Ze staat te strálen, deze berk, de witte schors breekt dapper door de jeugdhuid heen en niemand die het haar verwijt dat zij haar frisse takken gretig naar de zon toesteekt, om licht te pakken, ademhalen wil ze, groeien tot haar volle vorm en ware maat. De jonge bosvrouw stáát, en boort in tomeloze stilte haar wortels ver de kale grond in, op zoek naar mineralen
achtergelaten mineralen, de bosbrand liet de trotse eiken koken, de forse beuken rookten, hitte vrat wat leven had, verkoolde hout en tor en kever, stof tot stof en as tot as
as spoelde onze aarde in met de eerste zware bui en het werd avond en weer ochtend, avond en weer morgen, wie weet wanneer het was, je zei: is dat nou mos? Of is het gras? Het duurde eigenlijk maar even – daar kwam die eerste berk tot leven, die nu na zeven jaar vasthoudend streven als jonge vrouw met takken vol in vorm, naar hartenlust haar schaduw aan komt bieden aan wat de aarde vrolijk voortbrengt: eiken, beuken, forse, trotse lieden.
Wat als de beste bemiddelaar juist degene is die tussen twee werelden in staat? De Netflix-film Mowgli (2018) geeft een opvallend antwoord op die vraag — en doet dat met verbluffende beeldtaal. De reusachtige python Kaa opent de film met een onheilspellende vaststelling: de komst van de mens heeft de jungle in chaos gestort. Tijger Sher Khan vermoordde mensen, waaronder een vrouw op de vlucht met haar kind — een schending van de oude wet van de jungle. Vanaf dat moment weet je: dit is geen vrolijk avonturenverhaal. Dit is een film over macht, uitsluiting en de vraag wie er eigenlijk mag bepalen waar je thuishoort.
Het jongetje Mowgli groeit op bij wolven, wordt geaccepteerd volgens de wetten van de roedel — mits hij de testen haalt — maar botst keer op keer op dezelfde muur. Hoe hard hij ook zijn best doet, de roedel heeft al besloten. Zijn aanwezigheid brengt gevaar. Hij moet falen en verdwijnen, om de jungle te beschermen. De albino wolf Bhoot, zelf ook buitenbeentje, krijgt van de radeloze Mowgli de volle laag: “You came out wrong!” Een wrede uitroep, maar ook een eerlijke. Je geboorte bepaalt of je erbij hoort. Bloedband blijkt sterker dan loyaliteit, harder dan inzet. Als Mowgli uiteindelijk in het mensendorp belandt, herhaalt het patroon zich. Hij leert de menselijke cultuur, past zich aan — maar ook daar sluimert het kwaad, in de gedaante van jager Lockwood, die trofeeën van jungledieren verzamelt met de koelbloedigheid van iemand die macht verwart met recht.
Wat de film slim doet, is laten zien dat Mowgli in geen van beide werelden volledig past — en dat dat precies zijn kracht is. Panter Bhageera, zijn oudere broer-figuur, begrijpt dit als geen ander. Zelf ook ooit gevangene in een kooi, leerde hij dat vertrouwen winnen meer vrijheid geeft dan worstelen. Als Mowgli in een kooi zit bij de mensen en denkt dat Bhageera hem komt bevrijden, krijgt hij in plaats daarvan advies: verdien hun vertrouwen. De vrijheid volgt vanzelf. Het kantelpunt komt als Mowgli de slagtand van een olifant als trofee ziet staan in de hut van de jager. Dát is het moment waarop hij beslist dat het zijn probleem wél is. Niet de wolven die hem om hulp komen vragen maken hem week — dat wijst hij eerst koel af. Maar onrecht tegen een wezen dat hij respecteert, dat raakt hem dieper dan groepslidmaatschap ooit kan. De film laat waarden oplichten die culturen overstijgen. Liefde—zoals moederwolf Nisha die Mowgli onvoorwaardelijk toezegt, ongeacht zijn prestaties. Respect—zoals het taboe op het doden van olifanten en het verwerpen van trofeejacht. Die waarden functioneren als kritiek op beide werelden. Ze zijn niet exclusief van wolf of mens; ze vragen om leiderschap dat ze bewaakt, juist waar systemen ze onder druk zetten.
Daar zit ook de religieuze onderstroom van Mowgli. Het idee van een bemiddelaar die beide werelden kent en de kloof van binnenuit overbrugt, is herkenbaar. Niet door afstand te houden, maar door zich te laten inlijven—met alle risico’s van dien. In christelijke termen: incarnatie als strategie voor verzoening. Het verschil is scherp: Mowgli vecht mét anderen en rekent af met twee vijanden; Christus staat alleen en draagt het conflict tot het uiterste. Maar de analogie werkt: echte vrede vraagt iemand die de grenzen oversteekt, de prijs betaalt en een nieuwe gemeenschap opent die niet op bloedband, maar op gedeelde geest en erkenning van gezag rust.
Tegelijk is de film nuchter genoeg om te laten zien hoe snel zo’n gemeenschap weer kan terugvallen in stammen. Zonder blijvend leiderschap en zonder innerlijke verandering—noem het “geest”—vervallen groepen weer in oude patronen. Dan wordt zelfs een ideaal van eenheid een optelsom van subculturen die elkaar verdragen zolang het goed gaat. Mowgli is daarmee meer dan een hervertelling van een bekend verhaal. Het is een scherpe studie naar identiteit, macht en verzoening. De boodschap is praktisch: wil je vrede tussen rivaliserende groepen, dan heb je iemand nodig die beide talen spreekt, beide logica’s begrijpt en bereid is om tegen beide in te gaan. En je moet bereid zijn om het kwaad te benoemen—ook als het uit je eigen kamp komt.
Mowgli (2018) is te zien op Netflix. Geregisseerd door Andy Serkis, met stemmen van Christian Bale, Cate Blanchett en Benedict Cumberbatch. En Rohan Chand als Mowgli. Klik hier voor het dossier over de film op IMDB.
In het Westen van de 21e eeuw is ‘gelukkig worden’ bijna een moreel recht geworden. We spreken erover alsof het het hoogste doel is: werk dat je vervult, relaties die je voeden, keuzes die bij je passen. Maar er zijn tradities die dat uitgangspunt radicaal bevragen. Eén daarvan is bushido – de oude erecode van de Japanse samoerai. Bushido, letterlijk ‘de weg van de krijger’, ontstond in het feodale Japan en werd gevormd door invloeden uit zenboeddhisme en confucianisme. Het is een ethiek waarin waarden als rechtvaardigheid, moed, barmhartigheid, beleefdheid, oprechtheid, eer en loyaliteit centraal staan. Maar het scherpste snijpunt ligt ergens anders: eer en plicht wegen zwaarder dan persoonlijk geluk. Dat klinkt voor moderne oren ongemakkelijk. Toch is precies dát het morele spanningsveld dat verrassend actueel blijkt.
De driedelige stripreeks Senseï van scenarist Jean-François Di Giorgio en tekenaar Vax (Vincent Cara) verbeeldt dat spanningsveld in het verhaal van prinses Yukio. Zij weigert zich neer te leggen bij haar rol als pion in de politieke orde van haar vader, de regent. In plaats daarvan kiest ze de weg van de samoerai – en daarmee voor bushido. Dat is geen romantische keuze. Het betekent discipline, verlies en uiteindelijk zelfopoffering. Wanneer Yukio voor het eerst verschijnt, verdedigt zij een jong verliefd stel tegen soldaten van de regent. Niet omdat het haar persoonlijk aangaat, maar omdat haar eer als ronin – een meesterloze samoerai – haar daartoe verplicht. “Het is in strijd met de leer van bushido om twee weerloze kinderen aan hun lot over te laten.” (deel 1, 11) Het is een moreel reflex: bescherming van de kwetsbare boven eigen belang. Maar het wordt ingewikkelder wanneer haar eigen verlangens op het spel staan.
In het tweede deel verdiept Yukio zich intensief in de leer van bushido. Ze kiest studie boven feest, discipline boven ontspanning. Toch wordt ze niet ongevoelig. De ontmoeting met Sumita, een jonge dichter, laat zien dat ook zij verlangt naar liefde en geluk. Die liefde blijkt gebouwd op een leugen. Sumita is niet wie hij zegt dat hij is. Wanneer de waarheid uitkomt, richt Yukio’s woede zich niet alleen op hem, maar vooral op de manipulaties van haar vader. In het derde deel escaleert het verhaal: Sumita wordt vermoord, en Yukio zoekt wraak. Daar verschijnt een klassiek motief: gekrenkte liefde als bron van geweld. Maar zelfs hier wordt haar pad niet bepaald door emotie alleen. De grotere vraag dringt zich op: wie ben je als je alles verliest wat je lief is?
