Stil naast mij

Judith Herzberg schreef het volgende gedicht over een ziekenbezoek:

 

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

 

Herzberg geeft een korte dialoog weer. Na de stilte en over de stilte. Aanleiding is de ziekte. Vader en zoon, of vader en dochter. Je kind is opgenomen in het ziekenhuis. Ernstig. Als je de lijdende mens liefhebt en opzoekt, wat heb je te zeggen? Soms is het goed om zonder woorden een stoel te pakken. Zoals de vrienden van Job doen. Zij vullen de stilte niet op. Zij wachten. Het eerste woord moet komen van de mens in nood. “Om wat hij op z’n hart heeft, gaat het. De trooster komt niet om zijn eigen verlegenheid, zelfs niet zijn eigen geschoktheid er onder te krijgen, maar om erbij te zijn in het verdriet van een ander. En daarom moet dat verdriet van de ander altijd het eerste woord hebben.” (A. van de Beek, 20).

 

Saare Haile schreef een vergelijkbaar gedicht, zonder titel.

 

Je zat naast me tegen de stam,
legde je jas over mijn voeten
en zweeg een heel uur lang.
Niemand had me ooit zijn jas geleend
of zo mooi tegen me gesproken.

 

Haile vertelt ook vanuit het perspectief van de eerste persoon. Een tweede zit naast haar. Zij zitten tegen de stam van een boom. Hij (of zij) maakt een gebaar. Hij neemt zijn eigen jas en bedekt de voeten van de ander. Wat is er mis? Schijnt de zon onbarmhartig? Dekt de jas misvorming af? Is het koud? Het is niet altijd leed dat je naast elkaar doet zitten. Vriendschap, medelijden of liefde brengt je ook bij elkaar. Wat je hebt, kom je delen. Woorden zijn niet het eerste. Je doet iets. Iemand kan een jas gebruiken.

 

Het kan zijn dat je zoiets zegt als je met elkaar herinneringen ophaalt. Weet je nog? Je zat naast me tegen de stam. Of je praat op een goede dag in jezelf. De ander is uit je leven verdwenen. De ander is misschien op reis. Maar de ander is deel geworden van jouw leven. Want niet eerder had iemand een jas uitgeleend aan je. Deze herinnering vervaagt niet. Je ziet het weer voor je: je zat naast me tegen de stam en je legde je jas over mijn voeten. En je zweeg.

 

Het was weldadig. Geen stilte voor de storm, maar stilte van het samenzijn. Het ultieme respect geuit en ervaren: mens, je bent de moeite waard, ik houd van je en dus houd ik mijn mond. Ik wacht tot je begint te spreken. Op jouw tijd. Wat een mooie taal kan de stilte zijn.

 

Naar aanleiding van: Saare Haile, ‘Zonder titel’, In: Stilte: 133 Werelddichters (Het Museum van de Poëzie). Amersfoort: Bekking & Blitz, 2015; in samenwerking met Amnesty International, samenstelling Daan Bronkhorst en Nick Verouden. Saare Haile is een dichteres uit Eritrea. Dit gedicht stond in haar bundel The Samana Songs. Baobab, 1992, vertaling Flip Tibi.

 

Judith Herzberg, Doen en Laten: Een keuze uit de gedichten. (Rainbow Pocket). Amsterdam: Muntinga, 1994. Het gedicht ‘Ziekenbezoek’ staat op bladzijde 57.

 

Dr. A. van de Beek, Rechtvaardiger dan God: Gedachten bij het boek Job. Nijkerk: Callenbach, 1992.