De Schimmelruiter leeft

Stel je een najaarsstorm voor. Je bent in Noord-Groningen, op de dijk. Rechts van je Waddenzee, aan de andere kant het land benedendijks. Je bent te paard want je leeft in het midden van de 18e eeuw. Dit is al de derde dag van je reis en je moet je plaats van overnachting nog vinden. Je hebt de kraag van je mantel tot over je oren opgetrokken en je ziet dat er iets je tegemoet komt op de dijk. In het licht van de maan ontwaar je een “…een gestalte op een paard, een hoogbenige, magere schimmel; een donkere mantel fladderde om zijn schouders en terwijl hij mij in vliegende galop passeerde, keken mij vanuit een bleek gezicht twee vurige ogen aan.” (7, zie ook 17 en 49) Wat is dit!? Je hebt geen geluid gehoord en in een flits ging hij voorbij, die ruiter, en rakelings nog wel. Hij passeert je nog een keer en daalt dan aan de binnenzijde van de dijk af en waarachtig, daar zie je lichten, een woning. Je volgt en eenmaal binnen kom je in het gezelschap van mannen die waken over de dijken. En een van hen vertelt je het verhaal van de Schimmelruiter.

Welkom in de prachtige novelle van Theodor Storm (1817 – 1888). Hij schreef het boekje in 1888, kort voor zijn dood dus. In de Duitse literatuur staat hij in de stroming van het ‘poëtisch realisme’. In het nawoord schrijft vertaler Kees de Both dat deze stroming uiting gaf aan een nieuw levensgevoel toen de Romantiek haar invloed zag afnemen. Er kwam een sterke belangstelling op voor het werkelijke leven, bezien vanuit het perspectief van de opkomende burgerij. (129) Kenmerkend is de transparante stijl, de aandacht voor details, psychologische observaties en trefzekere schildering van dorpen, steden en landschappen. Ik sla er het cahier van mij leraar Duits van de middelbare school, Wim Roth, nog eens op terug: “Warum Realismus? Weil die Dichter die Wirklichkeit beschreiben. Warum poetisch? Bei diesem Dichter spielt das Gefühl der Schōnheit in Sprache und Form noch eine wichtige Rolle. Ihre Sprache ist schon stilisiert, auch wenn unschone Zustände beschrieben werden. (10) Over Theodor Storm vermeldt hij dat veel van zijn gedichten en novellen zich afspelen aan de Noord-Friese kust, zeg maar de strook van het Waddengebied: Nederland, Duitsland, Denemarken. En hij voegt eraan toe: “Oft Technik der Rahmenerzählung”.

Dat kan je wel zeggen ja. Laat ik het op een rij zetten:

  • Het verhaal opent met een ik-figuur die leeft in de tijd van Storm zelf, tweede helft negentiende eeuw. Hij vertelt: “Van de nu volgende geschiedenis heb ik ruim een halve eeuw geleden kennis genomen in het huis van mijn overgrootmoeder, de oude senatorsvrouw Feddersen, terwijl ik tegen haar leunstoel zat en me verdiepte in een blauw kartongebonden tijdschrift; of het een nummer van de Leipziger is geweest of een deeltje van de Hamburger Bloemlezingen kan ik mij niet meer herinneren.“ (5)
  • Het verhaal dat hij leest speelt in de achttiende eeuw: “Het was in het derde decennium van onze eeuw, op een namiddag in oktober – zo begon de toenmalige verteller – dat ik in een hevig noodweer over de Noordfriese dijk reed.’ (5)
  • Deze reiziger hoort, eenmaal in de beschutting van het huis vol mannen gekomen, van een van hen het verhaal van de Schimmelruiter. “Onze schoolmeester,” sprak hij [de dijkgraaf] met luide stem, “… is hier degene die u dat het beste kan vertellen….” (9) De Schimmelruiter is de dijkgraaf Hauke Haien die rond 1750 in die omgeving het wilde plan opvatte om een deel van buitengaats land in te polderen.
  • De schoolmeester onderbreekt een paar keer hij zijn relaas (49, 66) en zwijgt ten slotte. Tussen de reiziger en de dijkgraaf ontspint zich dan de slotdialoog. “De volgende ochtend reed ik in het gouden licht van de zon, die was opgekomen boven een omvangrijke verwoesting, over de Hauke-Haiendijk naar de stad.” (127)

