Ik kom er aan

In het boek Hooglied is een verliefd stel bezig zich te onttrekken aan de sociale controle. De wachters van de oosterse stad zijn bepaald niet vriendelijk (5,7) en de broers hebben geen andere aandacht dan voor het beschermen van hun zusje (8,8-9). Het meisje wil zich niet laten beperken in haar vrijheid en kan niet genoeg krijgen van haar vriend. Zij waarschuwt hem wel: als wij ‘s nachts bij elkaar zijn geweest, moet je bij het daglicht weer wegwezen! “Nu de dag weer ademt en het duister vlucht – ga nu weg mijn lief. Spring als een gazelle, als het jong van een hert over de geurige bergen.” (2,16-17, zie ook 8,14) Zij weet dat hij de volgende nacht weer kan komen. En hoe zal haar hart opspringen als hij weer naar hem toekomt.

Het is algemeen bekend dat veel christenen het Hooglied van Salomo (tenminste, aan hem toegeschreven) betrekken op de verhouding van Christus en de gemeente. Ietwat individueler zou je kunnen zeggen: de jongen is Christus (of God) en het meisje is de gelovige. Met dichterlijke vrijheid maakte Martin Smith een aantal jaren geleden een ontroerend worship-lied met dat perspectief: Song of Solomon. Het begint zo, hier in vertaling uit het Engels:

Als ik de kou van de winter voel
en deze mantel van verdriet, heb ik je nodig.
Alle slechte dingen die me door elkaar schudden,
alle woorden die me breken, ik heb je nodig.

Het is de thematiek van veel psalmen (bijvoorbeeld 31,18 en 19), of van een profeet (Jeremia 20), niet die van het Bijbelse Hooglied. Hoe doorsta je het kwaad dat mensen je aandoen? In een benauwde tijd dreigt de eenzaamheid. Met de hulp van God houd je vol! In de Nederlandse taal zou je het Engelse You dan moeten omzetten naar het respectvolle ‘U’. Of je zegt ‘je’ en maar dan denk je aan een vriendin, een vriend, een mens, een medegelovige die schouder aan schouder komt staan. Je formuleert het dringend: ‘ik heb je nodig’. Het is het verlangen van je hart. Smith kiest ervoor om dat tot refrein te maken in deze eigentijdse psalm: de geliefde komt naar de ik-persoon in nood. Dat weet hij (of zij), de geliefde zal alle horden nemen om weer te arriveren bij de ander nood:

Over de bergen, over de zee
kom je, mijn geliefde, hier, naar me toe rennen.

Het tweede couplet laat de dubbelzinnigheid opnieuw op je af komen: gaat het om de angst dat God zich verbergt (de vrees van David in Psalm 13,2, zie ook Psalm 89,47 en de belofte in Ezechiël 39,29) of gewoon de lover die je letterlijk in je armen kan nemen? Zeg je tegen de HEER ‘Schoonheid’ (Beauty)? Of gaat dat te ver en is dat aan mensen voorbehouden? Hoe ook, het is een variatie op het thema: ik ben alleen en hulpbehoevend. Kom mij geborgenheid geven. Doe dat door vriendelijkheid te zetten tegenover de kwaadsprekerij uit het eerste vers.

Verberg me niet voor je aanwezigheid
trek me uit je schaduw, ik heb je nodig.
Schoonheid, wikkel je armen om me heen,
zing je lied van vriendelijkheid, ik heb je nodig

Over de bergen, over de zee
kom je, mijn geliefde, hier naar me toe rennen.
Helemaal door de valleien
door het duister van de nacht
kom je aanrennen, om me vast te houden tot het licht is.
(2x)

