Dempende gloed

Kan het dat een duistere passage in een gedicht de bedoeling is? Of is dat de gemakkelijke uitweg omdat je niet genoeg geanalyseerd hebt en je interpretatie tekortschiet? Ik kon er niet omheen bij het volgende gedicht van Pieter Boskma:

De mist vriest aan: het bos is wit.
Vier harige, uitheemse ossen,
huiverend, hun kop gebogen,
staren naar de harde mossen.

Ik schrik ervan hoezeer zij lijken
op een mens die al zijn dromen
plots is kwijtgeraakt en weet
er niks voor in de plaats te krijgen.

Goed, nieuwe winter aan de kust,
de gloed van waanzin in mijn ogen
dempt je kou die door mijn leden trekt,

dus ik maak me niet meer druk
om wat oprukt tussen de bomen,
de tanden blinkend in de gesperde bek.

Strofe 1 en 2 bezorgen mij geen hoofdbrekens. We hebben in het eerste kwatrijn een schitterend wintertafereel. Het is eenvoudig meesterschap om het zo kort en krachtig te typeren, het bevroren leven. Ik noteer al stiekem het ‘uitheems’ zijn van de ossen en dat staren. Alles vreemd, alles doods.
De vergelijking is als bij blikseminslag tot stand gekomen, meldt de ik-figuur. Schrik om een ‘plots’ kwijtgeraakte droom. Het bericht van weigering, afwijzing of misschien zelfs de dood – ik noem maar wat. Geen alternatief voorhanden dat het leven verder boeiend en vol verwachting maakt. ‘Kwijtgeraakt’ lijkt me de parallel met het ‘uitheemse’ van de ossen.
Strofe 4 kan ik ook duiden: de ik-figuur heeft zich na de schrik herpakt. Hij (of zij?) laat zich niet meer uit het lood slaan door dreiging die nog steeds in het leven aanwezig is. De vraag is nu hoe dit in strofe 3 wordt voorbereid. Want strofe 3 en 4 vormen samen 1 complete grammaticale zin.
Tijd voor een gedetailleerde lezing.

Het woordje ‘Goed’ staat op zichzelf en werkt als een harde punctie: geen overbodige sentimentaliteit meer, een korte, bijna stoïcijnse aanvaarding. Het markeert een wending: de ik-persoon gaat van observatie en schrik (strofe 1 en 2) naar een reactie. ‘nieuwe winter’ is niet zomaar een seizoen. Nieuw + winter suggereert herhaling, de pijn is cyclisch, het verlies komt terug. Maar het doet zich nu voor ‘aan de kust’. De kust is een grensgebied. Blootstelling aan wind en storm. Waar het bos beschutting en verstarring suggereert, is de kust open en beweging.
‘de gloed van waanzin in mijn ogen’, hoe werkt dat hier? ‘Gloed’ roept warmte, licht, energie op; waanzin wijst op irrationaliteit, verlies van evenwicht. Samen: een warmte die niet uit gezonde bronnen komt maar uit een verhitte, gevaarlijke innerlijke staat. Dat het in de ogen verschijnt, maakt het zichtbaar — geen privé-illusie maar iets dat de buitenwereld kan lezen.
Het enjambement tussen regel 2 en 3 koppelt oorzaak en gevolg — de waanzin dempt. Het is geen volle oplossing, het is een functionele werking: iets doet z’n werk. Dempen is verzachten. Niet vervangen of helen. Dat zegt dat de ‘gloed’ iets doet met de pijn/kou, maar het haalt niet de oorzaak weg.
Maar nu de tweede persoon ‘je’. Als er gewoon ‘de’ had gestaan was het duidelijk een verwijzing naar de eerder beschreven koude geweest. Het wordt nu persoonlijk. Wie? Heeft de ik-figuur het over zichzelf? Hij is begonnen zichzelf tot de orde te roepen en laat dat merken in ‘je kou’. Of is het een ander?  ‘je’ zou de ossen of de natuur kunnen zijn. Of misschien zelfs de lezer? De ‘ik’ zegt: mijn waanzin compenseert jouw kou die door mij heen snijdt. Dat leest iets afstandelijker en paradoxaler, maar het accentueert wél de sociale of relationele besmetting van de leegte. Ik denk dat toch het de eerste optie is. De ik-figuur is bezig met zichzelf. Maar, als ik eerlijk ben, ik vind het een zwakke plek in het gedicht.

We zien dus dit gebeuren:
strofe 2: plots verlies — niets in de plaats → pure, ijzige leegte.
Strofe 3: er komt een (kunstmatige) warmte, maar geen nieuwe droom.
De “gloed van waanzin” is dus geen creatieve of helende vervanging. Het is een coping-mechanisme: het houdt het lichaam en bewustzijn werkend door de pijn te verdoven. Ik denk dan: jaja, pas maar op, waanzin kan destructief worden. De ‘ik’ erkent het onvermogen tot echte vervanging en kiest een overlevingsstrategie die de open wond toedekt in plaats van geneest.

De toon gaat van verbijstering (strofe 2: ‘Ik schrik ervan’) naar gelatenheid en verdoving (strofe 3). Dat lijkt me geen overwinning. Liever een brandend lampje van waanzin dat de kou dempt dan niets voelen. Die keuze opent de deur naar de slotstrofe waarin de ‘ik’ zich bewuster afschermt: hij maakt zich ‘niet meer druk’. Maar de werkelijkheid is dat er in de bossen nog van alles rondloopt dat wil ‘oprukken’ naar je. Heel geruststellend is dat niet.

Verder dan dit kom ik niet. Het blijft wat duister. Is dat de zwakte van het gedicht? Misschien. Maar als het nu eens bewust is? Waanzin laat zich niet netjes uiteenleggen in overzichtelijke stukjes. Gloed kan wel wat licht geven, maar er blijft nog veel duister, eromheen. Is dat niet precies wat strofe 3 ook taalkundig blijft doen in het geheel, een duister plekje vormen? Dat kan wel eens heel sterk zijn.


Naar aanleiding van: Pieter Boskma, ‘De mist vriest aan: het bos is wit’, In: Idem, Het violette uur. Amsterdam: Prometheus, 2008. Klik hier voor de wikipediapagina over hem.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *