De borsten van Mnasidika

Zorgvuldig ontsloot zij met een hand haar tunica
en reikte mij haar borsten: bloedwarm, zacht,
zoals men een godin twee tortelduifjes levend offert.

‘Bemin me vurig,’ zei ze mij, ‘want ik bemin ze zelf zozeer.
Het zijn twee liefjes, kleuterkleintjes. Als ik alleen ben
zorg ik voor ze: dan speel ik met ze, doe ik ze plezier.

Dan baad ik ze in koele melk en poeder ze met bloemen.
Mijn fijne haren die hen drogen zijn teder aan hun kleine knopjes.
Vol huiver streel ik ze en bed ik ze in zachte wol.

En kinderen zal ik nimmer baren, wees jij daarom hun zuigeling.
En te ver zijn ze van mijn lippen, kus jij ze daarom uit mijn naam.’

(MMM zei zij, 61)

Ik zou het zelf als dichter niet zo gauw doen, maar hier vind ik het overtuigend: een gesprekscitaat van iemand opnemen. De zij (dat zal de Mnasidika uit de titel zijn) spreekt de ik-figuur aan op het moment dat ze samen zijn. Het is een erotisch geladen situatie maar de inleiding op de woorden van Mnasodika en wat zij over haar borsten zegt, stijgt boven het zinnelijke uit.
Dat vind ik heel bijzonder.

Mnasidika is, voor zover ik heb kunnen vinden, geen historisch figuur. Zij fungeert als fictief personage in de gedichten van Les Chansons de Bilitis van de Franse schrijver Pierre Louÿs (1870 – 1925). Deze erotische gedichten beschrijven de vermeende ervaringen van een Griekse courtisane genaamd Bilitis. Mnasidika is een van de personages in deze verhalen, maar ze heeft, trouwens net als Bilitis, geen historische basis.

Het is overigens een smeuïg verhaal, deze Zangen van Bilitis. Louÿs was classicus en had al vertalingen uit het Grieks gepubliceerd. Epigrammen van Meleagros. Men dacht dat ook de Bilitisliederen, die hij kort daarna in 1892 publiceerde, uit een oorspronkelijk Grieks document kwamen. Toen het uitkwam dat dat niet zo was, was menigeen gepikeerd. Maar ook het sensuele karakter van de gedichten zorgde voor ophef. Een deel van de zangen werd niet gepubliceerd: te expliciet. De Nederlandse vertaling van Ernst van Altena uit 1969 biedt de complete bundel.

Bilitis is een jonge maagd die haar seksualiteit ontdekt. Met jongens en met meisjes. Een van hen is Mnasidika. Mnasidika ontsluit, in dit gedicht, haar tunica. Zij doet dat vrijwillig en geeft de aanwezige ander de vrijheid haar lichaam aan te raken. Maar zij heeft er wel wat bij te zeggen. Die tekst vormt de hoofdmoot van het gedicht. Maar voordat zij het woord krijgt, beschrijft de ik-figuur die twee ontblote borsten: ‘bloedwarm, zacht, zoals men een godin twee tortelduifjes levend offert’. 

In de Hebreeuwse Bijbel is het offer aan JHWH, de God van Israël, in verschillende vormen te presenteren – afhankelijk van de sociaaleconomische welstand van degene die het offer brengt. Het kon een rund zijn of een schaap, en voor de minst welgestelden een duif. “Wie een vogel als brandoffer aan de Heer aanbiedt, moet een tortelduif nemen of een jonge gewone duif.” (Leviticus 1,14) Jozef en Maria brachten in de tempel het armenoffer bij de geboorte van het kind Jezus: “Ook wilden zij het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven.” (Lukas 2,24, zie Leviticus 12,8) In de Grieks-Romeinse wereld werden aan een scala van goden en godinnen offers gebracht. Hier, weer terug bij Bilitis en Mnasidika, is het een vrouwelijke godheid die – zoals dat vrijwel steeds de bedoeling was in die religie – gunstig moest worden gestemd. Dan konden haar zegeningen door de offeraar ontvangen worden (do ut des). Het moest dus wat kosten, de offergave was kostbaar. Maar kom je met tortelduiven aan, dan roept je tegelijk de sfeer op van de liefde. Tortelduifjes.

Als je de borsten van Mnasidika in je handen neemt, dan moet je weten dat deze bloedwarme, zachte lichaamsdelen van de vrouw net als een offer zijn: een kostbare gave, in dit geval dus aan de ik-figuur. En het boeiende is: Mnasidika wil haar borsten geven, die borsten die zij zo koestert. Daarover gaat het eerst uitgebreid: wat zijn die borsten haar waard?

Wel, dat blijkt: de twee warme, zachte borstjes zijn als kinderen voor haar. Zij verzorgt ze goed, onder andere door het baden, en door de verzorging met huidproducten. Zij speelt met hen. Zij gebruikt kleding waarin de borsten het goed hebben. De beschrijving evoceert de soloseks van een vrouw. Het is opwindend. Dit offer zal hij met gretigheid ontvangen. Zeker als Mnasidika hem uitnodigt de beide borsten vurig te beminnen.

Maar de slotstrofe maakt attent op een pijnlijke rand aan dit prikkelende moment. Mnasidika zal geen kinderen krijgen. De moederborsten zijn voor jonge baby’s, om gevoed te worden. Een man of vrouw die eraan zuigt, is bezig met het liefdesspel. De moeder die haar kinderen zoogt is bezig met het verzekeren van het bestaan. Daar is Mnasidika zich erg van bewust: dat laatste zal zij niet doen. Waarom niet? Geen uitleg op dat punt. Verzin het maar: is zij onvruchtbaar? Geworden of gemaakt? Hoe ook, het besef trekt aan haar. Als iemand aan haar borsten zuigt, is het een vorm van compensatie. Zij kan het zelf ook niet, maar wat zou ze het graag zelf doen.
Dat vind ik een smartelijk slot.
Zou zij ook gewoon weer even kind willen zijn en zuigen aan de borsten?
Of de vrouw of de man het dan wil doen ‘uit mijn naam’.

Wie deze borsten, van deze vrouw, grijpt voor het eigen genot en de eigen bevrediging, die heeft haar niet gekend. Beminnen (mooi gekozen in de vertaling in strofe 2) is een kunst en een kunde. Deze vrouw is kwetsbaar en heeft een verlangen naar troost en aanvaarding. Ook haar bestaan mag bevestigd worden.


Naar aanleiding van: Pierre Louÿs, ‘De borsten van Mnasidika’, In: MMM zei zij: 100 erotische gedichten uit de wereldliteratuur, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. Tielt: Lannoo, 2010
Pierre Louÿs, Zangers van Bilitis. Hilversum: Goossens 1969, vertaling door Ernst van Altena

Bilitis is ook een Franse film van David Hamilton die werd uitgebracht in 1977, een verwerking van deze poëzie van Pierre Louÿs. Het is de eerste en de succesrijkste van de vijf speelfilms die fotograaf Hamilton gemaakt heeft. Hij gebruikte zijn bekende softfocusstijl. Zijn eerste vrouw, Mona Kristensen, vertolkte een van de vrouwelijke hoofdrollen. Bilitis, een 17-jarig pensionaatsmeisje, is verliefd op de fotograaf Lucas. Ze brengt de zomervakantie bij haar gehuwde vriendin Melissa door. Ze merkt dat diens echtgenoot Pierre een gewelddadig karakter heeft en Melissa tot seks dwingt. Ze heeft een kortstondige lesbische relatie met Melissa. Klik hier voor een fragment.

Het lijkt erop dat haar naam later ook is gebruikt in een obscure film uit 1969, maar dat heeft geen verband met een echte historische figuur. Klik hier. “A man awakes from his sleep to discover that he’s in ancient Greece. He witnesses a scantily-clad woman whom he woos, then kills with a club. A group of lesbians find the man, tie him to a tree, then partake in an incredible deed.”

Lees hier een Engelstalige blog over de illustrering van de bundel Les Chansons de Bilitis

Avec soin, elle ouvrit d’une main sa tunique
et me tendit ses seins tièdes et doux,
ainsi qu’on offre à la déesse une paire
de tourterelles vivantes.

«Aime-les bien, me dit-elle ; je les aime tant !
Ce sont des chéris, des petits enfants.
Je m’occupe d’eux quand je suis seule.
Je joue avec eux ; je leur fais plaisir.

Je les lave avec du lait. Je les poudre
avec des fleurs. Mes cheveux fins qui les essuient
sont chers à leurs petits bouts. Je les caresse
en frissonnant. Je les couche dans de la laine.

Puisque je n’aurai jamais d’enfants,
sois leur nourrisson, mon amour ; et, puisqu’ils sont
si loin de ma bouche, donne-leur des baisers de ma part».

De tekst in het Frans gelezen, klik hier.

Wat een treurigheid

De dikke roman van Rohinton Mistry lees je niet om vrolijk van te worden. Dat was niet zo bij de eerste kennismaking met het verhaal van Ishvar, Omprakash, Maneck en Dina in India, en dat is het bij herlezen evenmin. Toch kreeg het boek mij bij de tweede lezing weer te pakken en van lang wegleggen was geen sprake. Het is zo goed geschreven dat je in die wereld van de armen in India getrokken wordt en hun degradatie opnieuw wil meemaken. Leedvermaak is er niet bij, wel compassie en ook bewondering: wat weten deze mensen aan vriendschap en steun aan elkaar te bieden in een wereld die hen steeds opnieuw belaagt.

Het epos begint bij de toevallige ontmoeting tussen Maneck Kohlah, Omprakash Darji en zijn oom Ishvar in de trein naar de grote stad. Concrete namen worden in het verhaal niet vermeld, het gaat vooral om het verschil tussen de stad en het geboortedorp. De belevenissen van oom en neef staan in het licht van het gedroomde ideaal: het leven in het dorp zullen zij opnieuw oppakken als het werk in de stad de nodige financiële armslag heeft opgeleverd. “Het is nergens zo fijn als op je geboorteplek,” zegt Ishvar (12 en je kunt het thema op de volgende bladzijden terugzien 81, 90, 104, 127, 71, 297, 441, 491v, 513). Hoe schrijnend is het dat juist die terugkeer een keiharde wending aan hun leven geeft. De kasteverschillen werden eerst de reden tot een moedige daad in het dorp en ten slotte de reden voor een ongekend wrede behandeling van machtige Thakurfamilie.

Ishvar en zijn broer Narayan zijn geboren in het gezin van Dukhi en Roopa, leerlooiers van beroep: chamars. Veel generaties langs was die orde onderdanig gehandhaafd. De chamars vilden karkassen, aten het vlees en looiden de huid. Zij maakten sandalen, zwepen, tuigen en waterzakken. De chamars zijn de onaanraakbaren die uitgebuit worden en vernederd. Als een vrouw niet haar lichaam wil geven aan een jongen van de hogere kaste, wordt ze kaalgeschoren en moet ze naakt over het plein lopen. Maar Dukhi begint het zat te worden, de eeuwige tegenslagen en het gebrek aan toekomst. Hij besluit zijn zonen een opleiding tot kleermaker te geven, bij Ashraf, de moslim-kleermaker, verderop in de stad. “Als snel werd het in het dorp van Dukhi bekend dat zijn kinderen een ander vak leerden dan leerbewerken. In vroeger tijden zou hij met de dood gestraft zijn omdat hij buiten zijn kaste was getreden.” (114 zie ook 127-129, 137, 141, 324, 382, 499), en even lijkt het goed te gaan. Maar als zij ook nog aan verkiezingen willen meedoen, komt de minachting van de machtige familie in de buurt tot een climax. Narayan en zijn gezin worden uitgemoord – op één zoon na, Omprakash. Het is een passage die je niet anders dan met weerzin leest. (140v) En ongeloof. Zou het werkelijk?

Intussen lees ik het boek Caste: At Home in Hindu India van Sophie Baker. Zelf van Indiase afkomst en opgevoed in Engeland onderneemt zij de poging om bij verschillende Indiase families in huis mee te leven. Families van verschillende kaste. Het boek dateert uit 1990 en zit daarmee in de buurt van de tijd die Mistry beschrijft, de jaren vijftig tot tachtig in de vorige eeuw. Stadse Indiërs claimen soms dat het kaste-systeem ten einde is. Maar de werkelijkheid is anders, schrijft Baker: “Thousands of lives have been lost, homes burnt to the ground, shops looted and livelihoods destroyed, and, despite the impostion of numerous curfews and stringent legal action, the disturbances still continue.” (56)

Ishvar komt met Omprakash terecht bij Dina Dalal in de grote stad. Daar raakt hun leven, samen met dat van Maneck, innig verstrengeld. Ieder doet een verwoede poging een leven op te bouwen, door werk en opleiding. Het netwerk van relaties in een wereld met steekpenningen, strafexpedities, steeds weer nieuwe pogingen om verder te komen, het haalt het slechtste maar ook het beste in mensen naar boven. Ook Dina vraagt zich af of de kleermakers wel thee kunnen drinken uit haar kopjes. “Ze staarde met halfdichtgeknepen ogen naar de kopjes en de schotels, naar de gekleurde randjes ervan. Roze of rood? Roze voor de kleermakers, besloot ze, en ik zet de koppen apart met het glas dat ik voor ze heb gereserveerd. Rood voor mijzelf.” (83). Maar Maneck kan het wel goed vinden met de jonge Om en zo vervagen strenge kastegrenzen, totdat het noodlot hen weer uiteenjaagt. Maneck krijgt in het verhaal de rol van de hoofdpersoon die het meest reflecteert. Hij vraag zich tegen het einde af, in 1984: “Wat had de wereld voor zin? Waar was God, de Grote Gek? Had Hij geen benul van eerlijk en oneerlijk? Was Hij nog niet in staat om de eenvoudigste balans te lezen. Hij zou al lang zijn ontslagen als Hij een bedrijfje had geleid, als je zag wat Hij liet gebeuren…” (564)

En terwijl de vertelling langzaam maar zeker schaduwrijker wordt en je begint aan te voelen dat er heel veel niet goed komt, zie je ook dat in zo’n context alles met alles verbonden is. De westerse illusie van je individualiteit is er ver te zoeken: “De tijd kent geen lengte of breedte. Het gaat erom wat er precies is gebeurd toen de tijd verstreek. En wat er gebeurd is, is dat onze levens met elkaar zijn verbonden.” “Net als deze lapjes,” zei Om. Maneck zei dat de quilt nog niet af hoefde te zijn als de hoek was opgevuld. “U kunt gewoon doorgaan, tante, en hem steeds maar groter maken.” (466, zie ook 535, 572 en 582)

