:

Hoewel: hoogstwaarschijnlijk
merken we niks.

Wie zal het zeggen? Laat me even meedenken, Cees. Wat houden we dan over?

Fini is ’t kortstondige feest.
We zijn er gewoon geweest.

Dat laatste is leuk gevonden. ‘Je bent er geweest’ betekent zoveel als ‘je bent dood’. Het leven is voorbij. Maar het aardige is dat ‘er’ ook verwijst naar het feest, het rijmwoord uit de regel ervoor. Je was deelnemer aan het feest dat leven heet. Weliswaar kort, te kort wellicht, maar een feest was het.

Nu heb ik wel eens dat ik te weinig mensen spreek, maar zou de dichter werkelijk menen dat de lezer zomaar meekomt in de typering van het leven als feest? Ik ken mensen die het leven typeren als klus. Of als last. Of als onrecht. Die het schaamteloos vinden, misschien wel brutaal om zo achteloos over leven als feest te spreken. Ik zal me niet zo sterk uitdrukken maar ook ik vind het leven geen feest. Ook geen tranendal, overigens. Gewoon een ongevraagde opdracht. Ik mag niet klagen maar ik heb nog wel wat te vragen aan de opdrachtgever. En daarom vind ik het wel erg oké dat er na de dood een God aanwezig is om die vragen aan te stellen. Stel dat je het leven als een willekeurig lot bekijkt, dan behoor je tot de gelukkigen als je er een feest van hebt kunnen maken. Is de algehele toestand in de wereld niet toch reden om nog eens aan God te denken?

Laat dat nu even mijn bijdrage zijn in de postmoderne ruimte.

Naar aanleiding van: C. Buddingh’, ‘Over God’ in Idem, Verzen van een Dordtse Chinees. Amsterdam: De Bezige Bij, 1980, 26.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *