Twee talen in Oer

“In het licht van de tendensen die we in het voorafgaande in de evolutie van de mens hebben opgemerkt, mag worden verondersteld dat de odyssee die de mensheid tweeënhalf miljoen jaar geleden vanuit Afrika is begonnen, zich zal voortzetten en waarschijnlijk ook de aarde zal verlaten.” (188-189) Jos de Mul, filosoof aan de Erasmusuniversiteit van Rotterdam, schrijft dat aan het slot van Kunstmatig van nature, zijn grote essay voor de Maand van de Filosofie in 2014. Hij had zich ten doel gesteld na te gaan welke ontwikkeling we kunnen verwachten gezien de evolutie tot nu toe. ‘Onderweg naar Homo sapiens 3.0’ is de ondertitel van deze intelligente beschouwing die de actuele ontwikkelingen in de neurotica, genetica en robotica meeneemt.
Mogelijk gaan we de aarde verlaten, maar intussen voltrekt zich op dit ogenblik op onze planeet een revolutie in de verhouding tussen mens en techniek. Max Tegmark, hoogleraar natuurkunde aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT), schreef in 2017 een boek over Kunstmatige Intelligentie (KI) en de toekomst ervan: Life 3.0: Mens zijn in het tijdperk van kunstmatige intelligentie. Hij schetst verschillende scenario’s en gezien de uitgangspunten die hij hanteert, lijkt het mij bepaald geen onzin. De analyse start bij het gegeven dat het leven in de evolutie begon met vormen van reduplicatie en doelgerichtheid. Hij gaat ervan uit dat intelligentie in feite los kan komen van een dierlijk of menselijk lichaam. “Intelligentie is niet exclusief gebonden aan vlees, bloed en koolstofatomen.” (99).

 

In deze actualiteit verscheen recent het boek Oer over het grote verhaal van nul tot nu. Wie het boek uit heeft, heeft glashelder begrepen dat het een christelijk verhaal is. Zodra de homo sapiens op het toneel verschijnt krijgt het verhaal de wending naar de Bijbelse vertelling (52v): Womuntu en Maisha zijn de Afrikaanse ‘Adam en Eva’ en uiteindelijk komen we bij Jezus en de christenen van nu uit. De Schepper zocht contact met de homo sapiens. In de loop van de evolutie heeft Hij dat voorbereid, planmatig en in tijdperken. Het had een ander plan kunnen worden, maar Hij heeft deze weg van geweld, mislukkingen, en dood gekozen. De Schepper heeft bepaalde vormen van zorg gecreëerd (Jupiter beschermt de aarde) en grote rampen laten gebeuren (meteoriet in Mexico) om iets mooiers te laten ontstaan dan er al was: het contact met de homo sapiens om hem te vertellen wat de bedoeling is en samen liefde te weerspiegelen. Er is ook een duistere tegenstander aan het werk en het gevolg van menselijke ongehoorzaamheid en die kwade invloed is dat de harmonieuze liefde niet ontstaat. In tegenstelling tot het proces van overleven van de best aangepasten is de Schepper overgegaan naar een wet van liefde en aandacht voor de zwakken. De homo sapiens was van de levende wezens het meest ingericht op de communicatie met God. Daarom heeft God hem aangesproken. De Schepper begrijpt dat de mens niet kan doen wat Hij vraagt en Hij rekent geen schuld toe aan degenen die de wet nog niet kenden. Ook al negeren de mensen zijn aanwijzingen, Hij blijft hen beschermen en de redder beloven. Hij wordt zelf een ‘hoopje atomen, sterrenstof’ om te doen wat mensen niet voor elkaar kregen. Nu hoeven de mensen niets meer te doen om bij God hun vader in de gunst te komen. De Schepper wil nu alle mensen bereiken met deze boodschap van liefde. Hij dwingt niemand en laat zo ook het kwaad bestaan. Hij belooft wel een tijd waarop het kwaad niet meer zal voorkomen. Zo heeft God het bedoeld. Het geloof in Hem is uiteindelijk niet rationeel te rechtvaardigen: het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent. Wij leven nu in de laatste van zeven evolutionaire fases, de grote finale. Even geduld nog.

 

De auteurs hebben een orthodox-protestante Nederlandse achtergrond. Het plan voor het boek werd geboren in de ontmoeting van de natuurwetenschapper Cees Dekker en de systematisch theoloog Gijsbert van den Brink. “Veel mensen willen die wetenschappelijke gegevens best aannemen, maar ze vinden het begrijpelijkerwijs moeilijk om ze in verband te brengen met hoe de Bijbel Gods geschiedenis met deze wereld beschrijft,” vertelt Van den Brink in het nawoord. “Dat bracht Cees en mij op de gedachte dat het mooi zou zijn om een soort ‘groot verhaal’ te schetsen, zeg maar The grand story of life, de grote lijn in de geschiedenis van Gods eerste scheppingsdaden tot de wereld van nu, waarin de belangrijkste inzichten uit de hedendaagse wetenschap verwerkt waren.” (152) De auteurs bespeuren een behoefte aan grote verhalen in het algemeen, dus ‘alle reden’ om een dergelijk verhaal te schrijven. Dan heb je iemand die goed kan schrijven en dat is Corien Oranje. Gevierd als zij is vanwege haar kinder- en jeugdboeken was zij de favoriete keuze van de wetenschappers. Bovendien had zij met Cees Dekker in 2015 al een boek met hetzelfde thema gepubliceerd: Het dagboek van Topnerd Tycho.

