Hiërarchische werkelijkheid?

Andreas Kinneging heeft een indrukwekkend boek geschreven. Het is een kloek boek met een heldere boodschap: de Europese mentale en culturele traditie moet in ere worden hersteld. De Verlichting is een gevaarlijke route naar zelfondergang ingeslagen en de Romantiek jaagt idealen na die onhaalbaar zijn en sociaal ontwrichtend. De Griekse Oudheid (Athene) en het katholieke Christendom van Augustinus (Jeruzalem), maar meer nog van Thomas van Aquino bieden de broodnodige waarheid, goedheid en schoonheid.

Het is duidelijk dat hier een conservatief aan het woord is, een roepende in de woestijn. Wie wil hem horen? Ik kreeg hem aanbevolen en ik moet zeggen dat ik aan het denken ben gezet. Ik voel mij gevormd door Verlichting en Romantiek en ik weet dat de premoderne wereld echt voorbij is. Als je dan een boek leest dat de vanzelfsprekendheden van vandaag zo ter discussie stelt dat je tot herbezinning komt, dan trek je de conclusie: de schrijver heeft z’n werk goed gedaan. Als christen-lezer ben je meer dan gewoon betrokken bij de thematiek, lijkt me. Je hebt toch geleerd dat een kritische blik op de gegeven situatie past bij de navolging van de Heer. Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Dus wie Hem als Meester heeft en zich voorbereid op die nieuwe wereld, moet de huidige steeds weer onder kritiek durven zetten.

Vrijheid en gelijkheid, dat zijn, begrijp ik van Kinneging, de grote thema’s van de Verlichting. “Het gaat eerst en vooral om de vrijheid van het individu. Maar een bepaalde vrijheid van het individu. Niet de vrijheid van de wil. De verlichtingsdenkers gaat er doorgaans vanuit dat de vrijheid van de wil niet bestaat. … De vrijheid waar het hen om gaat is de vrijheid van het individu te kunnen doen wat het maar wil, veelal handelingsvrijheid genoemd.” (54) Daarmee verwerp je in principe relaties van bevel en gehoorzaamheid. Je bent autonoom en dat geldt voor iedereen gelijk. Individuele vrijheid impliceert gelijkheid. Maar dat roept wel spanning op. “De vrijheid om te doen watje wilt geeft ook de vrijheid om ongelijk te behandelen – te discrimineren. Wil men in dat geval niettemin gelijkheid –  dan moet de vrijheid aan banden worden gelegd.” (55) “Het schadebeginsel is zodoende een fundamenteel ijkpunt in de contemporaine moraal.” (56)

Dit nu bedreigt het geluk van de mens en de samenleving. Want de vrijheid en de gelijkheid zijn in de wereld van welstand ontaard in het najagen naar geld en goed, het bevrediging van begeertes. Die zijn voor ieder verschillend maar in naam van vrijheid en gelijkheid zijn ook alle begeertes gelijkwaardig: ‘basketbal is evengoed als Beethoven.’ (21) Alles draait om consumeren, techniek en markt zijn de dominante levensaspecten. Maar onze wens is ten diepste zelfgericht en dus is de ander een mogelijke hindernis in zelfbepaling. “Heel diep in de menselijke natuur liggen twee impulsen verankerd: het vrij willen zijn zelf te bepalen en dus ook de opstandigheid tegen alles wat en iedereen die deze zelfbepaling beperkt.” (127) Het is vooral een wens voor je zelf. Ook de gelijkheid is asymmetrisch: “Wij willen gelijk zijn aan anderen als die hoger staan dan wij. Maar tegelijkertijd willen wij zelf wel hoger staan dan anderen.” (128)

Daar is de Romantiek nog bij gekomen: “Het gaat in dit leven om iets geheel anders: om authenticiteit. Dat wil zeggen: als mens te zijn wie en wat je bent en anderen en de wereld ook te laten zijn wat ze is. Dat is ware vrijheid en gelijkheid.” (23) Dit moet bewerkstelligd worden door bewustzijnsverandering: “De mens moet zich bewust worden van zijn vervreemding van de natuur om hem heen en zijn eigen natuur en zijn leven en de maatschappij veranderen.” (24) “Het hoogste gebod – voor elk mens gelijkelijk –  is, anders gezegd, de eigen authenticiteit of, zoals het ook wel genoemd wordt, individualiteit. Iedereen weet hoe invloedrijk dit ideaal tegenwoordig in het Westen is. Vrijwel ieder kind groeit er op met de gedachte dat zijn individualiteit het kostbaarste is wat hij heeft. … Het brengt de mens op een volstrekt verkeerd spoor, op zoek naar een niet bestaande entiteit: zijn unieke, eigenlijke, diepe ik. Het leidt onder andere tot eindeloze navelstaarderij, onophoudelijke innerlijke twijfel, besluiteloosheid en inertie. … Maar het meest van alles leidt het authenticiteitsideaal tot een grenzeloos egoïsme.” (29)

