Wakker blijven

Op 10 februari 2017 liepen M en ik de Rotterdamse Doelen in. We gingen voor het eerst naar een uitvoering van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach. Toen we de zaal weer uitliepen waren we diep onder de indruk. Jan-Willem Rozenboom had ons niet alleen een fraaie introductie gegeven van het muziekstuk, hij liet ook een betoverende uitvoering ervan horen. Tachtig minuten pianomuziek van grote klasse. We kochten de cd die hij twee jaar eerder had opgenomen. Het is voor ons de standaard geworden.

 

Het werkstuk van Bach gaat sinds 1802 gepaard met een mooi verhaal. In dat jaar publiceerde Johann Nikolaus Forkel een biografie over Bach waarin hij vertelt over de slaapproblemen van graaf Hermann Carl von Keyserlinck (1696-1764), de Russische gezant in Dresden. Ignace Bossuyt schrijft: “Hij verzocht Johann Sebastian Bach enkele aangename en tevens enigszins opgewekte klavierstukjes te componeren, waarmee zijn hofklavecinist Goldberg hem tijdens zijn slapeloze nachten kon opbeuren. Bach meende dat hij deze opdracht het best kon vervullen met variaties. De graaf noemde ze dan ook ‘mijn variaties’. Hij kon er niet genoeg van krijgen, zodat gedurende lange tijd, toen de slapeloze nachten hem overvielen, het bevel klonk: ‘Beste Goldberg, speel mij toch enkele van mijn variaties.’”  (11)

 

Ik luister vaak niet bewust naar het stuk en als ik Bossuyt moet geloven is daar wel wat mis mee. Gevoel en kennis maken samen de bewondering. In de inleiding op zijn boek over de aria en de dertig variaties stelt hij de vraag of het nodig om de structuur ervan te kennen bij het luisteren. Wil je de intenties van de componist recht doen, dan is het antwoord ja. “Weten en kennen gaan hand in hand met het (aan)voelen en ontroering.” (35)

 

Mede door Jan-Willem Rozenboom heb ik geleerd dat je de dertig variaties kan opdelen in twee keer vijftien. Ook kun je onderscheiden in tien groepen van drie variaties waarbij elke derde een canon is. Aan de dertig stukken gaat een aria vooraf, die ook aan het slot weer terugkeert. Bij het begin klinkt zij als een begroeting, aan het slot als een afscheid, suggereerde Rozenboom tijdens het concert. Bij Bossuyt lees ik: “De aria uit de Goldbergvariaties sluit aan bij het cantabiletype, met duidelijke kenmerken van de sarabande.” (22) en ik moet zeggen dat me dat dan al snel weer teveel jargon is. Cantabiletype? Sarabande? Ik heb geen zin dat soort dingen op te zoeken. Ook zonder die kennis kan ik goed genieten van de muziek.

 

De aria is een rustig stuk. Het kabbelt wat vergeleken met de drukke variaties. Of kabbelen, misschien is het meer statig en harmonisch. Ik voel me gedragen, geleid als bij een dans (tenminste dat denk ik, wat ik heb nooit leren dansen). Ik kan geen noten lezen, ik heb nooit een muziekinstrument leren bespelen en toch heb ik deze muziek leren waarderen. Ik weet niet of het verhaal over graaf Von Keyserlinck waar is maar als het waar is, denk ik dat je er niet zo snel bij in slaap valt (wat toch de bedoeling was). Omdat Jan-Willem Rozenboom in het voorjaar van 2017 een serie concerten gaf, kon ik nog een keer naar de uitvoering van de Goldbergvariaties. Ik vroeg mijn broers mee en we hoorden op 10 mei 2017 de uitvoering in Schiedam. Opnieuw maakte ik een diepe buiging voor zoveel moois.

 

Naar aanleiding van: Johann Sebastian Bach, Goldbergvariaties, ingeleid en uitgevoerd door Jan-Willem Rozenboom, 2015. Klik hier voor zijn persoonlijke website. Klik hier voor een fragment uit Podium Witteman over de cd van Jan Willem Rozenboom. Prachtig hoe zijn onderkaak de focus en inspanning laat zien.

 

Ignace Bossuyt, De Goldbergvariaties. Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2011:  “Zoals het voor het begrip – en de muzikale appreciatie –  van de cantates noodzakelijk is dat de luisteraar altijd het individuele verhaal kent – met als basisvoorwaarde, op zijn minst de beschikking over de tekst –,  zo is kennis van de structuur van de Goldbergvariaties een basisgegeven voor wat men de ‘inleving’ in dit werk kan noemen. Wanneer Bach zo veel aandacht besteedt aan de voornoemde bouwprincipes, betekent dat dat hij die beschouwt als essentieel. We kunnen er niet omheen dat de compositie als de Goldbergvariaties nu eenmaal een complexe intellectuele constructie is, die ook als dusdanig is bedoeld. Wie weigert dit te aanvaarden, reduceert de beluistering van deze muziek tot een louter fysische ervaring: verstand op nul en de muziek spoelt over ons heen. Dit is niet de intentie van Bach.” (32-33)