De God van de gaten

“I still believe in God, the teachings of Jesus even, but the rest of Christianity, its Bible, its churches, its dogma – only sets up boundaries between people and cultures. It denies the beauty of being human, and it ignores all these GAPS that need to be filled in by the individual.”
— Craig Thompson, Blankets

Wie Blankets gelezen heeft, weet dat dit citaat niet zomaar een mening is. Het is de samenvatting van een levensverhaal. De graphic novel van Craig Thompson vertelt hoe een jongen uit een streng Amerikaans evangelical milieu opgroeit tussen geloof, schuld, verlangen, eenzaamheid, liefde en kunst. Aan het slot blijft er iets van zijn geloof over: God, en misschien zelfs Jezus. Maar de rest – Bijbel, kerk en dogma – lijkt hij achter zich te laten.
Ik zie dit citaat als een kernachtige weergave van de boodschap van Blankets. Craig formuleert geen intellectueel argument tegen het christendom, maar hij verwoordt wat hij existentieel heeft ervaren. De vraag die het boek oproept is daarom niet allereerst: is het christendom waar? Maar: kan een mens binnen het christendom werkelijk mens zijn?

Een geloof dat overleeft
Opvallend is de eerste zin: “I still believe in God.”
Het woord still is veelzeggend. Het geloof is niet verdwenen. Het heeft een crisis overleefd. Ook Jezus blijft voor Craig belangrijk. Misschien zelfs belangrijker dan ooit. Maar wat hij niet meer kan verdragen zijn de vormen waarin dat geloof hem werd aangereikt.
Dat is een herkenbaar patroon in de laatmoderne westerse cultuur. Sociologen spreken wel van “believing without belonging”: geloven zonder erbij te horen. Mensen behouden spirituele overtuigingen maar verliezen hun vertrouwen in instituties. Craig is daarvan een schoolvoorbeeld. Hij houdt vast aan God, maar niet meer aan de gemeenschap die hem over God vertelde.

Grenzen
Zijn eerste klacht luidt dat het christendom grenzen trekt tussen mensen.
Dat verwijt komt niet uit de lucht vallen. In Blankets wordt Craig voortdurend geconfronteerd met onderscheidingen: gered en verloren, zuiver en onzuiver, toegewijd en halfslachtig, kerk en wereld. Zijn verliefdheid op Raina wordt steeds overschaduwd door schuldgevoel en religieuze verwachtingen. Zijn conclusie lijkt eenvoudig: Waar liefde verbindt, trekt religie grenzen.
Die klacht verdient serieuze aandacht. De Bijbel zelf kent immers een lange traditie van kritiek op religieuze systemen die mensen buitensluiten. Jezus raakt melaatsen aan, spreekt met Samaritanen en eet met tollenaars. Paulus verzet zich tegen grenzen die Joden en heidenen uit elkaar houden. De vroege kerk moest leren dat Gods genade groter is dan haar eigen afbakeningen. In dat opzicht staat Craig soms dichter bij de profeten en bij Jezus dan bij de religieuze cultuur waartegen hij zich afzet.
Tegelijk ontstaat hier een dilemma. Want een gemeenschap zonder grenzen bestaat niet. Iedere gemeenschap zegt uiteindelijk iets over wat waar, goed of nastrevenswaardig is. Ook Craigs eigen overtuiging – dat menselijke schoonheid beschermd moet worden en dat het individu ruimte nodig heeft – functioneert als een norm. De vraag is daarom niet óf er grenzen zijn, maar welke grenzen leven bevorderen en welke grenzen mensen beschadigen.

De schoonheid van het mens-zijn
Craigs tweede klacht raakt nog dieper. Het christendom, zegt hij, ontkent de schoonheid van het mens-zijn. Wie Blankets leest begrijpt waar dat vandaan komt. Seksualiteit wordt vooral ervaren als bron van schuld. Emoties worden nauwelijks erkend. Creativiteit krijgt weinig ruimte. Zijn tekentalent wordt niet gekoesterd maar lijkt soms zelfs verdacht. De pijn die daaruit spreekt is invoelbaar.
Veel van Craigs kritiek treft niet de kern van het christelijk geloof, maar bepaalde historische misvormingen ervan. Het christendom heeft zich geregeld laten beïnvloeden door dualistische denkwijzen waarin lichaam en geest tegenover elkaar kwamen te staan. Alsof het lichamelijke minderwaardig zou zijn aan het geestelijke.
Maar de Bijbelse lijn loopt juist de andere kant op. De Bijbel begint niet met de zondeval maar met de schepping. De wereld wordt ‘zeer goed’ genoemd. De mens is geschapen naar Gods beeld. Het Hooglied viert de liefde tussen geliefden. De Psalmen geven ruimte aan vreugde, woede, verlangen en wanhoop. En de incarnatie gaat nog verder: God wordt mens.
Dat laatste is misschien wel het krachtigste antwoord op Craigs klacht. De God van de Bijbel neemt niet afstand van het mens-zijn, maar deelt erin. Hij eet, huilt, werkt, lijdt en sterft. Juist daarom is het pijnlijk dat Craig het christendom vooral heeft leren kennen als een ontkenning van die volheid.

De gaten
Het meest fascinerende deel van het citaat gaat echter over de gaps.
Volgens Craig laat het leven allerlei open plekken zien: twijfel, verlangen, verdriet, onzekerheid en schoonheid. Het probleem van het christendom is volgens hem dat het die open plekken te snel wil vullen met antwoorden. Daartegenover stelt hij dat de mens zelf betekenis moet scheppen.
Hier raakt Blankets aan een diep cultureel ideaal: authenticiteit. De waarheid moet niet van buitenaf worden opgelegd, maar van binnenuit worden ontdekt.
Toch ontstaat hier een belangrijk gesprekspunt.
Want de Bijbel kent eveneens grote open ruimtes. Denk aan Job. Aan Prediker. Aan de klaagpsalmen. Aan Paulus’ verzuchting dat wij slechts ten dele kennen. De Bijbel is veel minder bang voor vragen dan religieuze systemen soms suggereren.
Maar er is wel een verschil. Voor Craig moeten de gaten uiteindelijk door het individu worden gevuld.
Voor de Bijbel blijven de gaten vaak open. Niet omdat er geen waarheid bestaat, maar omdat de mens niet de uiteindelijke betekenisgever is. Bijbels geloof is niet primair zelfcreatie maar antwoord. Het leeft van een stem die van buitenaf komt. Dat is misschien de diepste spanning in Blankets. Craig zoekt vrijheid tegenover een geloof dat hem verstikte. De Bijbel zoekt vrijheid binnen een relatie die de mens aanspreekt.

Kan Jezus zonder kerk?
Craig wil Jezus behouden maar kerk, Bijbel en dogma achterlaten. Dat klinkt aantrekkelijk. Veel lezers zullen er sympathie voor voelen. Maar hoe houdbaar is die positie?
Want welke Jezus blijft er over wanneer de bronnen die over Hem getuigen worden losgelaten? De Jezus van de evangeliën is onlosmakelijk verbonden met de heilige geschriften van Israël. Hij leeft binnen een traditie, spreekt binnen een gemeenschap en roept leerlingen bijeen. Ook het gebed dat Hij zijn volgelingen leert begint niet met “mijn Vader” maar met “onze Vader”.
Daarmee is niet gezegd dat Craig eenvoudig ongelijk heeft. Zijn ervaring legt reële misstanden bloot. Maar zijn oplossing roept nieuwe vragen op. Een geloof zonder gemeenschap kan bevrijdend zijn. Het kan ook eindigen in een geloof dat uiteindelijk alleen nog door het eigen ik wordt gevormd.

Een geloof dat de gaten kan bewonen
Dat beschouw ik als de belangrijkste vraag die Blankets aan christelijke lezers stelt: kunnen wij een vorm van christelijk geloof aanbieden die ruimte laat voor de gaten?
Een geloof dat niet bang is voor kunst.
Niet bang is voor verlangen.
Niet bang is voor vragen.
Niet bang is voor verdriet.
Niet bang is voor menselijke complexiteit.

De tragiek van Blankets is dat Craig zulke ruimte nauwelijks heeft ervaren. Zijn afscheid van het christendom is daarom tegelijk een protest tegen een christendom dat zichzelf soms heeft verraden.
Toch blijft aan het slot van het boek iets merkwaardigs hoorbaar. Craig houdt vast aan God. Hij houdt zelfs vast aan Jezus. Alsof hij ondanks alles vermoedt dat achter de verstikkende religie een werkelijkheid schuilgaat die groter, menselijker en vrijer is.
De vraag die Blankets ons nalaat luidt: heeft Craig het christendom verlaten, of heeft hij vooral een vorm van christendom verlaten die de schoonheid van Gods schepping onvoldoende wist te dragen?
Wie het boek dichtslaat, kan die vraag moeilijk ontwijken.


Naar aanleiding van: Craig Thompson, Blankets (Graphic Novel). Montreal: Drawn & Quarterly, 2021 (eerste druk verscheen in 2003). Het citaat is te vinden op p. 533.

Durven ze al

Durven ze al, onooglijke druifjes
in de gevorderde lente
tussen de grote groene handen
tegen de vermoeide schuttingplanken
die zwiepen als een wrede God
het ongenadig stormen laat,
omkiepen was het bijna, laatst.
De platen tussen stutten schutten onze planten,
om de vrede en de brede groene zegen
om die druifjes van niks
die hun tere strakke huidjes durven tonen straks,
in de zomer vol gespannen gist en goesting,
lust en zoete sappigheden op de tong
als de buurman en ik nuchter beslissen
dat de bladderende schutting
toch echt toe is aan verdwijning.
Een nieuwe scheiding van beton
omdat we de stormen Gods
niet onderschatten durven,
in de herfst.

Caroline van Vulpen maakte deze foto, mei 2026.

Meer god dan mens

De machtigste mens op het dorp was de hoefsmid.
Hem bracht een boer zijn paard om te beslaan,
een merrie of een ruin en soms een hengst,
die om zijn kuren werd gevreesd.
Zo’n paard, dat met een klap of stamp
een man vermorzelen kan, tilde zijn poot
gehoorzaam in de holte van zijn hand,
want hij behoedde hem voor struikelen op al zijn wegen.
Hij was niet groot of bovenmate sterk, de smid,
maar voor het paard meer god dan mens.

“Want nu zegt de zwakke: ik ben sterk; zegt de arme: ik ben rijk, om wat de Here heeft gedaan, voor ons.” Het is een liedregel uit Opwekking 331 (Breng dank aan de Eeuwige) die makkelijk blijft hangen. Toch is de inhoud allesbehalve eenvoudig. Het is de woordkeus van de paradox. Het kan logisch niet samengaan en toch benoem je dit als de waarheid: als ik zwak ben, ben ik sterk; als ik arm ben, ben ik rijk.
In het christelijk geloof is dat een adequate reactie op de gelukwens van Jezus. Gelukkig jullie die arm zijn, want voor jullie is het koninkrijk van God. (Lukas 6,20) In de liedregel is de toekomst vandaag aan de orde. Dat is geloofstaal die durft.
En die gelukwens van Jezus gaat terug op het patroon van Gods werk van alle tijden. Hij doet het paradoxale leven voor, in Jezus. Jezus Christus laat zich wegdrukken, negeren, bespotten, ja zelfs arresteren en kruisigen – terwijl Hij niemand minder is dan de Eigenaar van mens en wereld. Hij kwam tot wat van Hem is maar zij hebben Hem niet met alle respect ontvangen. (Johannes 1,11) Daar loopt elk verzet op stuk. De machthebbers krijgen Hem niet echt in de vingers. De dood kan Hem niet vasthouden. De duivel wordt van de troon gestoten (Hebreeën 2,14). En vijanden komen tot bekering. De man die de gemeente van Christus vervolgt wordt tot een gehoorzame ambassadeur van diezelfde Christus omgevormd. (Handelingen 9)
Wat is dat toch, die weerloze overmacht van de Heer?