Tot zover een eerste indruk van de analyse. Nou ja, meer dan dat, de beoordeling is ook helder. En dat wordt nog duidelijker als Kinneging dit legt naast de spirituele bronnen van Europa. Verlichting en Romantiek drukken de mens als burger, gemeenschapswezen en als kind van God weg. En het springende punt is hiërarchie. “Voor de Europese Traditie is hiërarchie de grondwet van alles wat er is. De wereld als geheel, de kosmos, is hiërarchisch geordend: God aan de top, dan de mensen, vervolgens de dieren en de planten en ten slotte, onderaan in de hiërarchie, de anorganische materie. Ook de maatschappij dient, analoog daaraan, op een bepaalde manier hiërarchisch geordend te zijn. De besten moeten heersen, de overigens dienen gehoorzaam te volgen. De individuele mens, ten slotte, moet ook worden begrepen als een hiërarchie. De ziel staat hoger dan het lichaam en in de ziel dienst de rede de overige vermogens te leiden.” (61-62) Daarom speelt vrijheid in de moderne zin van het woord in de Traditie geen rol van betekenis (82), is het man-vrouwverschil is wezenlijk (200vv) en voldoen sommige exemplaren mens meer aan de natuur of de onzichtbare Maat dan anderen (289). Plato’s Maat staat centraal: “Wat moeten we ons precies voorstellen bij het Ene? Het ene is Maat, maatstaf, regelmaat (μέτρον). De achterliggende gedachte is evident dat inherent in de gehele werkelijkheid – in de omvattende zin van het woord, dus inclusief Ideeënrijk – een (regel)maat verscholen ligt. … Ideeën zijn dan ook maatgevend, of het nu om een wiskundig Idee als die van cirkel gaat, of om een Idee als paardheid, of een tafel, of wat dies meer zij.” (283)

Het christendom van Augustinus blijkt door en door Platoons, zegt Kinneging, en de grootste kerkelijke leraar is Thomas van Aquino: “Aquino’s grootheid ligt niet zozeer in het bedenken van iets nieuws, maar vooral in het analyseren van wat er in het verleden voor hem lag en dat met elkaar te verbinden en te ordenen, zodat het tot één consistent geheel wordt samengevoegd. Daarmee is Aquino de grootste systematicus van het orthodoxe Christendom geworden.” (490) Toen ik het boek uit had, wist ik dat Kinneging Christus ziet als de God die mensen leert om lief te hebben in antwoord op zijn liefde. “Christus is God. God die mens is geworden, uit pure liefde voor de mens, om de mens van de zonde weg en naar God te leiden.” (483) Wat leert Hij ons, ook aan het kruis? Wat ultieme liefde is en dat God ons met deze liefde liefheeft. Waardoor de mens wordt aangezet God in antwoord daarop op dezelfde manier lief te hebben.” (551) In de ethiek komen we dan bij de deugden uit (imitatio Christi), eerder dan bij de geboden (dat laatste hoort meer bij de Reformatie met haar grote nadruk op de zondigheid van de mens). Ten slotte is er bij Kinneging een is-gelijkteken te zetten tussen de Griekse kernwoorden en het Godsbegrip: “God is het Ware, Goede en Schone. Of andersom: het Ware, Goede en Schone, dat is God. Geloof in God is het vaste vertrouwen dat de kosmos, de aarde, de mens goed geschapen zijn. Zeer goed zelfs. Dat ze zijn ontsproten aan iets wat goed is en als schepping ervan ook bedoeld zijn als iets goeds. Kortom, dat het Goede, Ware en Schone oorsprong en doel van de wereld en dus ook van ons bestaan zijn.” (546)

We komen hier in de buurt van een filosofisch Godsbegrip waar ik theologisch en gelovig ver vandaan wil blijven. Wie bij God begint en dan een keer bij Christus uitkomt, heeft vanaf stap één de verkeerde koers gekozen. Hoezeer ik de Platoonse kernwoorden waardeer voor een wereldbeschouwing, als gereformeerd en orthodox gelovige kan ik me niet met deze Europese Traditie verbinden. Lastiger is dat ik wel geloof dat de werkelijkheid waarin de Heer zich openbaarde van Abraham af tot de laatste apostel inderdaad een hiërarchische wereld is. Als kind van de Verlichting kan ik dat maar matig plaatsen in mijn ervaring en visie op mijn realiteit. Als je dan ook nog een rol hebt die traditioneel met macht en gezag omgeven is – een predikant verkeerde in de kringen van de burgermeesters, notarissen en andere ambtelijke functionarissen – dan is de vraag dit: is de egalisering binnen de Westerse cultuur een legitiem vervolg op de krachten van het evangelie in de toenmalige cultuur? Of is zij een bastaardkind dat heengezonden moet worden?

Naar aanleiding van: Andreas Kinneging, De onzichtbare Maat: Archeologie van goed en kwaad. Amsterdam: Prometheus, 2020.

In de recensie van Arnold Heumakers vond ik een goede kritische noot: “Vreemd genoeg houdt Kinneging in het geheel geen rekening met de ‘Kantische Grenzlinie’ (zoals Hölderlin het noemde) tussen kritische en dogmatische filosofie, hij kiest zonder enige reserve voor de dogmatische filosofie. Inclusief het argument dat de Traditie een belangrijk deel van haar kracht ontleent aan de hiërarchische orde van de kosmos, die ook de maatschappij en de menselijke ziel behoort te regeren. Dat is ronduit bizar, temeer daar hij laat zien heel goed te weten waarom de Traditie (met in haar kielzog de dogmatische filosofie) van haar troon was gestoten. Dat kwam doordat de nieuwe natuurwetenschap van Copernicus, Galilei en Newton geen spaan heel liet van het traditionele beeld van de kosmos en de daarmee verbonden filosofie. Men moest dus wel opnieuw beginnen. Kinneging behandelt dit gegeven alsof het voor de waarheid van de Traditie amper consequenties heeft, terwijl het daarvoor desastreus uitpakte, iets waarvan Kant en de overige Verlichtingsfilosofen diep doordrongen waren – net als trouwens de romantici, die zich heus niet alléén om hun eigen Ik bekommerden. Zonder deze paradigmatische verandering van wereldbeeld was er waarschijnlijk nooit een Verlichting geweest en ook geen Romantiek.”