De inzet van de komende geliefde is intussen verhoogd. Niet alleen over bergen of de zee, nu ook door de valleien en het duister van de nacht. Hoor ik hier de echo van het beroemde lied van Salomo’s vader David? Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad (Psalm 23). De geliefde is bereid zelf door een barre tijd en dreigende plaats te gaan om de mens in nood te komen redden. Lees dit met in gedachten de lijdensweg van onze Heer! Dié nacht ging Hij door om ons te redden.
Dat redden bestaat in dit lied in het ‘vasthouden tot het licht is’. De spannende, sociale en erotische lading van het boek Hooglied is hier achter de horizon verdwenen. Het gaat om de existentiële, hulpeloze eenzaamheid die beantwoord wordt door het vasthouden. Zolang zulk duister om ons heen waart, zal de Schone Lief je laten voelen dat hij (of zij?) er is.

Dan neemt het lied een wending die ontroert. Ik zei het al eerder, nu nog eens. En krachtiger: ik kan soms een snik of traan nauwelijks achterhouden. Het wordt volgens doorzichtig procedé opgeroepen. Nadat het lied eenvoudig en rustig begint met piano en stem komt er langzaam maar zeker body bij: lang aangehouden o-klanken, een viool voegt in en even later schuift de drum zich onder de tonen. ‘Nananana’ en ‘hold me’ vormen de opening van een rennende muzikale fase. Op leiding van de ritmesectie doet ook de elektrische gitaar mee, en de synthesizer, dan vertelt de tekst ons dat wij gaan rennen. Eigenlijk staat er niets anders dan dat ik de geliefde tegemoet zal rennen (heel gek, ik zie ineens de vader voor mij uit de gelijkenis van de verloren zoon, Lukas 15,20) maar je wordt als luisteraar meegenomen. Ik kan het niet anders horen dan dat ik mee-ren. Richting de Heer. Bij Jezus wil ik steeds weer uitkomen, vooral als ik me buiten zijn armbereik heb begeven. Dan wil ik in het opstuwend zingen laten weten dat Hij niet tevergeefs op me toekomt. Ik kom echt ook op Hem toe en dan zullen wij elkaar lang vasthouden als hele goede vrienden, ja als geliefden. ‘Oprechte vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.’ Antwoord 90 van de Heidelbergse Catechismus, kom er maar in.

Ik kom rennen,
kom rennen,
kom rennen,
terug naar jou.

Als de climax bereikt is, hebben we tijd nodig voor een naspel. Zoveel lijkt het toch op erotiek. Afkoelen na de hitte van de inspanning. Weer terug naar de piano met stem. Nog eens keer vertellen hoeveel de Ander voor je overheeft. En nog eens rustig zeggen: ik kom eraan. Zeeën kunnen de liefde niet doven, rivieren haar niet wegspoelen, want de liefde is een vlammend vuur, een vuurgloed van de HEER (Hooglied 8,5-6).

Over de bergen, over de zee
kom je, mijn geliefde, hier naar me toe rennen.
Helemaal door de valleien
door het duister van de nacht
kom je aanrennen, om me vast te houden tot het licht is.

Ik kom rennen,
kom rennen,
kom rennen,
terug naar jou.


Naar aanleiding van: Martin Smith, Song of Solomon. Nummer door hem geschreven in 2011, track 5 op de cd God’s Great Dance Floor – Step 2. Klik hier voor de clip.
Meer info over Martin Smith, klik hier.

Prom Praise: Majesty, live opgenomen in 2014 met meer dan 4.000 gelovigen in de prestigieuze Royal Albert Hall in Londen, was een opwindend samenwerkingsverband van klassieke en hedendaagse muzikanten. Onder andere All Souls Orchestra en gerenommeerde aanbiddingsartiesten Paul Baloche, Martin Smith (Delirious?) en Graham Kendrick. Het project, dat ook een 500 man sterk koor omvatte, bood een nieuwe uitdrukking van symfonische aanbidding met klassieke liedjes zoals Shine Jesus Shine, Majesty en Above All. Ook de bekende sopraan Helen-Jane Howells en violiste Rebecca Eves traden op. Noel Tredinnick was de dirigent. Klik hier.

Zij maakt U mogelijk

Govaert van den Bergh? Nooit van gehoord. Ik google en leer dat hij leefde van 1926 tot 2005 en werkte als hoogleraar ‘Historische ontwikkeling van het recht bezien in het licht van de rechtsstelsels uit welke het Nederlandse recht zich heeft gevormd’. Respect, alleen al voor die leeropdracht. Dat je daarnaast gedichten schrijft verbaast me niet. Een mens heeft meestal meer in huis. En als dan een gedicht van jou wordt opgenomen in de verzamelbundel Religieuze poëzie der Nederlanden, dan heb je iets goed gedaan. Zo geschiedde met ‘Sonnet’ van Govaert van den Bergh.

Hoe deze bundel ooit in mijn rij boeken terecht kwam, ik kan het je niet vertellen. Waarom ik het jarenlang gewoon ongelezen liet staan ook niet. Vermeldenswaard is daarentegen dat het gedicht mijn raakte als een slag. Onmiskenbaar raak, respect en ontroering, met name over de zin in de derde strofe: ‘Zij maakt U mogelijk.’ Zo is het. De Geliefde als het genademiddel, bij uitstek. Verkondiging, sacramenten, de geloofsgemeenschap, de ontzagwekkende natuur, ik zal het niet als waardeloos afserveren, maar wat kan er tegen de liefde op? Hoeveel onrust laat zich tot rust brengen door wat er ook maar te vinden is? In de liefde zinkt de vrede in, en wordt het vertrouwen voor de toekomst geborgd.
De toekomst van Gods rijk, geborgen in haar schoot. Toe maar.

Sonnet

Soms vraag ik mij af waartoe
ik zeg: Laat toekomen Uw rijk,
zodra dit hart, zijn onrust moe,
bereid is tot een vergelijk.

Gij komt niet aan mijn oren toe,
niet aan mijn ogen, als ik kijk,
niet aan mijn handen, want ik doe
haast alles buiten Uw bereik.

Maar als ik naar mijn liefste kijk
sta ik met ieder zintuig bloot
aan U. Zij maakt U mogelijk.
Zij snijdt mijn dagelijks brood.

De naaste toekomst van Uw rijk
ligt mij geborgen in haar schoot.


Naar aanleiding van: Govaert van den Bergh, ‘Sonnet’, In: Michel van de Plas (samenst.), Religieuze Poëzie der Nederlanden. (Prisma 119) Utrecht: Het Spectrum, [1955], 275.

Het verboden dakterras

Kort geleden gingen mijn lief en ik naar de sauna. We waren in het zuiden des lands, vierden vakantie en vonden een aanlokkelijk Welnesscentrum. We waren mooi vroeg in de ochtend en zagen op deze doordeweekse dag onze leeftijdgenoten binnenkomen. Het grote vergelijken was begonnen en we kwamen er samen weer gesterkt doorheen. ’s Middags hadden wij voor ons beiden een hammam geboekt. Voor mij de eerste keer en ik kan niet anders zeggen: heerlijk. Eerst de dode huidcellen afscrubben, dan schoonspoelen en zachte zeep op je huid en ten slotte olie, heerlijke oliegladde handen over je lijf. Herboren stond ik op.

Fatima Mernissi komt in haar boek Het verboden dakterras ook te spreken over de hammam. Zij deelt herinneringen uit haar jeugd, midden vorige eeuw. In de Marokkaanse stad Fes groeit zij op in een harem. In dit geval geen geval van polygamie, maar het samenwonen met meerdere gezinnen, van Fatima’s vader en z’n broer. Een meisje van drie tot ongeveer negen jaar, tussen de vrouwen in de context van een welgestelde islamitsche familie in de stad. In een van de laatste hoofdstukken vertelt zij hoe zij als negenjarig meisje de geheimen van de vrouwelijke schoonheid leerde kennen. Dat had wel een prijs. Er kwam afstand tot haar leef- en speelgenoot neef Samir. Maar wat moet dat moet, zij is een vrouw en wil het zijn ook. Je kijkt met haar mee in de genoegens van de hamman en ook zij vertelt dat zij er herboren uitkwam. Het mooie was daarbij dat je voelde dat je die wedergeboorte zelf had bewerkstelligd. “Schoonheid zit van binnen, je hoeft haar alleen maar naar buiten te brengen..” Deze woorden van de door haar bewonderde tante Habibi, ooit verstoten door haar man, roepen bij het kleine denkende meisje vragen op. Waar precies van binnen, in je hart, of je hoofd, waar precies, vraagt de kleine Fatima. “Arm kind,” lachte tante, “zo diep hoef je niet te graven hoor, dat maakt het maar ingewikkeld. Schoonheid zit in je huid! Zorg goed voor je huid, smeer hem in, maak hem schoon, borstel hem, parfumeer hem en trek je beste kleren aan, ook al is er geen speciale gelegenheid, en dan voel je je een koningin. De huid is politiek. Waarom zouden de imams ons anders bevelen hem verbogen te houden?” (221-222) Schitterend! Ik ben ook fan geworden van tante Habibi. Want dit is heel waar. Je huid is het contactpunt met de wereld. Zo ben je verbonden met de wereld en hoe kan iemand met verstopte poriën de omgeving ervaren of gevoelig zijn voor vibraties? (216) Samir vond het louter onzin maar Fatima koos onverwrikbaar voor de huid.

De vrouwenhuid is politiek. Inderdaad, waarom leggen de mannelijke leiders aan vrouwen hun grenzen op? Het krachtenspel tussen mannen en vrouwen valt niet natuurlijk ten gunste van de mannen uit. Het is een machtsingreep, dat heeft tante Habibi heel goed aan Fatima meegegeven. Want in de tweeëntwintig hoofdstukken van deze prachtige bundel is het thema: grenzen. De harem is de begrensde wereld. Je mag als vrouw niet zomaar naar buiten. Mannen hebben niet vanzelfsprekend toegang tot het vrouwenverblijf. Hoe kom je als meisje voorbij de grens? De oorspronkelijke titel van het boek is: Dreams of Trespass. Dromen van overschrijding, en zo in overtreding komen. De drempel over zien te komen, dat begint te lukken, de oudere vrouwen doen het de jongere voor, namelijk in de verbeelding. “Gevangen achter muren liepen vrouwen te dromen van een horizon zonder grenzen.” (174) En fantasie, magie en lust. Zo ontsnappen de vrouwen als zij samen naar de film gaan (113vv) en de beelden hun wereld vergroten. Zij spelen toneel met de liederen uit verre landen en zingen ervan.

“O ja, ik zou ze vertellen van het onmogelijke, van een nieuwe Arabische wereld, waarin mannen en vrouwen elkaar konden omhelzen en weg konden dansen, zonder grenzen tussen hen in, en zonder angst.” (110-111 voor het hele lied).

Het verboden dakterras is de plek waar je prachtige vergezichten hebt. “Desondanks droomde ik voortdurend van een bezoek aan ons verboden dakterras, het hoogste van de straat, waar nog nooit een kind gezien was voorzover ik me kon herinneren.” (143)