Het scherpste conflict ontstaat wanneer Yukio ontdekt dat haar vader haar wil uithuwelijken aan een oude man, om politieke stabiliteit te waarborgen. Haar reactie is rauw en herkenbaar: “Heb ik lak aan! Wat met mijn geluk?” (deel 2, 47) Hier raakt het verhaal aan onze tijd. Want ook wij stellen die vraag, zij het in andere contexten: Waarom zou ik een baan blijven doen die mij niet gelukkig maakt? Waarom zou ik offers brengen voor een systeem dat mij beperkt? Waarom zou ik mij voegen naar een groter geheel? Yukio’s eerste impuls is vluchten. Ze droomt van een nieuw leven, ver weg, op een eiland waar ze eindelijk gelukkig kan zijn. Een begrijpelijke reflex – maar het verhaal laat zien dat je niet altijd kunt ontsnappen aan wie je bent en waar je voor staat.
In De wierookmeester (deel 2 van de parallelle serie Samoerai Origine) kruisen Yukio en de jonge Takeo elkaars pad. Wanneer een demonisch wezen het dorp bedreigt, vechten zij samen. De dreiging blijkt verbonden met een keten van wraak en geweld uit het verleden – een verleden waarin ook Yukio’s familie schuld draagt. De climax is onontkoombaar: Yukio sterft in de strijd om anderen te beschermen. Het is geen tragisch toeval, maar de logische uitkomst van haar keuzes. Zij leeft volgens bushido – en dat betekent dat haar eigen geluk niet de doorslag geeft. Haar leven krijgt betekenis in toewijding aan iets dat groter is dan zijzelf.
Het is verleidelijk om dit weg te zetten als een exotisch, historisch ideaal. Maar dat zou te gemakkelijk zijn. Want ook in onze samenleving bestaan situaties waarin persoonlijk geluk botst met het algemeen belang: zorgverleners die over hun grenzen gaan in crisistijd. Ouders die keuzes maken die hun eigen vrijheid beperken. Burgers die offers brengen voor klimaat, veiligheid of rechtvaardigheid. Leidinggevenden die impopulaire beslissingen nemen voor het grotere geheel. We formuleren het anders, zachter, individueler. Maar de kernvraag blijft dezelfde: ben je bereid iets van jezelf op te geven voor iets dat groter is dan jij? Bushido geeft daarop een radicaal antwoord: ja, zonder reserve. Dat antwoord hoeven wij niet één-op-één over te nemen. Een samenleving die alleen op zelfopoffering draait, wordt hard en onmenselijk. Maar het tegenovergestelde – een cultuur waarin persoonlijk geluk altijd voorrang heeft – is uiteindelijk net zo problematisch. Dan verdampt elke vorm van verantwoordelijkheid.
Het begrip sensei (waarom zetten de auteurs een trema op de i?) werpt daar nog een extra licht op. Letterlijk betekent het ‘iemand die eerder geboren is’ – niet biologisch, maar spiritueel. Iemand die het leven dieper begrijpt, en daarom als leraar leeft. Dat impliceert iets ongemakkelijks: inzicht blijkt niet uit woorden, maar uit levenshouding. Een echte ‘sensei’ kiest niet alleen wanneer het uitkomt voor het goede, maar belichaamt het – ook wanneer het pijn doet. Yukio wordt nooit formeel zo genoemd. Maar in haar laatste daad komt ze er misschien het dichtst bij.
Het verhaal van Yukio is geen pleidooi tegen geluk. Het is een correctie op een eenzijdig ideaal. Geluk is waardevol, maar niet absoluut. Er zijn momenten waarop andere waarden zwaarder wegen: recht, trouw, bescherming van de kwetsbare, verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. De vraag is niet óf dat zo is. De vraag is wanneer jij dat moment herkent – en wat je dan doet.
Naar aanleiding van: Jean-François Di Giorgio (scenario) & Vax (tekeningen), met inkleuring van Bertrand Denoulet, Senseï 1: De school van de eenzame wolven (2016) (L’ecole des loupes solitaires); Senseï 2: De witte draak (2017) (Dragon blanc); Senseï 3: Het rijk der zeven vaandels (2019) (L’empire des sept bannières); Jean-François Di Giorgio & Vax, Samoerai Origine 2: De wierookmeester (2020) (Le Maître des encens). Uitgegeven door Daedalus, Genk. Nederlandse vertaling: Christophe Deconinck (Senseï 1–3) en Studio K (De wierookmeester).