 

“We schreven dit boek op de manier waarop talloze kinderbijbels in elkaar steken: als een hervertelling van het bijbelse verhaal op een beeldende manier, allerlei zaken aanvullend, maar natuurlijk ook passages weglatend. Oer vertelt zo het grote verhaal van God voor volwassenen.” (159) Over deze uitspraak heb ik zitten peinzen. Ik geloof namelijk niet dat het waar is. Het boek Oer is een combinatie van twee soorten verhalen, eigenlijk twee talen. Het verhaal van de evolutie is de taal van een denk- en studiekader voor talloze wetenschappelijke disciplines. De natuurwetenschap en de biologie gebruiken het voor de beschrijving en bestudering van de materie en het ontstaan van het leven. Maar zo is er ook een cultureel-antropologisch of een godsdiensthistorisch verhaal te vertellen dat met een ontwikkeling van miljoenen jaren rekening houdt en de ontwikkeling van de ene soort uit de andere tot uitgangspunt neemt.
De Bijbel is een ander verhaal. De bundel geschriften spreekt de taal van profeten en apostelen. Deze boeken worden door de christelijke kerk ontvangen als de heilige neerslag van de openbaring van de levende God. In een wereld vol afgoden, menselijke zonde en schuld, duivelse invloed en slavernij is het een bevrijdend woord voor Israël en de gelovigen uit de volken. Het is de verzameling van verhalen die openen met Genesis dat gesitueerd is in de wereld van oude nabije oosten in het tweede millennium voor de geboorte van Jezus Christus. Het eindigt met een verslag van de visioenen die de laatste levende ooggetuige van deze Jezus Christus en de boodschap daarvan is: houd vol, geliefde gelovigen, de jongste dag nadert en dan zal iedereen de Heer zien.

 

De evolutietaal over het verleden krijgt een vervolg in de verwachting en de plannen voor de toekomst, zie Jos de Mul en Max Tegmark. Wat ik in Oer zie gebeuren is dat de narratieve en profetisch-verkondigende taal van de Bijbel wordt ingepast in het evolutionistische schema. De methode begint met de deconstructie van het verhaal. De tekst van Genesis hebben de schrijvers ontdaan van ‘’allerlei elementen met een symbolische strekking.” (158) Wat we overhouden is een ‘theologische strekking’. Zo hebben we een methode toegepast waarbij Bijbelverhalen worden uiteengelegd in ‘kernpunten’ en daarmee knutselen zij een nieuw verhaal in elkaar dat compatibel lijkt met het evolutionaire verhaal. Zo ontstaat er een ‘grand narrative’ vanuit de drijfveren van voortplanting en doelgerichtheid dat ineens een knik maakt naar de liefde. (88-89, zie ook 108) Hoe dat zo? Als het past bij de Schepper om via een mix van dood, conflict en geweld aan de ene kant, en bijzondere combinaties en bewonderenswaardige vernieuwingen een leefbare aarde te maken met de homo sapiens, waar komt dan die liefde voor de zwakken uit voort? En waarom zou God dan nu de evolutionaire ontwikkeling ineens gaan afronden? Met de kennis van nu zien we een homo sapiens die altijd al met techniek de werkelijkheid naar zijn hand heeft gezet zet (kunstmatig van nature, zoals Jos de Mul zegt) en op weg naar de situatie waarin kunstmatige intelligentie het leven op aarde steeds meer gaat beheersen. Er doemt een toekomst op van transhumanisme en posthumanisme die levensvormen zal voortbrengen die verder uitzwermen in de kosmos.

 

Het is duidelijk waarom de schrijvers van de ene taal overschakelen naar de andere: uiteindelijk kiezen de auteurs voor taal van het geloof. “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent.” Dat citaat van Pascal moet in het voorlaatste hoofdstuk duidelijk maken dat het evolutieverhaal ondergeschikt wordt gemaakt aan het geloofsverhaal. Dat lijkt me voor geen buitenstaander overtuigend en voor mij als christen is het de reden om te twijfelen aan dit combinatie-project. Ik heb het niet nodig om te snappen dat je als christen prima in de wetenschap kan werken en het evolutiemodel kan hanteren. Ik geloof ook niet dat de Bijbel mij dwingt of suggereert om creationist te worden. De auteurs van Genesis en andere Bijbelboeken gebruiken vrijmoedig de mythen van de toenmalige religieuze omgeving om het eigene van JHWH hun God te proclameren. Als wij de talen naast elkaar laten bestaan, zal in elk geval de Bijbel en het christelijk geloof niet steeds het been hoeven bij te trekken als de wetenschap haar verhaal weer aanpast. We kunnen bovendien de kerkelijke traditie blijven respecteren en vernieuwen, met de canon van heilige boeken die de christelijke kerk sinds haar vroege jaren heeft bewaard. Alleen zo blijft de verkondiging op basis van de heilige geschriften haar kritische functie zo sterk mogelijk bewaren.

 

Naar aanleiding van: Corien Oranje, Cees Dekker, Gijsbert van den Brink, Oer: Het grote verhaal van nul tot nu. Heerenveen: Ark Media, 2020.

 

Jos de Mul, Kunstmatig van nature: Onderweg naar Homo sapiens 3.0. Stichting Maand van de Filosofie, 2014.

 

Naar aanleiding van: Max Tegmark, Life 3.0: Mens zijn in het tijdperk van kunstmatige intelligentie.3 (Vertaald uit het Engels door Wilma Paalman en Frits van der Waa. Oorspronkelijke titel: Life 3.0. Being human in the Age of Artificial Intelligence). Amsterdam: Maven Publishing, 2018.