Royaal vrijgevig

“Zoals een regenwolk donderend en bulderend regen geeft, en hoogten en laagland vult, ze overstroomt met water – net zo’n persoon is hier. Na eerlijk rijkdom vergaard te hebben, die met hard werken verkregen is, verkwikt hij met voedsel en drank aangekomen zwervers op juiste wijze.” (Itivuttaka, 75 Droogte)

 

De Boeddha leefde van de geef. Hij koos dat leven. Na een opvoeding in welvaart sloot hij zich aan bij rondtrekkende bedelmonniken. Hans Wolfgang Schumann schetst in de biografie van de Verhevene de spirituele achtergrond van dergelijke lieden: “Men moet zich voorstellen: in de agrarische samenleving van Noord-India, die een offerpolytheïsme aanhing, was rond 600 v. Chr. een stroming opgekomen, die een uitweg zocht uit het enge keurslijf van de ritualistische religie en de sociale groep. Een golf van vrijheidsstreven en streven naar kennis, een drang naar spirituele mondigheid had zich van de mens meester gemaakt en duizenden mannen van alle kasten ertoe aangezet om hun broodwinning op te geven, vrouwen en kinderen aan de zorgen van de familie toe te vertrouwen en de bamboehut, het dorp of de stad te verlaten om in de hoop op verlossend inzicht een rondtrekkend bestaan als celibatair leven monnik te gaan leiden.” (57)

 

De mensen in de dorpen, steden en paleizen moeten dit wel mogelijk maken. Zo ontstond er een uitwisseling van diensten. De gewone man bood gastvrijheid, onderdak en voedsel. De asceet gaf spirituele wijsheid door uit de heilige geschriften en de ervaring. De Nederlander Maarten Olthof liep in 2003 een pelgrimstocht in de voetsporen van de Boeddha door Nepal en India. In zijn verslag vertelt hij hoe hij bij een apotheker-familie te eten wordt genodigd. Hij wordt royaal voorzien en hij vraagt aan Rani – een van de kinderen die genoeg Engels spreekt – zijn erkentelijkheid aan de ouders over te brengen: “Dan ontstaat er een levendige discussie in het Bihari. Uiteindelijk ontsteekt de apotheker in een goedmoedig hoongelach. Niet begrijpend wacht ik af, totdat mijn vragende blik wordt beantwoord. Rani vertaalt: ‘Weet u, sir, niet ú moet dankbaar zijn, wij moeten dankbaar zijn! … Het bezoek van een pelgrim betekent voor ons bezoek van God!’” (183)

 

De vijfde stap in het boeddhistische pad naar opheffing van lijden is de juiste wijze van levensonderhoud. Dat betekent dat je een onschadelijk beroep uitoefent. Armoede beschouwde de Boeddha als een oorzaak van diefstal, gewelddaden en moord. Vakbekwaamheid, bescherming van eigendommen, goed gezelschap en het aanpassen van uitgaven aan inkomsten zijn voor de gewone man middelen om tot goede welvaart te komen, schrijft Schumann in zijn studie over stichter, scholen en systemen. (119) Ben je welvarend, dan is het karmisch erg heilzaam om vrijgevig te zijn. Er zijn drie soorten mensen, zegt de Boeddha: de droogte, de lokale regen en de persoon die overal regent. “En hoe monniken, is de persoon die overal regent? In dit geval geeft iemand aan alle asceten, brahmanen, armen, landlopers, zwervers en bedelaars voedsel, drank, kleding, wagens, kransen, geuren, zalven, bedden, onderkomens en middelen om licht te maken. Zo is de persoon die overal regent.” (Itivuttaka, 75 Droogte)

 

De brede collectie mogelijke begunstigden valt me op. Ook de minder aantrekkelijken hebben recht op de weldaad van de vrijgevigheid. Waar ik met het karmisch effect niet zoveel heb, komt het persoonlijke wel weer krachtig binnen. Elk mens doet ertoe. Christus verschijnt in de gedaante van de hulpvrager aan je deur. “Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op.” (Matteüs 25,35) Zo heb ik lange tijd een briefje bij mijn telefoon gelegd. Daarop stond: Benedicamus domino! Laten wij de Heer zegenen. Voordat ik opnam wilde ik me realiseren dat ik de ander vriendelijk te woord moet staan. Misschien komt de Heer via de ander mij testen. Ik heb het uit de Regel van Benedictus overgenomen. Regel 53 opent zo: “Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: “Ik kwam als gast en gij hebt mij opgenomen.”

 

Daar begint vrijgevigheid mee. Maar de vraag is wat er vervolgens in mijn leven van te zien is. Ik kom niet verder dan ‘lokale regen’, denk ik. Ik geef aan sommige armen. Bepaalde bedelaars sla ik bewust over. Ik heb brood gegeven, dekens, tijdelijk onderdak, geldbedragen, soms onverstandig veel, maar ik zei en zeg ook vaak nee. Er zit nogal wat ratio achter en weerstand. Wat zou ik nodig hebben om die bulderende regen te worden? Een man als uit Psalm 112 (“ Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig, wie zijn zaken eerlijk behandelt.”) zie ik alleen maar ontstaan als je onbegrensd vertrouwen hebt dat jij volkomen afhankelijk van God kan leven. Zoveel geloof heb ik niet. Lokale regen dus voorlopig.

 

Naar aanleiding van: Khudakka-Nikāya II. De verzameling korte teksten: Khudakka-Pāṭha, Udāna, Itivuttaka & Cariyāpiṭaka. Vertaald uit het Pali, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan de Breet, Rob Jansen & Anco van der Vorm. Rotterdam: Asoka, 2007. Jan de Breet is indoloog, Rob Jansen emeritus hoogleraar klinische psychologie en persoonlijkheidsleer en psychotherapeut. Hij studeerde Pali en Sanskriet. Anco van der Vorm is medisch bioloog en theoloog.

 

Hans Wolfgang Schumann, De historische Boeddha: Leven en leer van Gotama.2 Rotterdam: Asoka, 2009. Oorspronkelijke titel: Der historische Buddha. München: Eugen Diederichs Verlag, 1982. Vertaald door Jan de Breet.

 

Maarten Olthof, Lopen in het voetspoor van de Boeddha: Een oosterse ‘Santiago de Compstella’ herleeft. (Met een voorwoord door Nico Tydeman). Kampen: Ten Have, 2010

 

Hans Wolfgang Schumann, Boeddhisme: Stichter, Scholen en Systemen. Rotterdam: Asoka 1996. Oorspronkelijke titel: Buddhismus: Stifter, Schulen und Systeme. Olten: Walter Verlag, 1976. Vertaald door Jan de Breet.

 

De Regel van Sint Benedictus, vertaald en ingeleid door F. Vromen osb.5 Slangenburg: Uitgave St. Willibrordusabdij, 1989