Ook in de vrouwenwereld steekt het kwaad de kop. Er is strijd tussen de modernen en de traditionelen. Wie heeft de meeste macht, wie zijn de rivalen? Het is allemaal inlevend beschreven, niet zonder respect. Fatima Mernissi (1940 -2015) is een activistisch sociologe geworden, geprezen en bewonderd in de westerse wereld om haar kritiek op vrouwonvriendelijkheid in de islam. In 2004 werd zij onderscheiden met een Erasmusprijs. Opgegroeid in een harem leerde zij wat het is om begrensd te zijn. De chaos dreigt als de traditionele lijnen tussen mannen en vrouwen worden doorbroken. Wel, dat staat te bezien. Welke chaos? Er is ook een nieuwe balans te vinden tussen de seksen. Het verboden dakterras staat symbool voor de openheid naar een nieuw perspectief. Bijna ontroerd was ik toen ik las dat soms vrouwen naar het terras gingen als ze last hadden van hem. “Maar iedereen in huis wist dat vrouwen die aan hem leden, een licht soort depressie, erheen klommen om de rust en de schoonheid te vinden die ze nodig hadden om zichzelf te genezen.” (144-145) De verbeelding als de bron van levenslust en openheid voor verrassing. Fatima Mernissi boetseerde voor ons de verhalen over haar jeugd en bewees daarmee ons een weldaad, een soort hammam voor de geest.


Naar aanleiding van: Fatima Mernissi, Het verboden dakterras: Verhalen uit mijn jeugd in de harem. Herinneringen.2 Breda: De Geus, 1994. Oorspronkelijke titel Dreams of Trespass, Tales of a Harem Girlhood. Vertaald door Ria van Hengel, met foto’s van Ruth V. Ward.

Collectief bruisen

We creëren met elkaar een wereld waarin we steeds meer afstand nemen van elkaar. Aan het woord is Thijs Launspach (1988), psycholoog met een aantal sterke meningen. Een ervan is dat we leven met de Mythe van het Individu. “Dat is uiteindelijk wat de Mythe van het Individu ons vertelt: dat we niemand nodig hebben, en het bovendien allemaal in ons eentje zullen moeten zien te redden.” (174) We hebben minder echte sociale contacten. Het is dus niet vreemd dat we ons eenzaam voelen. En eenzaamheid kan dodelijk zijn. Dat leerde ik al eerder.

Het lijkt me even simpel als helder dat het aangaan van meer verbinding een positieve invloed heeft op onze mentale gezondheid. Dat is eigenlijk het thema van het boek van Launspach: Je bent al genoeg. Mentale weerbaarheid is dat je weerwoord kunt bieden aan de onvermijdelijke uitdagingen van het leven, dat je veerkrachtig bent en jezelf in de gestoorde wereld zonder al te grote problemen kunt redden. (18) Heel goed in het betoog van Launspach is dat hij erop wijst dat wij dat niet alleen kunnen. Je bent al genoeg, is een prima zin voor zelfhulp. Maar herstel de verbinding is een onmisbaar hoofdstuk in het geheel.

Je hoort bij een stam. Launspach vertelt hoe zijn keuze om zich als jongere met de heavy metalgroep te identificeren heb een geweldig gevoel van belonging gaf. Zo’n tribe heeft tal van voordelen. In de oertijd beschutting tegen wilde dieren en binnenvallende stammen. Samen eten en drinken. Geborgenheid en troost. De groep moet niet te groot en niet te klein zijn en dat schijnt destijds zo’n 150 geweest te zijn (Dunbars getal). Meer niet, grapt Launspach, ‘wat Facebook ook mag zeggen.’ (176) In die groep zijn er wederzijds afhankelijk (interdepedendent) en tot zover niet zoveel nieuws, eerlijk gezegd. Wat wel mijn aandacht trok was ‘collectief bruisen’.  “We hebben het vermogen om in sommige omstandigheden onze individuele identiteit te verliezen en kortstondig op te lossen in de groep.” (176-177) Dat kan heel positieve effecten hebben (meedansen met de thuisploeg in het stadion bij een doelpunt), maar ook negatief (een vreedzame demonstratie die eindigt in rellen).