Via de gelaagdheid worden wij uit de eigen tijd weggehaald. Gedurende het verhaal zijn we in het verleden. Maar in deze novelle komen de vragen van vandaag aan bod. De eerste verteller zegt bij de opening: “… nooit is er in mijn leven iets gebeurd waardoor ze weer in mij werden opgeroepen, maar toch zijn ze sinds die tijd niet meer uit mijn gedachten verdwenen.” (5) Het gaat blijkbaar iets dat de negentiende-eeuwer bezig houdt. Ik ben geboren in de eeuw erna. Ik leef intussen in de volgende en ook nu nog kan ik me verbinden aan de vragen van toen: het moderne rationele leven tegenover de bijgelovige wereld. De krachten die niet te meten zijn en toch de mens beïnvloeden. Als de verteller klaar is, ontmoet de ik-figuur de dijkgraaf weer: “Onze schoolmeester heeft u wel flink wat wijsgemaakt: hij hangt de ideeën van de Verlichting aan!” (127)

De Aufklärung kent sinds de achttiende eeuw grote waarde toe aan het verstand bij het begrijpen van de werkelijkheid. Als je zo in de wereld staat, heb je weinig op met heksen (10) en waterwijven (106). Een Schimmelruiter die langs vliegt past daar ook niet bij. Het grappige is dat juist Hauke Haien in zijn tijd zich krachtig verzet tegen de bijgelovige gedachte dat een levend wezen moet worden geofferd bij het sluiten van een dijk. (93) Na zijn dood in een hevige storm wordt juist hij een mythisch figuur: een Schimmelruiter die bij nacht en ontij waarschuwt voor een dijkdoorbraak. Maar de rationele dijkgraaf uit de eerste laag van het verhaal zegt: “…ik voorspelde het al…”

Het christelijk geloof speelt, naarmate de novelle vordert, een steeds sterkere rol. Tegen Elke, zijn vrouw, zegt Hauke: “… het is alleen een zware taak om de gemeente beschermen tegen de macht van Gods zee.” (112) In voorzienigheidsgeloof is de vraag naar schuld nooit ver weg. Als de oude dijk doorbreekt: “Uw schuld, dijkgraaf!” riep een stem uit de groep: “Uw schuld! God zal u om verantwoording vragen!” (122) Het raakt een snaar bij de man die zoveel aan de dijkbouw heeft gedaan om de mensen erachter te beschermen. Maar alle inspanningen ten spijt wint het water toch. “Hij richtte zich op en drukte zijn sporen in de flanken van de schimmel; het dier steigerde en sloeg haast over de kop, maar het werd door zijn kracht in bedwang gehouden. ‘Vooruit!’ riep hij nog een keer, zoals hij zo vaak had geroepen wanneer ze er voor een stevige rit op uittrokken. ‘God, neem mij; spaar de anderen!’” (125) Opoffering is geen bijgeloof. In dit verhaal is het een bewijs van liefde tot het uiterste – die tenslotte toch weinig uithaalt. Maar Hauke-Haiendijk bleef liggen. En in de verhalen blijft de herinnering levend. Legendarisch is zijn verschijning, ook door nieuwe generaties beleefd.

Kun je voor de waarheid van de hier vermelde feiten instaan? De eerste verteller, de ik-figuur die de novelle opent, kan het niet. Maar bestrijden kan hij het ook niet. (5) Zo is dat. Het gaat bij dit soort verhalen niet om het vinden van feitelijkheden uit het verleden. Het gaat om geloof en vertrouwen in het heden. En gelukkig heeft de rationaliteit van de Verlichting niet alles voor het zeggen. Er is meer tussen hemel en aarde dan wij kunnen bedenken en checken.


Naar aanleiding van: Theodor Storm, De schimmelruiter, vertaald en van een nawoord voorzien door Kees de Both.4 Amsterdam/Antwerpen: L.J. Veen Klassiek, 2018 (eerste druk 1991). Oorspronkelijke titel Der Schimmelreiter, gepubliceerd in 1888.
[W.H.F. Roth], dhr. Roth, Die Deutsche Literatur: Eine kurrzgefasste Übersicht der Literatuur des 18. und 19. Jahrhunderte.

2 gedachten over “De Schimmelruiter leeft

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *