Wie is Jehu?

Als Elisa zijn leerling instrueert over de zalving van Jehu, dan zegt hij: ‘Neem dit kruikje met olie en ga zo snel mogelijk naar Ramot in Gilead. Daar aangekomen moet je Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi’. (2 Koningen 9,2) We kunnen dus aannemen dat een man genaamd Josafat (dat betekent: de HERE spreekt en handhaaft recht) zijn zoon Jehu noemde: de HERE is Hij. Er zijn meer mannen in de Bijbel met deze naam: een profeet, tientallen jaren eerder, de zoon van Chanani (1 Koningen 16,1-7); een man uit Anatot, ten tijde van koning David (1 Kronieken 12,3); een man uit de stam van Juda in de namenlijst van 1 Kronieken 2 (vers 38); en een man uit de stam Simeon, van wie de moeder Josiba heette. (1 Kronieken 4,35) De naam van de moeder van de man die tot koning wordt gezalfd weten we niet, alleen zijn vader en grootvader.

 

Nu valt het op dat hij soms ook ‘Jehu, de zoon van Nimsi’ wordt genoemd. Dat is allereerst het geval als de HEER Elia de opdracht geeft hem te zalven: ‘Jehu, de zoon van Nimsi, moet je zalven tot koning over Israël’. (1 Koningen 19,16) We kunnen hierbij ons afvragen of we misschien gewoon ‘een voorvader’ ontmoeten in Nimsi, als een destijds bekende familienaam. We weten het niet op grond van gebrek aan informatie. In elk geval is de aanduiding ‘zoon van’ niet direct en eenduidig uit te leggen als: de mannelijke nakomeling in de eerstvolgende generatie. Het kan ook kleinzoon betekenen. Of wellicht: behorend tot die familie. De naam Nimsi betekent overigens: Uitgetrokken.

 

Ook bij het woord ‘dochter’ speelt dit betekenisverhaal: in 2 Koningen 8,26 lezen we: ‘Hij (Achazja, dat wil zeggen: De HERE houdt vast) was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Zijn moeder was Atalja, de dochter van koning Omri van Israël’. Toch hebben we alle reden om aan te nemen dat hier de betekenis ‘kleindochter’ moet zijn. We lezen namelijk dat Joram (de HERE is verheven) van Juda trouwt met ‘een vrouw uit de familie van Achab’. (8,18) Dat moet die Atalja zijn. De vraag is waarom zij dan even later verbonden wordt aan Omri. De meest waarschijnlijke oplossing lijkt me dat hier Omri als stichter van de ‘dynastie’ wordt genoemd. Atalja behoorde tot de familie van de Omriden, met heel hun faam van afgoderij. Wat de naam Omri betekent kon ik niet achterhalen. Atalja betekent: de HERE is groot.

 

U merkt dat de naam van de HEER veel voorkomt in de geschiedenis uit die tijd. Of het nu Je-, Jo- of Ja- is, of de naam er nu mee begint of eindigt, het verwijst steeds naar Jahwe, de HEER.  En je hebt steeds de neiging om te kijken of het leven van de drager van die naam recht doet aan de naam. Als ouders je de naam geven dat de HEER rechtspreekt (Josafat), dan wordt het een spannende vraag of je je naam eer aandoet als je als koning over Juda wordt aangesteld. Als je naam betekent ‘de HERE is groot’ en je maakt naam door het uitmoorden van een hele koninklijke familie (Atalja, zie 2 Koningen 11,1-3), dan heb je wat uit te leggen voor God en mensen. Uiteraard kunnen ouders niet weten wat de toekomst brengt als een zoon of dochter geboren wordt. De naam van een kind is vaak een wens van de ouders. Als Josafat, de zoon van Nimsi, zijn zoon Jehu noemt, dan heeft hij wellicht tegenover de dienst aan de Baäl in zijn omgeving een belijdenis willen afleggen. Hij (God) is de HERE. En Jehu heeft met grote ijver zijn roeping serieus genomen. Maar ook bij hem komt een keer de vraag of zijn woorden en daden nog passen bij zijn naam. Ik zal daarover een volgende keer schrijven, als we de vraag stellen of wij als Bijbellezers in de 21e eeuw een man als Jehu kunnen beoordelen.

 

Nog één naam noem ik hier: Izebel. Etbaäl (met hem is Baäl) was haar vader en hij wordt in 1 Koningen 16,31 ‘koning van Sidon’ genoemd. Eigenlijk staat er ‘koning van de Sidoniërs’ (zie bijvoorbeeld Herziene Statenvertaling uit 2010). De Sidoniërs waren zijn onderdanen, maar hij resideerde niet in Sidon. Volgens Flavius Josefus was hij koning van Tyrus. Hij kon, net als zijn voorganger Hiram ten tijde van David en Salomo (zie 1 Koningen 5,15-21), ook beschikken over Sidoniërs. Ik kwam verschillende betekenissen tegen van de naam Izebel: kuis, ongerept (Bijbels Handboek, Keil), ‘het kustland is woonplaats’(Christelijke Encyclopedie, die bij deze betekenis wel vragen stelt). Een curieus stukje over haar naam las ik in de roman Izebel van Tyrus van Guus Kuijer (of het waar is, kon ik niet controleren). Izebel is zelf aan het woord: “Ik deed een feestjurk aan, maakte mijn ogen zwart en mijn lippen rood. Ik trok de koning tegemoet. Het volk stond langs de kant van de weg en zwaaide met palmtakken. Ze riepen mijn naam en verbasterden hem niet. Mijn naam, die in het Hebreeuws klonk naar ‘drek’ wanneer zij kwaadwillig als ‘zebel’ werd uitgesproken in plaats van ‘zebul’. Mijn naam, die een vraag is: ‘Waar is de heer (Baäl)?’ waarop het antwoord luidt: ‘Hij leeft!’. (88)

 

Naar aanleiding van: Guus Kuijer, Izebel van Tyrus. Amsterdam: Athanaeum-Polak en Van Gennip, 2011