Zodra ik mijn ogen opsla
is het onzichtbare mij ontglipt
en begin ik te zien wat ik zie:
herinneringen aan wat ik zag
en ooit zal zien. Door te zien
blijf ik mij herinneren;
hoop ik dat ik besta.
Vooral als ik naar haar kijk
wanneer zij zo haar hand door
haar haar haalt, haar elleboog
steunend op haar knie,
en zij iets tegen mij zegt.
Hans Faverey, Tegen het vergeten. Amsterdam: De Bezige Bij, 1989, 10.
Het gebruik van ‘Zodra’ speelt met de spanning tussen het moment van waarnemen en de ongrijpbaarheid van wat volgt. De oogopslag neemt bij de eerste witregel de sprong van verleden (herinneringen) naar de toekomst. Het volcontinu proces van herinneren is de basis voor hoop op bestaan. Bespiegeling gaat over in persoon en relatie: zij spreekt de dichter aan, de mens bestaat in dialogische relaties.
Zodra ik mijn oren ervoor open
hangt harmonie ontzettend om mij heen
en begin ik te horen
wat aan heling ontbreekt
en eindig mij ontbreken zal. Door te horen
blijf ik incasseren,
hoop ik op een ronding.
Vooral als onze voordeur vierkant
dichtklapt en jij met je jas nog aan
de boodschappen van de markt
op het aanrecht kwakt.
Nog even en we eten samen.
Zodra ik een vraag stel,
komt er beweging in een antwoord
en ik wacht. Een nieuw nu verwacht ik
of een oude bekende
verwachten houdt me in leven,
antwoorden zullen zijn
zo waar ik vraag.
Vooral als ik vandaag – het is weer maandag –
de wandelsokken over mijn koude tenen trek
en op pad ga, de aarde haar mond opent
en mij roodgloeiend thuis brengt.
Zodra je een engel hoort,
denk je aan ritme, toon en harmonie
en spits je de oren: resoneert het hart?
En hoop je op vertrouwen
als straks de klankkast in beweging komt,
trillen gaat, heen en weer gezongen,
tot je ziet dat zij opengaat.
Vooral als de tienjarige Siem
van het regionale Boys Choir slikt, inzet
en voor het Pie Jesu van Fauré ver uithaalt,
zo ver als geen oog gezien,
geen oor gehoord
en in geen mensenhart is opgekomen.