Waar je mee omgaat, word je mee besmet. Dat is de stille kracht achter dat collectief bruisen. Laat ik dat nu eens toepassen op het geloofsleven. Je hebt een kerk nodig om te blijven geloven. Als we dat niet uitleggen als ‘je hebt de kerkdienst op zondag’ nodig, kan ik het helemaal meemaken. We leven in dialoog en zonder die dialoog zal de besmettelijkheid van het vertrouwen in God niet overslaan of sterker worden. Ook met vier kun je al wat bruisen en ik onderken de kracht van de massa. Grote kerken hebben veel tegen (ik weet ervan) maar als je in een volle kerk door goede zang en muziek wordt meegenomen – dan tilt dat je op en kan je jezelf geheel verliezen, voor dat moment.

In Thijs’ lijstje van dingen die verbinding herstellen, staat die bruisen op twee: 1) zoek een third place (een leuke kroeg als werkplek ofzo); 2) doe aan collectief bruisen; 3) creëer persoonlijk contact, eerst face-to-face, dan bellen, dan anders; 4) wees gastheer of –vrouw en 5) doe iets aardigs. Kortom, doe iets betekenisvols voor een ander en merk hoe goed je dat doet. Ik ontkom niet aan de gedachte dat wij in de kerk volop met deze dingen bezig zijn. Seculier werkt het dus ook.


Naar aanleiding van: Thijs Launspach, Je bent al genoeg: Mentaal gezond in een gestoorde wereld. Amsterdam: Unieboek | Het Spectrum, 2022. Klik hier voor zijn website.

Goede passages over

  • Gelukkig worden (32)
  • Stress (55)
  • Socials: vergif voor je hoofd (hoofdstuk 4)
  • Eenzaamheid (85v)
  • Judoën (101)
  • Persoonlijkheid (107)
  • Spelen (133)
  • Bullshit-baan (159)

De stilte van de vrouwen

“De Ilias is een epos over geschonden eer en loyaliteit.” Antieken-deskundige Ilja Leonard Pfeijffer zet het kort en kracht neer. Ik ga weer even bij hem te rade nu ik de schitterende roman van Pat Barker uit heb: The Silence of the Girls. Gekregen op mijn verjaardag nam ik deze zomer de tijd voor het boek. Ik was vrijwel direct aan de haak geslagen. In heerlijke vloeiend Engels werd ik het verhaal ingezogen. Een bekend verhaal. Ik ben gymnasiast en ook na het vwo interesseerde ik mij voor de antieke oudheid. Het is nu juist dat wat de verteller in deze roman wil zeggen. In het laatste hoofdstuk mijmert zij over de toekomst. De Grieken hebben Troje ingenomen en zullen naar huis reizen. Zij is tot slaaf gemaakt en zo in handen gekomen van Achilles. Wat zullen de mensen maken van de onvoorstelbare gebeurtenissen rond de stad die ook Ílios genoemd werd? Zij zullen het niet hebben over de bloedbaden waarbij mannen en jongens omkwamen; en het tot slaaf degraderen van vrouwen en meisjes. Misschien maken zij er een liefdesverhaal van. Zij zegt: het is het verhaal van Achilles dat, tegen wil en dank, mijn verhaal is geworden. (291)

Briseïs is de vrouwelijke verteller. Pfeijffer schetst haar plaats in inhoud en context van de Ilias: “In de eerste verzen ontstaat een conflict binnen het Griekse kamp. De opperbevelhebber van de Griekse Alliantie, Agamémnon, ziet zich om praktische redenen gedwongen om Chryséïs af te staan, een vrouw die is buitgemaakt op een strooptocht in de buurt van Troje. Omdat hij de eerste is onder de gelijken, besluit hij dat hem compensatie toekomt. Hij eist Briséïs op voor zichzelf, de vrouw die is toegekend aan Achílles, de beste strijder van allen. Agamemnon, schendt het prestige van Achilles om zijn eigen geschonken prestige te herstellen. Het prestige van een homerische krijger valt samen met zijn bestaansrecht als krijger. Door Briseïs van hem af te nemen ontkent Agamemnon Achilles’ krijgerschap.” (17-18)