Rohinton Mistry heeft een indrukwekkend en meeslepend boek geschreven. In de eerbiedwaardige traditie van India hebben de Mahabharat en de Ramayan een geweldige verhaalwereld gecreëerd over goden en mensen, over dharma en karma en met zijn roman staat Mistry in de geschiedenis van de grote vertellers. Hoe treurig het ook afloopt, het zal me niet hinderen het boek voor een derde of vierde keer te lezen. Het zijn zulke echte mensen en het gaat over zulke reële mislukkingen, dat je de lectuur als een tragische reiniging ervaren kan. Intens sneu is het als Maneck na tien jaar de kleermakers terugziet als bedelaars. Ishvar is intussen zijn benen kwijt, Omprakash is gecastreerd tegen zijn zin. Maneck herkent hen maar blokkeert. “Hij deed niets.” (577) En als de beide ex-kleermakers even later bij Dina zitten vertellen zij dat zij Maneck gezien hebben: ‘Hij herkende ons niet,” zei Om. “Of hij deed alsof. We zeiden zelfs: “Babu, ek paisa’ om zijn aandacht te trekken.” (581) Omprakash kan het niet verkroppen. “De Maneck die wij  kenden zou vandaag zijn blijven wachten.” (581)

Ja, en dat is nu het hele punt.
Wie bent je, waar en wanneer?


Naar aanleiding van: Rohinton Mistry, Een wankel evenwicht. Amsterdam: Bert Bakker, 1996. Uit het Engels vertaald door Maaike Post en Arjen Mulder, oorspronkelijke titel A fine Balance, 1995

Sophie Baker, Caste: At Home in Hindu India. London: Jonathan Cape, 1990.

Samuel Wells (1965) is een priester in de Church of England en een theoloog die een mooi boek geschreven heeft over het lijden van de Heer: De  gewonde God: over het geheim van Jezus lijden (Utrecht: KokBoekencentrum 2022). In een van de hoofdstukken gaat het over de ‘dwaasheid van het kruis’ (1 Korinte 1,18-25) en komt hij te spreken over de roman van Rohinton Mistry. Hij haalt uit het verhaal de figuur van Shankar naar voren, een man zonder benen en vingers. Hij rijdt rond op een houten platform. Zonder zelfmedelijden en met een goed humeur leidt hij zijn leven, onder het toezicht van de Bedelbaas. “Shankar lijkt een dwaas. Hij lijkt te worden bedrogen door zijn pooier, uitgebuit door de mensen om hem heen en veracht door de harde wereld. Hoewel hij met allerlei ontberingen te maken krijgt, zet hij die niet om in bitterheid of wrok, maar in mededogen, vriendelijkheid en humor. Rohinton Mistry traint het morele kompas van de lezer door de structuur en de complexiteit van het menselijke hart en geweten inzichtelijk te maken. Shankar lijkt op India: geteisterd door lijden en tragedie, maar tegelijk veerkrachtig en vindingrijk, op een manier die zelfs sympathie overstijgt. Via de figuur van de been- en vingerloze Shankar leert Mistry ons de dwaasheid van God te waarderen. Het kruis is geen onderdeel van een keurig plan. Het is dwaasheid, dwaasheid als bewijs van liefde.” (111-112)

Magistrale Bolero

Ik was tweede, misschien derdejaars student theologie in Kampen. We bekeken met elkaar de film Les uns et les autres. Een indrukwekkende film uit 1981 met als slot een balletuitvoering van de Bolero van Maurice Ravel (1875 – 1937). Weggeblazen, dat werd ik. Nu ik het fragment weer terug zie, ruim veertig jaar later, besef ik dat die indruk al die jaren sluimerend met me meeging. De dansende mannen op de stuwende herhaling van de Bolero, de zwart-wit kleding, de belichting en vooral het ontblote lijf van de lead dancer Jorge Donn, nu in 2024 begrijp ik pas hoe geweldig deze kennismaking met het bekendste werkstuk van deze componist was. En ik begrijp nu ook pas dat de Bolero in 1928 door Ravel geschreven is in opdracht van de Oekraïense danseres Ina Rubinstein. Zij wilde een dansstuk en dat is de Bolero geworden. Het moest wat haar betreft sensueel en erotisch zijn. Dat werd het, al was Ravel niet zo over de uitvoering te spreken. Tenminste, de film die juist dit jaar verscheen over de Bolero, laat dat heel duidelijk zien.