Gewichtloos bijna hangt het vrij vanuit het grote oog als was het geen materie en vangt het fijne puntjes licht als van de vijfde dag toen God zag dat het goed was.
Het is alsof de putter stokt, één tel ontzield, nu schakels ijzer naar zijn pootje grijpen.
Wij houden hem geweldig vast, dit topwerk Gods, dat Hij met alle liefde niet voor zichzelf hield.
De Belgische striptekenaar Hermann Huppen is op 22 maart 2026 in Brussel overleden. Hij werd 87 jaar. Hij laat een groot en invloedrijk oeuvre na, met reeksen als Jeremiah, Bernard Prince en Comanche. Zijn werk staat bekend om een somber mensbeeld en een uitzonderlijke visuele beheersing — scènes waarin stilte meer zegt dan tekst.
Tot op hoge leeftijd bleef hij publiceren. Volgens zijn zoon Yves voltooide hij, ondanks fysieke achteruitgang, nog een laatste album. Die vasthoudendheid past bij het perfectionisme dat zijn carrière typeerde. Ook in Nederland werd zijn overlijden opgepakt, onder meer door de NOS. Maar een necrologie over Hermann blijft onvolledig zonder de vraag waarom lezers zoals ik hem zo trouw blijven — ook wanneer het werk minder overtuigt.
Fan-zijn blijkt zelden alleen een kwestie van kwaliteit. Het wordt onderdeel van je identiteit. Wie zich jarenlang lezer van Hermann noemt, bouwt ongemerkt een relatie op met dat oeuvre. De boekenkast is dan geen verzameling meer, maar een afdruk van jezelf. Stoppen met kopen voelt bijna als afstand doen van een eerdere versie van wie je was. Dat verklaart ook waarom nieuwe delen blijven binnenkomen, zelfs als de twijfel groeit. De latere albums van Jeremiah missen soms de scherpte van vroeger: verhoudingen kloppen minder, kleuren worden zwaarder, het geheel donkerder. En toch — ze worden aangeschaft, gelezen, toegevoegd. Niet alleen uit gewoonte, maar uit een vorm van trouw. Aan de maker, maar ook aan de eigen leesgeschiedenis.
Die geschiedenis heeft duidelijke pieken. Voor velen liggen die bij het vroege werk: Bernard Prince, Comanche, maar ook latere hoogtepunten zoals De Torens van Schemerwoude. Dat zijn de albums die zich vastzetten. Alles wat daarna komt, wordt er — vaak onbewust — langs gelegd. Elk nieuw deel is een poging om dat oude niveau opnieuw te bereiken, of in elk geval te benaderen. Soms zit de aantrekkingskracht ook in iets ongemakkelijks: het wereldbeeld. Hermann tekende geen geruststellende universa. Zijn verhalen laten een harde, moreel ambigue werkelijkheid zien. Juist dat kan lezers binden. Niet ondanks, maar dankzij die somberte. Het bevestigt een bepaalde kijk op de wereld: complex, weerbarstig, zelden eenvoudig. Tegelijk geldt ook hier een grens — te veel donkerte kan verzadigen. Daarom is het relevant dat zijn oeuvre breder is dan alleen dat register. Er zijn lichtere uitgaven, schetsboeken, studies van dieren en figuren, experimenten. En er zijn albums waarin zijn kracht misschien wel het zuiverst zichtbaar wordt, zoals Caatinga. Daarin toont hij hoe beeld alleen — zonder veel tekst — een wereld kan dragen: hitte, ruimte, dreiging.
Uiteindelijk is dat de kern van zijn aantrekkingskracht: verbeeldingskracht. Hermann kon een scène laten ademen, een landschap laten spreken, een moment laten hangen. Hij trok de lezer een wereld in en hield hem daar vast. Dat is waarom sommige lezers blijven terugkeren. Niet uit nostalgie alleen, en ook niet uit louter bewondering, maar omdat dat vermogen — die combinatie van vakmanschap en verbeelding — zeldzaam is. En als je het eenmaal hebt leren herkennen, raak je het niet zomaar kwijt.
Hermann Huppen: 17 juli 1938 – 22 maart 2026 moge hij rusten in vrede.