Pat Barker schotelt ons het verhaal voor in drie delen. Eerst de val van de stad Lyrnessus. Daar wordt de hoofdpersoon gevangen genomen. Als Agamemnon Briseïs opeist eindigt deel 1. Deel 2 verhaalt Achilles’ weigering om mee te vechten en zijn terugkeer op het slagveld om Hector te doden. Het derde deel eindigt als Achilles’ dood is en Briseïs van hem zwanger. Ze zal meegaan met Alcimus, de man aan wie Achilles opgedragen had haar als vrouw aan te nemen als hij zou sterven. In dit deel lees ik de meest ontroerende passage. Koning Priamus van Troje komt het lijk van zijn zoon ophalen. Ongewapend, niet eens een dolk bij zich, en zonder escorte, en zichzelf vernederend. Dat is voor Achilles het omkeerpunt. Niet trots maar nederigheid, om eer te bewijzen aan de doden. Briseïs beschrijft de ontmoeting van twee mannen, voor het eerst, na negen jaar strijd om de stad. Nooit hebben zij elkaars krachten gemeten. Was dit dan toch de peiling, wie is de sterkste? “Though I think it went deeper. They seemed to be standing at opposite ends of a time tunnel: Priam seeing the young warrior he’d once been; Achilles the old and revered king he would never be.” (238) Dit is typerend voor de psychologisch invoelende stijl van Barker. Vanuit het vrouwelijke, vernederde perspectief wordt de mannelijke eercultuur doorzien en beoordeeld.

Als de stad gevallen is moet er nog een mensenoffer worden gebracht. Agamemnon meent dat voor de dode Achilles nog een maagd-dochter van Priamus geslacht moet worden. Polyxena is de ongelukkige. Als Briseïs later terugkeert bij het achtergelaten lichaam van met meisje, draait zij het op de rug. Het diepe gat van de steekwond bij haar keel lijkt haar twee monden te geven. Beide stil. “Silence becomes a woman…,” noteert zij dan. (290) Dit is dan de titel geworden: de stem van de vrouw is tot zwijgen gebracht. Geschiedenis wordt door mannen geschreven, met alle gevolgen van dien als daarbij de eer centraal staat. Het is duidelijk de missie van Pat Barker om daaraan tegengas te bieden. En eerlijk is eerlijk, zij doet dat voortreffelijk. Gelukkig is het volgende deel The Women of Troy al op de markt.


Naar aanleiding van: Pat Barker, The Silence of the Girls. New York: Anchor Books, 2019.
Ilja Leonard Pfeijffer, De Antieken: Een korte literatuurgeschiedenis.2 Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2000.

In episode 2 de serie Troy, the Fall of a City (‘Conditions’, Netflix 2018) verantwoordt Helena (Bella Dayne) tegenover Priamus en zijn vrouw Hecuba haar stap om met Paris mee te gaan. Zij is op haar veertiende uitgehuwelijkt aan Menelaos en geen dag vreugde beleefd. “Ik ben geen bezit,” aldus Helena. De keuzevrijheid van de vrouw en het ervaren van geluk, de hoge waarden van onze tijd, vormen ook hier het centrale thema rondom de meedogenloze strijd. Dat krijg je ervan als de godin van de liefde de voorrang krijgt boven Hera (wereldheerschappij) en Athena (macht). Klik hier voor het dossier op International Movie Databse.

Luc Ferry is de bedenker van de stripserie De Wijsheid van Mythes. Twee delen zijn tot nu toe verschenen over De Ilias: De Twistappel (2020) en De oorlog van de goden. (2020) Clothilde Bruneau schreef het scenario, de tekeningen zijn van Pierre Taranzano en de inkleuring van Stambecco. In deze serie volgt op de strip een toelichtende achtergrondtekst van Luc Ferry.

Over Achilles’ woede als openingsthema van de Ilias schrijft Aviad Kleinberg in zijn behandeling van de zeven hoofdzonden, 129vv.