Bidden I
Bidden was met je knieën op de grond,
je hoofd voorover in een warme stoel;
het pluche gaf je een diep vertrouwd gevoel,
iets van een antwoord voor je open mond.
Bidden was je handen voor je ogen, maar
daar sprongen witte sterretjes doorheen.
Zo zag je maar: God liet je nooit alleen,
hij was de grote verre tovenaar.
Bidden was vader, moeder, allemaal;
de meester, zieltjes in het vagevuur;
de zondaars en om Jacob; moedertaal
als zoen en welterusten op den duur;
gewoon als veertien engelen op wacht
en vader rondgaand in de grote nacht.
Bidden onder dreiging
“Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe, Here houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.” Dat hebben mijn ouders mij leren bidden. Ik heb niet veel actieve herinneringen aan mijn vroegste gebedspraktijk maar wel dat er iets vredigs ontstond. Dat hebben mijn geliefde en ik ook willen overdragen aan onze kinderen toen wij hen leerden bidden: “Je hoeft niet bang te zijn, als oorlog komt of pijn, de Heer zal als een muur, rondom je leven zijn.” De levenssituatie bleef ongewijzigd: wij en onze kinderen leven in een dreigende omgeving. Goddelijke bescherming is nodig. Dus vraag je erom elke dag om.
Kinderlijke verbeelding
Michel van der Plas vertelt in dit gedicht hoe het voor hem was, dat kinderbidden van vroeger. Hij weet het vertrouwde gevoel mooi onder woorden te brengen. Het slot is ontroerend én onthullend. Bij terugblik is het natuurlijk vader geweest die de veiligheid waarborgde. De aardse vader, wel te verstaan. Want God was er wel, maar toch als ‘de grote verre tovenaar’. Het gedicht laat heel mooi zien hoe kinderlijke verbeelding zich aan de vaste woorden heeft gehecht. Want zonder dat we de tekst horen die de kleine Michel uitsprak, het zijn de vaste rijtjes geweest die er onderdeel van uitmaakten – zoveel is wel duidelijk: vader, moeder, de zieltjes in het vagevuur… iedereen werd aan de Heer opgedragen. En verder maakte het kind z’n beeld: de witte sterretjes bij je samengeknepen ogen vallen naadloos samen met de immense kosmische sterrenwereld. En zoals de tovenaarsleerling van Walt Disney een serie sterren rond zijn toverstokje laat schitteren, zo is de Here God omringd door talloze sterren.
Herhaling en de mythe
Wat ik me heb afgevraagd is: is het nu eigenlijk zoveel anders in mijn gebedsleven? Ik ben volwassen en heb een redelijk goede regelmaat in het bidden. Ik sluit mijn ogen, kniel neer en ik begin: “Heer open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen. Van zonopgang tot zonsondergang moet Uw naam worden geloofd.” Als ik voor de buren bid, zie ik hun profielen voor me. Als ik voor de overheden bid, koning, koningin, de Zwolse burgemeester. Als ik God aanbid en bewonder, ja wat zie ik dan eigenlijk? Vooral de menselijke Jezus en dat beeld is gevormd door talloze visualiseringen door de jaren heen. Verbeelding, we kunnen niet zonder. Is het niet juist de grote waarde van een veilige jeugd als je daarin de beelden leert maken die je leven mee kunnen?
Gebed als ritueel leeft van de herhaling en mythe. Mythe is misschien een beladen term? Roept het de gedachte op dat het ‘niet echt gebeurd’ is? Laat ik het dan een verhaal noemen: de waarheid komt namelijk in verhalen over God en mens naar ons toe. Het gaat er mij om dat we als kwetsbare mensen ons opgenomen weten in het bevrijdende verhaal van de Heer die het kwaad overwint. Hij is in deze wereld gekruisigd – zo bedreigend was het ook voor Hem. Hij verrees en laat zijn Geest wonen in bedreigde kinderen en ouderen. Daarom zegt Hij zijn bescherming toe. Hij herhaalt uitentreuren: je hoeft niet bang te zijn. Zo wordt het gevoel van veiligheid het effect van goddelijk werk. Precies waar je om bidt.
Volwassen én kind
Is dit projectie? Nou en of, hoe zou het anders kunnen? Ik weet wel dat deze typering vaak een negatief oordeel is. Dan is het dus niet waar en ben je als volwassen mens niet geloofwaardig. Je doet kinderlijk (en eigenlijk vinden ze dan dat je dit kinderen ook niet mag leren).
Is het kinderlijk? Ook – en wat is er mis mee? Ik heb intussen geleerd dat we allemaal het kind in ons meedragen. Als wij het niet bewust zijn, heb je er meer last van dan wanneer je het eerlijk toegeeft. Bovendien, we leven allemaal in gemeenschappen met verhalen. Beelden veranderen bij het volwassen worden. De geloofsgemeenschap kadert en corrigeert. Dat is allesbehalve vrijblijvend.
Ben ik dan te weinig volwassen? Nee, integendeel. Het geregelde moment van veilige verbeelding geeft me alle ruimte om volwassen gelovige te zijn. Sterker, ik geloof dat God verbeelding gebruikt om bevrijding ook in het gevoel te laten landen. Als God incarneert, dan werkt Hij per definitie via menselijke vermogens — inclusief verbeelding, herinnering en affect. Dan is ‘projectie’ niet het probleem, maar het materiaal waarmee God werkt. Het is zijn kenmerkende werkwijze: in het menselijke binnenkomen en daar de volwassen vrijheid tot stand brengen.
Michel van der Plas schrijft het gedicht in de verleden tijd. Het past helemaal in deze afscheid-nemen-van-het-geloofbundel. Ik ken van dichtbij mensen van wie de kindergebeden de laatste waren die zij zongen. Soms gaat dat samen met een afwijzing van die kinderpraktijken. Dat hoeft niet en ik bewonder Michel van der Plas om dit gedicht – het is nergens bijtend.
En wat mijzelf betreft: Ik bid in de tegenwoordige tijd – met verbeelding.
Naar aanleiding van: Michel van der Plas, ‘Bidden I’ in: Idem, Korte Metten. Amsterdam/Brussel: Elsevier/Manteau, 1980.

Over sterretjes zien las ik (op de website: www.zeiss.nl):
“Wat gebeurt er precies als we sterretjes zien en waarom gebeurt dit? De meest voorkomende oorzaak is een plotselinge daling van de bloeddruk. Elke plotselinge beweging, zoals snel opstaan of hard niezen maakt dat er razendsnel bloed van je hoofd naar de rest van je lichaam stroomt. Tot het moment dat je bloeddruk stabiliseert hebben je hersenen en ogen tijdelijk te weinig bloed en zuurstof. Daardoor kan het netvlies niet normaal functioneren, en het netvlies stuurt deze informatie naar de hersenen. Dan begin je de veelbetekenende lichtflitsen of ‘sterretjes’ te zien. Als het gebrek aan zuurstof zich voortzet, komt je lichaam in de volgende fase, waarin de fotoreceptorcellen in het netvlies geen informatie meer naar de hersenen sturen. Dat is de fase waarin alles zwart wordt. Normaal gesproken wordt je gezichtsvermogen al snel weer hersteld. De symptomen verdwijnen zodra je bloed weer normaal begint te stromen.”