Deze vraag krijgt een bewonderde variant in het gedicht van Koos Geerds. De sterke invalshoek is dat dit gedicht het begrip macht volledig omdraait. De ‘machtigste mens’ is niet de burgemeester, de dominee, de landeigenaar of de rijke boer, maar de hoefsmid. “Hem bracht een boer zijn paard om te beslaan…” Prachtig met dat ‘Hem’ voorop.
Waarom de hoefsmid? Niet omdat hij brute kracht bezit. Hij dient het paard. “Want hij behoedde hem voor struikelen…” Dat is de taal van Gods Woord: “De enige God, die de macht heeft u voor struikelen te behoeden…” (Judas 24) Zo praat je over de Almachtige. Dat zien we terug in die hoef en de hand. Het is loepzuiver geobserveerd. Want het gaat om paarden die om hun kuren angst aanjagen. Met een klap of stamp van zo’n paard is een man tegen de aarde geslagen. Dat sterke dier tilt zijn poot op en legt die in de holte van de hand van de hoefsmid. Gehoorzaam. Omdat hij hem vertrouwt. De smid beheerst het paard niet door angst, maar door dienst. Macht ontstaat hier uit zorg. En daarom is de smid inderdaad het beeld van de God van de Bijbel: Hij is ‘meer god dan mens’.

Ik las kort geleden weer Psalm 68. Een uitbundig lied over de overwinning van God. Hij ‘verplettert de hoofden van zijn vijanden, de harige schedels van wie met schuld beladen zijn’ (22) en intussen weet de rechtvaardige zich veilig bij deze ‘vader van wezen, beschermer van weduwen’ (6a). Die twee dingen hebben dus alles met elkaar te maken: wie God heeft leren kennen als de God die je voor struikelen kan behoeden, die mag weten dat de bruten die over lijken gaan, aan deze God een harde dobber hebben.


Naar aanleiding van: Koos Geerds, ‘De machtigste mens op aarde was de hoefsmid’ In: idem, Staphorst. (3e druk) Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1998, 37.

Waarom Joconde nog altijd prikt

In 1665 publiceerde Jean de La Fontaine een verhaal dat tegelijk geestig, elegant, schandalig en ontluisterend was. Joconde behoort tot zijn minder gelezen werk — overschaduwd door de beroemde fabels — maar het is misschien juist een van zijn modernste teksten. Niet omdat het verhaal moreel vooruitstrevend is. Integendeel. Het confronteert de lezer met een ongemakkelijke vraag: wat blijft er van liefde over wanneer trouw een illusie blijkt?

Voor hedendaagse lezers, mannen én vrouwen, is dat nog steeds herkenbaar terrein. Niet alleen vanwege overspel, maar vanwege de spanning tussen romantische verwachtingen en menselijke werkelijkheid. Dat maakt Joconde meer dan een pikant verhaal uit de zeventiende eeuw. Het is een scherpe ontleding van verlangen, jaloezie en de manier waarop mensen zichzelf troosten wanneer liefde tegenvalt.

