Wie was Markus?

Het boekje over Jezus’ leven op aarde, dat wij naar Markus noemen, geeft nergens een aanwijzing dat Markus de schrijver is. Toch is er een lange en betrouwbare traditie die wijst naar Johannes Markus als de auteur van het tweede evangelie. Ik citeer Papias, bisschop te Hierapolis (via het boek van Eusebius). Hij schreef rond 140 na Christus:

 

“Johannes, de ouderling zei ook nog dit: Markus was de tolk van Petrus. Wat die zich herinnerde van wat de Heere gesproken of gedaan had, schreef Markus heel precies op, zij het niet in volgorde. Want Markus had onze Heere nooit gehoord; hij was hem ook niet nagevolgd. Maar zoals ik zei, Markus vergezelde later Petrus; die gaf onderwijs naar gelang het nodig was, maar maakte geen samenhangend overzicht van de dingen die door en over de Heere werden verteld. Markus heeft dus in geen enkel opzicht verkeerd gedaan, toen hij de dingen opschreef zoals hij zich herinnerde; want hij gaf zorgvuldige aandacht aan een zaak, n.l. om niets van wat hij hoorde over te slaan, of iets dat onjuist was in zijn verslag over te nemen.” (Eusebius, Kerkgeschiedenis III 39,15, vertaling Chr. Fahner)

 

Markus was met Petrus in Babylon en de verhouding tussen die twee was als die tussen vader en (geestelijke) zoon. (zie 1 Petrus 5,13) We weten van Markus dat hij christen van joodse achtergrond was. Zijn moeder Maria had een huis in Jeruzalem, waar de eerste christelijke gemeente samenkwam. (Handelingen 12,12) Markus is door Paulus en Barnabas meegenomen op de eerste zendingsreis: “Johannes was met hen meegegaan om hen te helpen.” (Handelingen 13,5) Barnabas was een neef van Markus (Kolossenzen 4,10) en mogelijk heeft hij hem aanbevolen bij Paulus.

 

Toch liep de samenwerking niet vlekkeloos. Er ontstond onenigheid in het zendingsteam en Markus keerde naar Jeruzalem terug. Paulus beschouwde dat als onverantwoord gedrag en dat leidde tot een splitsing in het team. (Handelingen 15,36-41) Toch is de band hersteld, al ontbreken de details daarover in het boek Handelingen. We komen Markus weer tegen als afgevaardigde van Paulus en Barnabas op een belangrijke missie in Klein Azië. (Filemon 24 en Colossenzen 4,10) Als Paulus later in Rome gevangen zit hoopt hij dat Johannes Markus naar hem kan komen. “Haal Marcus op en neem hem met je mee, want hij kan mij goede diensten bewijzen.” (2 Timoteus 4,11) Paulus verwacht steun van Markus en dat duidt op een hartelijke band tussen beiden.

 

In Handelingen 13,5 noemt Lukas Markus een ‘helper’ (Grieks: hupereten). Lucas’ uitdrukking was in Griekse teksten van de eerste en tweede eeuw de aanduiding van iemand die documenten overbracht van de een naar de ander of de inhoud ervan (vergelijk Lukas 4,20: Jezus gaf in de synagoge in Nazaret de boekrol aan de dienaar, hupereten). Lukas zelf heeft het in het begin van zijn evangelie over de ‘dienaren van het woord’ die het grote verhaal over Jezus hebben doorverteld in de wereld. Paulus noemt zich ook ‘dienaar’ in Handelingen 26,16 en 1 Korinte 4,1. Vandaar dat we het dienaar zijn van Markus in deze context kunnen begrijpen als het dienaar zijn van het woord. Zo komt hij dus in de buurt van de oog-  en oorgetuigen. Er is een nauwe verbinding tussen Markus en de Heer zelf op deze manier. Dat was al zo via de persoon van Petrus van wie hij de prediking beschrijft, maar het is nog breder dus: ook met Paulus en zijn medewerkers had hij intensief contact. Het moet een man zijn geweest die een invloedrijke positie had in de kerken in de eerste eeuw.

 

Uit zijn evangelie rijst het beeld op van een gedreven onderwijzer en prediker. Hij kent de verbanden met het Oude Testament en zo weet hij goed de achtergrond van de prediking te schetsen. (denk aan de verwijzing naar Jesaja 40 in hoofdstuk 1) Hij doorziet gelovig hoe belangrijk het is te weten dat achter de zichtbare werkelijkheid de geestelijke strijd zich voltrekt. (denk aan de geschiedenissen waarin de duivel en de demonen ter sprake komen, hoofdstuk 1,3,4,8 en11) Bovendien is hij een pastorale schrijver die de lezers in nood, christenen in Rome in de eerste plaats, weet te wijzen op de betekenis van uitspraken en gebeurtenissen (denk aan hoofdstuk 7,19) en het materiaal zo weet te kiezen dat het nuttig is voor hen. Hij wilde immers door dit verslag het volk van God ondersteunen in moeilijke tijden.