Beschouwend en speels

Toespraak tot het plafond

ooit was de dolfijn een landdier
het wandelde rond en haalde adem
onder druk van de weersomstandigheden
werd de dolfijn in luttele millennia
richting het water gedreven
de eens volgroeide poten werden korter
en korter tot ze nagenoeg verdwenen
wat de dolfijn aan het bestaan
op het droge overhield waren de longen
evolutionair gezien is dat raar want
wat moet je daarmee onder water
vermoedelijk gaat het om een functie
die nuttig is zij het indirect – denk
bijv. aan lichaamshaar, blindedarm
staartbeentjes of in breder verband
het blijven voortbestaan van dichters –
misschien is het evolutionaire voordeel wel
dat het de dolfijn in staat stelt van tijd
tot tijd aan de oppervlakte te komen
boven het water uit te springen
en een blik te werpen op de blauwe
of sterren- of wolkenlucht
en de kust

K. Michel, Speling zoeken: Alle gedichten tot nu.2 Amsterdam: Olympus, 2016. Olympus is onderdeel van Atlas/Contact. Het dichter verscheen eerder in de bundel Bij eb is je eiland groter uit 2010.

Het gedicht is een poëtische beschouwing over evolutie, overleven, en misschien vooral: de noodzaak en waarde van zinloos lijkende functies, zoals poëzie zelf. Het gedicht bestaat uit één doorlopende strofe zonder hoofdletters of interpunctie. De taal is nuchter, beschrijvend, bijna essayistisch. Wetenschappelijke termen worden gecombineerd met poëtische beelden. De toon is licht melancholisch, beschouwend, maar ook subtiel speels.

*

Toespraak tot een zuchtje wind

Ooit was een kerk een meelijdend huis
op heilige grond, je kon er bidden en je doden
bij begraven tot – vanwege de volksgezondheid en meer –
lijkbezorging een civiele aangelegenheid werd
en toen moesten na geruime tijd
ook de psalmborden eraan geloven.
‘Waar gaat dit over?’ vroeg men zich af
bij het zingen en het duurde niet lang
of de kerkzaal werd geprezen
om haar akoestische kwaliteiten
bij de uitvoering van het Overijssels amateurorkest
en een dorp verderop maakte een projectontwikkelaar
één-persoonsstudio’s in de ooit gewijde ruimte
maar behield in het pand de originele
balustradetekst in goudgekrulde letters:
‘Alles wat adem heeft, love den HEERE’, wat raar is.
Het is waarschijnlijk vanwege culturele relevantie,
zoiets als struikelstenen, jaarlijks twee minuten stilte
en in breder perspectief de strijd
tegen de ontwijding van het leven.
Misschien is het culturele voordeel van die regel
dat er naar adem gehapt kan worden
bij de opmars van de meedogenloze
aardse legermachten,
de data die ons de lucht
uit de longen
persen.


Toespraak tot de heilige Rita (1381 – 1457)

Ooit was jij een meisje
van amper veertien jaar dat
aan haar ouders gewoon gehoorzaam
wilde zijn en trouwde. Met een bruut.
Heel resoluut was jouw gebed toen hij,
de bruut, vermoord werd. In een vete.
‘Neem het leven van mijn zonen, allebei,
liever dan dat zij hem gaan wreken,
bruut als hij, en bloedig.’
De Heer heeft jouw gebed verhoord.
Hij vormde zo je heiligheid, compleet
met voorhoofdswond: een bloedig stigma.

Jammer.

Het waren je handen die zich vouwden,
zacht, beheerst (je voelde ze vast jeuken),
zoals ook ik de jeuk voel in mijn handen
als ik ze zegenend laat dalen op het hoofd
van jonge ouders, meisjes van veertien,
van een ruwe bruut en wrede zonen –
gehoorzaam aan de hopeloze Heilige
die brute spijkers in Zijn handen nam.
Hij wilde zich niet wreken.
Je hebt geweten wat Hem overkwam.
Jouw handen verdienen een teken.