Waar komt het verhaal vandaan?
La Fontaine vond het verhaal niet zelf uit. Hij baseerde zich op een episode uit Orlando Furioso van Ludovico Ariosto. Maar hij deed iets wat grote schrijvers vaker doen: hij gebruikte een bestaande vertelling als grondstof en maakte er iets nieuws van. Dat leidde onmiddellijk tot ruzie. Sommigen vonden dat hij Ariosto had verrijkt; anderen dat hij het origineel had verminkt. Die controverse zegt iets wezenlijks over La Fontaine. Hij was geen kopiist maar een stilist. Zijn kracht lag niet alleen in het verhaal zelf, maar in de toon: lichtvoetig, ironisch, speels, alsof hij voortdurend met een opgetrokken wenkbrauw naar de lezer kijkt.

Wat voor verhaal is het?
De beeldschone koning Astolfo hoort dat er ergens een nóg mooiere man leeft: Joconde, pasgetrouwd en woonachtig in Rome. Wanneer Joconde onderweg naar het hof even terugkeert naar huis omdat hij een vergeten armband wil ophalen, ontdekt hij zijn jonge vrouw in bed met een lakei. Zijn wereld stort in. Niet alleen zijn hart breekt — zijn schoonheid verdwijnt bijna letterlijk van zijn gezicht. Dat detail is veelzeggend. Bij La Fontaine is liefde nauw verbonden met ijdelheid. Joconde lijdt niet alleen omdat hij verraden is, maar ook omdat zijn zelfbeeld instort. Hij dacht bijzonder te zijn. Uitverkoren. Onaantastbaar.
Pas later vindt hij troost, en die troost is bitter. Hij ontdekt namelijk dat zelfs de koningin haar echtgenoot bedriegt — en niet eens met een aantrekkelijke rivaal, maar met een mismaakte dwerg. Op dat moment verschuift het perspectief. Het probleem is niet langer persoonlijk; het blijkt universeel. Daar klinkt ook de beroemde passage uit het verhaal:

“Het weze ons een zoete troost. Een zal het anders wezen.
Dan komt een nieuwe tijd, je kunt het in de sterren lezen
dat eens de fakkel van de liefde enkel nog het vuur
verwekt in ’t hart van kuise vrouwen, eerbaar van natuur.”

Waarom is het verhaal cynisch?
Het is een ironisch fragment. La Fontaine doet alsof hij verlangt naar een toekomst van volmaakte trouw, maar de ondertoon zegt precies het tegenovergestelde: verwacht het vooral niet. Vanaf dat moment verandert Joconde in iets onverwachts. Het verdriet van de twee mannen slaat om in cynisch avontuur. Astolfo en Joconde trekken incognito rond, verleiden vrouwen en houden een register bij van hun veroveringen. Het “boek vol namen” is tegelijk komisch en triest. Het lijkt vrijheid, maar eigenlijk is het compensatiegedrag. Hun gekwetste trots wordt verdoofd met aantallen.
Juist daar begint het verhaal modern aan te voelen. Want onder de speelse oppervlakte legt La Fontaine een mechanisme bloot dat nog altijd bestaat: mensen die teleurgesteld raken in liefde, reageren vaak niet met verdieping maar met afstand, ironie of consumptie. Alsof hechting zelf het probleem is.

Waarom is het verhaal dubbelzinnig?
Toch ondergraaft La Fontaine ook zijn eigen personages. Zelfs hun vermeende ideale oplossing — samen één vrouw delen — mislukt. Ook zij ontvangt stiekem een andere minnaar. De mannen merken niets. Hun poging om controle te krijgen over verlangen blijkt lachwekkend naïef.
Het slot van het verhaal is daarom dubbelzinnig. Astolfo en Joconde keren terug naar huis. Hun vrouwen ontvangen hen liefdevol. Iedereen hervindt zijn rust.
Maar dan volgt die venijnige laatste draai:

“Zo komt het dat voortaan de beide echtelieden
weer heel gelukkig en tevreden al hun dagen sleten,
en ook hun nachten, want die het soelaas te bieden
van een gelukkig paar dat zich bezadigd nedervlijt.
De koningin vervulde steeds haar plicht vol tederheid
en ook Jocondes vrouw begon haar man weer te verwennen.