De film was een mooie gelegenheid om de roman Ravel van Jean Echenoz opnieuw te lezen. Ook een bijzonder werkstuk, laat dat gezegd zijn. Hij beschrijft de laatste tien jaren van het leven van de componist en dat is nog niet zo opzienbarend. Maar ook hier, de manier waarop wel. Behalve de beschreven personen zit er, heel nadrukkelijk, nog iemand in het verhaal. Wie is dat?

“Je vindt het wel eens spijtig om uit bad te moeten.” (7) Zo begint Jean Echenoz zijn roman. Wie is er aan het woord? De verteller, de alwetende. Hij begint met een generaliserende zin. Iedereen vindt het wel eens spijtig om uit bad te moeten. Hij noemt vervolgens een paar redenen om de uitspraak te ondersteunen om dan te vervolgen met “Maar dat kan niet eeuwig duren, zoals gewoonlijk dringt de tijd, over minder dan een uur komt Hélène Jourdan-Morhange. Ravel hijst zich dus uit zijn badkuip…” (8) We kunnen nu ook aannemen dat wij als lezers even inzicht kregen in de gedachtewereld van de hoofdpersoon, de beroemde componist Maurice Ravel. En dat zal nog vaak de vraag blijven in het verhaal. Waar horen wij de verteller uitleg geven en waar laat hij ons meeluisteren naar de interne monoloog van Ravel? Even verderop gaat het over Hélène: “Helene is een vrij knappe vrouw, die wel wat op Orane Demazis zou kunnen lijken, voor wie nog weet hoe die eruit zag, maar in die jaren hebben heel wat vrouwen iets weg van Orane Demazis.” (10) Opnieuw krijg ik het idee dat ik als lezer even aandacht krijg: weet jij nog hoe deze vrouw eruit zag?

Aan het slot van hoofdstuk 1 laat de verteller onomwonden van zich horen. Het is 1927 en Ravel “…vertrekt naar de zeehaven van Le Havre om naar Noord-Amerika te gaan. Het is de eerste keer dat hij dat doet, het zal ook de laatste zijn. Hij heeft vandaag, op de dag af, nog tien jaar te leven.” (17) Langzaam maar zeker merk je dat de verteller niet alleen uitleg geeft. Hij duidt de gang van zaken “Dat klopt en het is niet onlogisch…” (21) als hij net beschreven heeft dat Ravel meent te mogen opmaken dat hij wordt herkend. Hij creëert een gemeenschappelijkheid met de lezer: ‘Nadat dit verhaal groot succes heeft geoogst bij de disgenoten, kunnen we ons nu even buigen over de samenstelling van het feestmaal.” (37) Ons?

Als hij bezig is te beschrijven wat Ravel op de boot naar Amerika al of niet doet, noteert hij: “Maar goed, dat gaat allemaal zo een tijdje door, en omdat al die dagen op elkaar lijken hoeven we niet te blijven hangen, laten we de volgende drie overslaan.” (43, zie ook 53 ‘en hup, op reis door…’) We krijgen hier van de verteller zelf te horen dat hij vaart wil maken met z’n vertelling. Om te voorkomen dat het saai is, zoiets? Of dat we ons gaan vervelen? Dat lijkt een geoorloofde suggestie omdat juist verveling een thema blijkt te zijn in die tien jaar van Ravel (24, 66). Hij wentelt zich in de luxe en de bewondering van mensen maar intussen komt er nauwelijks iets uit z’n handen, is zijn perfomance middelmatig en beoordeelt hij de Bolero als weinig muzikaal. De Bolero! Wat al tijdens zijn leven als eens meesterwerk werd onthaald.

“Ik kan net zo goed zelf iets componeren, mijn eigen muziek heb ik sneller georkestreerd dan die van anderen. Uiteindelijk is het maar een ballet, het heeft geen echte vorm of ontwikkeling nodig, er hoeft nauwelijks gemoduleerd te worden, enkele ritme en orkest. Op muzikale inhoud komt het ditmaal minder aan. Gewoon even voor gaan zitten.” (75 – 76) Nou dat valt dus tegen. Op dat gegeven is de trage film van dit jaar opgebouwd. In de roman komt uiteraard ook het succes ter sprake (een schok, het werkt! 79) maar daarna is de verteller voortdurend bezig Ravels negatieve oordeel erover te herhalen: ‘jammer dat er geen muziek in zit’ (80, zie ook 87, 100, 104, 111 en 116).

In die teneur wil de verteller het maar kort houden (60, 61, 85) en wil hij nadrukkelijk ons lezers op het goede spoor houden. Het meest nadrukkelijk komt dat naar voren als hij voor ons als lezers beoordeelt of wij bepaalde dingen zouden moeten geloven. Iets over een opmerking van Canetti, een producer, tegen Ravel: “We hoeven dat verhaal niet te geloven.” (108) Even later over een opmerking van Ravel zelf: “Maar dit keer is hij degene die we niet hoeven te geloven.” (111) Een bladzijde later gaat de verteller in discussie met een van de redenen waarop men de slaap kan vatten. (112) De verteller doet welsprekend z’n best ons een verveelde, vermoeide en middelmatige componist voor te schotelen. Ik raak gealarmeerd. Wat is er nu echt gebeurd met Maurice Ravel? Ik weet niet of dat de bedoeling van Jean Echenoz is, maar het resultaat is wel dat ik meer dan anders me de afstand tussen vorm en gebeurtenissen bewust ben.


Naar aanleiding van: Jean Echenoz, Ravel. Breda: De Geus, 2007. Vertaald uit het Frans door Martin de Haan en Jan Pieter van der Sterre. Oorspronkelijke titel: Ravel, verschenen bij Les Éditions de Minuit, 2006.

En: Boléro, Anne Fontaine regie, 2024. Raphael Personnaz als Maurice Ravel en Jeanne Balibar als Ida Rubinstein.

Ik vind de Bolero magistraal. Na de eerste kennismaking via de film uit 1982 naar de vele versies die nu op YouTube te vinden zijn, het blijft boeiend. De Bolero bestaat uit twee thema’s die telkens door andere instrumenten worden gespeeld. Na twee inleidende maten door de kleine trom wordt het eerste thema ingezet door een enkele fluit. Daarna gaat langzamerhand het gehele orkest meedoen. Kort voor het einde vindt een modulatie plaats. Die het einde krachtig maakt. Het stuk duurt ongeveer 15 minuten. Is het negatieve oordeel van de componist en over de componist, in deze roman, nu terecht op niet: “Ik heb niets geschreven, ik laat niets na, ik heb niets gezegd van wat ik wilde zeggen.” (117, zie ook 123) De werkelijkheid van nu bewijst het tegendeel.

Klik hier voor de uitvoering van de Britse Proms in 2014, dirigent Daniel Barenboim.
Voor de clip uit de film Les uns et les autres (1982), klik hier.

Het pad dat je bent

Padaftast

Je staat niet stil, je dwaalt niet rond,
je kijkt niet om. Je kiest een weg

die je volgt. Geen grote weg, een pad.
Je zegt wat je niet zegt. Marcheren

komt er niet aan te pas. Je beent niet
door, je tast af. Er is een weg die je
verkent, er is een pad dat je bent.

Laurens van der Graaff ging op 17 juli 2014 aan boord van de MH17. Hij was docent Nederlands op het Geert Grootecollege en ging voor een lange vakantie naar Indonesië, samen met zijn vriendin Karlijn. Voor zijn studie Nederlands ging Laurens destijds naar Amsterdam en daar werd Daan Doesborgh zijn studiegenoot en vriend. In de nieuwe bundel van dichter Doesborgh, Moet het zo, staat een lang sonnet voor Laurens van der Graaff. (13) Het is een in een serie, wat zeg ik, een in een bundel vol afscheid, rouw en dood. Tien jaar na de vliegramp neemt Doesborgh ons mee op zijn eerlijke reis door het verdriet. Onderweg komen we bij een heel mooi werkstukje: ‘Padaftast.’ (18)

Wat maakt nou dat ik dit een mooi gedicht vind? Allereerst de eenvoud. Er staan geen moeilijke woorden in, de dichter zegt eigenlijk iets heel simpels, iets over een levensweg en tegelijk voel je dat de eenvoud een beetje schijn is. Er ontwikkelt zich iets in de zinnen dat niet aan de oppervlakte blijft. Er zit beweging in het gedicht maar tegelijk word je als lezer even stilgezet: beschrijft dit taalgebouwtje iets dat ik herken?

Het boeiende is bovendien dat de titel bepaald niet simpel is. De dichter heeft een nieuw woord gemaakt: Padaftast. Hadden wij de regels eronder niet gehad, hadden we dan enig idee gehad waar dit zelfstandig naamwoord naar verwijst? Nauwelijks. Ik vermoed dat de dichter deze titel erboven heeft gezet toen het gedicht al klaar was. Misschien nog sterker, dat hij het woord pas verzinnen kon nadat hij de woorden ‘pad’ en ‘aftasten’ gebruikt had in de zeven regels. Kan iemand eerst zo’n titel binnenkrijgen en dan er een gedicht bij maken?

Maar nu het als combinatie titel & gedicht voor ons ligt, versterken beide delen elkaar. Het neologisme krijgt een heldere uitleg met als bijzonderheid dat je aan het einde dieper bent gekomen dan je bij aanvang dacht. Want ineens weet je je bestaan beschreven: het leven is niet de wandelroute die iemand voor je heeft uitgestippeld. Het is een vorm van permanent verkennen. Je komt wel vooruit, maar alleen in kleine stappen en vooral aftasten. Dat is een fraai gevonden typering. Ik krijg er het beeld bij van een slechtziende of blinde. Hij of zij moet de vingertoppen gebruiken om te voelen wat waar is. Of een stok om te voelen waar het begaanbaar is. Dus is marcheren er inderdaad niet bij. Maar tegelijk ben je ook maar niet wat aan het dwalen. En kom je echt vooruit.