Hetzelfde doen nog zoveel anderen die wij niet kennen.”

Welke moraal deelt het verhaal ons mee?
Dat laatste zinnetje verandert alles. La Fontaine suggereert dat de schijn van harmonie eenvoudig terugkeert zodra iedereen besluit bepaalde dingen niet meer al te serieus te nemen.
Daar ligt ook de kern van de morele provocatie van Joconde. Het verhaal zegt niet: mensen zouden ontrouw moeten zijn. Het zegt iets veel ongemakkelijkers: mensen zijn ontrouw, overal en altijd, dus bouw je leven niet op illusies. Daar wringt toch iets fundamenteels? Want de vrouwen in het verhaal krijgen nauwelijks een eigen innerlijk leven. Ze functioneren vooral als object van begeerte, verraad of wraak. Hun verlangens worden niet onderzocht; ze worden geconstateerd. Dat maakt het moeilijk om Joconde vandaag nog onbevangen te lezen.

Waarom blijft het verhaal interessant?
Tegelijk verklaart juist die ongemakkelijkheid waarom het verhaal interessant blijft. Het legt een wereldbeeld bloot waarin liefde uiteindelijk door natuurdrift wordt bestuurd. De vraag is dan: geloven wij dat eigenlijk nog? Humanistische denkers zouden daar stevig tegenin gaan. Vanuit humanistisch perspectief is het scoreboek van Astolfo en Joconde niet bevrijdend maar juist leeg: veel lichamen, weinig ontmoeting. Ook religieuze tradities botsen frontaal met La Fontaines fatalisme. In het christendom is trouw geen naïeve verwachting maar een verbond dat juist standhoudt wanneer verlangen fluctueert. Het boeddhisme zou dan weer zeggen dat bezit en begeerte zelf het probleem vormen — maar niet om cynisch te worden, eerder om lief te hebben zonder toe-eigening.
Daarmee raakt Joconde aan een vraag die veel dieper gaat dan overspel: kan een mens moreel groeien, of blijven wij uiteindelijk gevangenen van drift en ijdelheid? La Fontaine lijkt te antwoorden: accepteer de menselijke natuur en maak het jezelf niet te moeilijk.
Maar misschien ligt precies daar de reden waarom het verhaal blijft steken in het geheugen.
Omdat wij ergens hopen dat hij ongelijk heeft.


Naar aanleiding van: De verhalen van La Fontaine, vertaald door Jan van den Berg. Leuven:  Davidsfond/Clauwaert, 1996.

Opa van moeders kant

Opa van moeders kant, ik heb hem nooit gezien.
Hij werkte in de tuin, voor koeien van de baas
maar ik heb nooit begrepen wat hij dan deed.
Hij stookte warmteketels bovendien,
voor druivenkassen. Ik wist het niet.
Was hij daarop gekleed?

Op zaterdag nam hij zijn zoon mee
naar het dorp, de oudste.
Hij kocht tabak bij Rein, je weet wel, van Stavast.
Waar die precies zijn nering had, echt geen idee.
Maar één ding weet ik zeker:
van de mannenvereniging was opa lid,
hij leefde in de vreze Gods.
De God die ik aanbid.

De huisarts heeft gefaald.
Stelde verkeerde diagnose en Arie Simon stierf,
kort voor de bommen Rotterdam vernielden.
Moe heeft het wel gehaald, zei ma,
met hulp van God en die van Janus Rijk
die bollen bracht (zonder de bonnen)
en dan de kolen nog,
van Arie Vindingrijk.

Zij waren mens, voor de oorlog
en mens in de oorlog.
Zij streden onze strijd
en hebben het geloof behouden.
Zij vreesden God de HERE en ik vrees
– zei ik laatst tegen kinderen –
dat er weer oorlog komt,
wij weer mensen moeten zijn.

4 en 5 mei 2026

Arie Simon van den Enden 21 september 1901 – 2 februari 1939