Het pad ben je zelf. Dat is de slotsom. Halverwege het gedicht kregen we al een hint. ‘Je zegt wat je niet zegt.’ Eerst dacht ik dat er stond ‘Je zegt niet wat je zegt.’ Je draait om dingen heen en gebruikt veel woorden om niet te zeggen wat je bedoelt. Maar hier is het andersom. Je bent hoorbaar, anderen kunnen je ‘lezen’, je communiceert iets echts, iets wat je graag kwijt wilt, maar je doet dat zonder woorden. Zwijgend, een oogopslag. Of met woorden, met zoveel drukte en irritatie dat de ander ziet dat je boos bent, of verdrietig. Je verlangt naar contact. Dat ben jij. Dat ben jij nu. Zo tast je de omgeving af. Wie reageert? Wat krijg je terug? Zo verken je het pad dat leven wordt genoemd. Je tast en – gelukkig! – anderen tasten ook. Misschien raak je elkaar al tastend. Je bent. Je bent niet alleen. Hoe belangrijk is dat als je een vriend hebt verloren door een gruwelijke misdaad.


Naar aanleiding van: Daan Doesborgh, ‘Padaftast’ In: idem, Moet het zo. Amsterdam: Van Oorschot 2024, 18. In de ‘Verantwoording’ lees ik de niet alledaagse zin: “Sommige gedichten uit deze bundel bevatten regelrechte of bewerkte citaten uit gedichten van anderen. Dat is geheel opzettelijk.” (75) Kijk, dat is boeiend. Het eerste en het laatste gedicht verwijzen naar elkaar en gaan beide onder andere over honing en sneeuw. Ik denk aan Martinus Nijhoff en ‘het lied der dwaze bijen’, dat eindigt met:

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
huiswaarts omlaag gedwereld,
het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tussen de korven.

In het eerste gedicht van de bundel komen we via honing uit bij de Bijbelse Simson die met blote handen een leeuw doodt. Regel 6 van het gedicht ‘Prefiguratie’: ‘geen raat in het karkas van een leeuw’. Lees maar het Bijbelboek Rechters, hoofdstuk 14 vers ,8-9: “Niet lang daarna maakte hij [Simson] de reis opnieuw, nu om haar tot vrouw te nemen. Onderweg verliet hij even het pad om naar de dode leeuw te kijken. Daar zag hij dat zich in het kadaver een zwerm bijen had genesteld, en dat er honing in zat. Met beide handen haalde hij de honing eruit, en al etend liep hij terug naar zijn ouders. Hij gaf hun er ook wat van te eten, maar hij zei er niet bij dat hij die honing uit het kadaver van een leeuw had gehaald.”

Voor meer over Laurens van der Graaff, klik hier.

Is er een weg naar boven?

De oude man beklimt de toren

Hij zou wel eens de duizend treden van de toren bestijgen
om de hemel een en ander te vragen,
maar nog geen dertig treden is hij gegaan
of hem ontvallen ziel en zinnen aan de kolkende wind,
in de greep van zijn handen schiet de schrik,
in de gang van zijn voeten zinkt de bange moed.
Al vloeit de durf weldra weer in hem terug,
hij houdt één hand nog op zijn zij gedrukt
als kon hem daar zijn ziel ontsnappen.
Een oude man is in beklag z’n enige vriend,
niet anders dan een boom gekloofd door jaren aanvraat.
Het is de avond van zijn kracht, waartoe nog zo vermetel?
Wat is hij meer dan kroos op herfstig water?
Waarop wil hij zich oud en eenzaam nog verlaten?
Het daglicht wordt als schemer in zijn ogen,
steeds denkt hij mis te stappen,
en terug te vallen in het aards gewoel.
Meer dan één vriend, een monnik, heeft hij niet,
meer dan een bamboestaf laat hij niet na.
Vergeefs is de ernst van dit verlangen,
vergeefs dit zo volhardend streven:
op aarde is een mensenhart niet breder dan een duim,
hoe zou de hoge hemel dan zijn woorden kunnen horen?

De verandering is bijna compleet: van bravoure naar grote bescheidenheid, misschien nog sterker naar twijfel aan het hele plan. De hemel bestormen loopt uit op twijfel of er contact kan bestaan: hoe zou de hoge hemel zijn woorden kunnen horen? Wat gebeurt er tussen openingsregel 1 en slotregel 23?

De wind, een kolkende wind, hij is het eerste die de zekerheid aan het wankelen brengt. Tegenwind bij fietsen is een ding, een storm over het land is een tweede, een tornado is echt niet leuk meer. In de bergen sta je niet stabiel, het pad zoeken over ongebaande paden en dan een kolkende wind. De hoge hemel is niet zomaar toegankelijk, de draaiende winden vormen een poort die eerder sluiten dan opent. Het raakt ‘ziel en zinnen’, niet alleen de handgreep en de voetstap zijn in geding (regel 5 en 6), het geweld slaat naar binnen toe: de ziel raakt uit balans.

Het laat een spoor achter. Want de durf keert terug. Zo is het ook, na een ongeluk moet je weer leren vertrouwen op je lichaam, je reactievermogen en dat kan wel degelijk. Maar er blijft een rest onzekerheid en dat wil je tegengaan. De hervonden durf heeft ondersteuning nodig en de kwetsbaarheid roept om nadere bescherming. Een hand op de zij gedrukt, prachtig. Het zijn de flanken die niet gedekt worden. De vrouw werd in het Bijbelse scheppingsverhaal uit de zij van de man genomen. Wie weet wat er nog meer kan ontsnappen daar? Zijn ziel zelf misschien?

Maar een hand in je zij… is dat genoeg? Jezelf ondersteunen bij de grootse onderneming van het opklimmen naar de hemel? Met beklag op weg gaan is geen prettige uitnodiging voor medereizigers. Vandaar dat je gemakkelijk je enige vrind zelf bent. Een boom die gespleten is groot geworden door ‘jaren aanvraat’, ja dat lijkt wel een vorm van ‘samen’ maar dat is het natuurlijk niet. Wie na het overlijden van je partner een denkbeeldig huisdier in z’n leven toelaat, om wat aanspraak, is toch per saldo niemand anders dan een eenzame.

Waarom ben je als oude man nog zo vermetel? Wij zijn meegenomen door de alwetende verteller. Hij introduceerde ons bij de man met lef, de oude man met ballen. Maar past dat wel bij zijn levensfase. ‘Het is de avond van zijn kracht…’.  Horen we hier de interne twijfel verwoord, eerder nog dan de stem van de verteller? Drie vragen op een rij, dat maakt glashelder dat wij hier een kernpassage te hebben. ‘Avond van kracht’ wordt nu aangevuld met ‘herfstig water’. Wat een beeld, prachtig. En dan ben jij daar slechts het kroos op. wat verbeeld je je wel? En als je kracht is afgenomen, wie staat je dan bij? Als jij zelf je enige vriend bent, dan ben je alleen bij elke stap die je zet. Het kan een misstap zijn. Wie verlost je van je onzekerheid als je deze vretende vragen niet stil kan krijgen?

Halverwege het gedicht wordt het toch wel spannend. Gaat het nog goed komen? Is er mogelijkheid om de duizend treden van de toren te bestijgen? Schiet er iemand te hulp? Kan de oude man zich herpakken? Nee. Dat is het antwoord. Over vriendschap gesproken, dan is er maar een te noemen: een monnik. Wat ik me even afvraag is of hij hier opnieuw zichzelf bedoelt. Want eerder zei hij dat de oude man zichzelf als enige vriend heeft. Weliswaar ‘in zijn beklag’, maar is dat niet ook hier de zaak: hier is een oude monnik die eerlijk moet toegeven dat zijn monnik-zijn niet helpt het pad de hoogte in te voltrekken.
Monniken zijn vaak bezitloos, of althans bijna. In dit geval laat hij slechts zijn staf na. Een staf is om op te leunen, toch? Niet bij de weg omhoog blijkbaar. De kracht ontbreekt maar het speelt meer. We kwamen het op het spoor (‘waartoe nog zo vermetel?’ in regel 12) hier komt het er luid en duidelijk uit: het is vergeefs. Het verlangen naar de toren is vergeefs, en ook het streven. De Boeddha eindigde zijn aardse bestaan met de oproep aan zijn volgelingen: streef onophoudelijk, laat niet af. Hier ontmoeten wij iemand die de hoop opgeeft. Zou het kunnen zijn dat hij niet de weg omhoog moet bewandelen, maar de weg naar binnen? Want door extern te kijken word je vanzelf tot bescheidenheid gedrongen: wat stel je nu eenmaal voor? Een mensenhart is niet breder dan een duim. Wat geeft je de gedachte dat de hoge hemel voor je kleine bestaan aandacht heeft?
Maar wat nu als je in jezelf een universum ontmoet?
Of, nog spannender, als de hoge hemel in levende lijve voor je staat en je vriend wordt?


Naar aanleiding van: Meng Jiao, ‘De oude man beklimt de toren’, In: 3000 jaar wereldpoëzie in 500 onsterfelijke gedichten samengebracht door Koen Stassijns & Ivo van Strijtem. Tielt/Amsterdam: Lannoo/Atlas, 2005, 431. Meng Jaio 751 – 814 China. Honderd Chinese gedichten, van 400 tot 1400 samenstelling en vertaling Daan Bronkhorst, voorwoord Lloyd Haft. Baarn: De Prom, 1985, 47.