Kun je bidden voor de doden?

Requiem is Latijn en betekent ‘rust’. Het is ook de aanduiding voor een eredienst in de Rooms-katholieke traditie ter gelegenheid van een overlijden, genoemd naar het eerste woord van het eerste lied: Requiem Aeterna. Eeuwige rust. Een dergelijke mis kent verschillende vaste onderdelen, waaronder het lied Lux Aeterna, eeuwig licht.

De tekst daarvan luidt:

 

Lux æterna luceat eis, Domine, cum sanctis tuis in æternum, quia pius es.
Requiem æternam dona eis, Domine; et lux perpetua luceat eis, quia pius es.

 

Laat het eeuwig licht hun verlichten Heer, met uw heiligen in eeuwigheid, want Gij zijt barmhartig.

Schenk hun eeuwigdurende rust, Heer, en laat het eeuwig licht hen verlichten, want Gij zijt barmhartig.

 

Het is de tekst van een gebed. De Heer wordt rechtstreeks aangesproken, met een dubbel verzoek, dat in twee woorden hetzelfde probeert te zeggen: of de Heer eeuwig licht wil schenken en eeuwige rust aan de doden. Zij zijn namelijk bedoeld met ‘hen’. Ook wordt een pleitgrond aangevoerd: de barmhartigheid van de Heer. Het is alles zeer herkenbaar voor elke gelovige die dagelijks zijn gebeden zegt: zo zitten smeekbeden in elkaar.

 

Toch ligt hier voor een gereformeerde gelovige een reserve. Hoe mooi we de verschillende requiems van Mozart, Fauré, of Rutter ook vinden, we maken het niet snel een gebedsgewoonte voor onszelf om te bidden voor de doden.

Ik zie die ruimte wel.

Om beginnen moet ik dan iets zeggen over het vagevuur. Want dat is toch het meest gehoorde bezwaar: is het bidden voor de doden niet gebaseerd op het geloof in het vagevuur, de periode na de dood waarin de overledene gelouterd wordt van kwalijke resten van zijn zondig bestaan? Door de gebeden van de nabestaanden en door de eucharistie kan die periode verkort worden. De Reformatie heeft met die gedachte gebroken op grond van de volkomen rechtvaardiging door het werk van onze Heer. Wie dat in zijn leven in geloof aanvaardt, is bij de dood van alle smetten vrij. Met andere woorden: de leer van het vagevuur is een aantasting van het volkomen werk van de Heer.

 

Op dit punt is het tijd om de beeldvorming van de Rooms-katholieke traditie bij te stellen. De in februari 2013 afgetreden paus Benedictus XVI (Joseph Ratzinger) heeft in een boek over dood en eeuwig leven zich duidelijk verzet tegen het isoleren van die periode van het leven na de dood tegen het leven hiervoor. Het vagevuur is geen ‘concentratiekamp in het hiernamaals’. “Veeleer is het een innerlijk veranderingsproces waarin de mens naar Christus, naar God toe moet groeien, en daarmee naar verbondenheid met heel de communio sanctorum” (gemeenschap der heiligen, 208). Goede werken nemen dus niet de plaats in van de genade. Genade is onoverwinnelijk sterk en wie ‘ja’ zegt in geloof, weet dat hij gered wordt. “Maar bij de meesten van ons ligt dat ‘ja’ onder veel hooi en stro en hout verborgen. De ontmoeting met de Heer is omvorming tot een zuivere gestalte “tot een innerlijke ruimte waarin eeuwige vreugde kan wonen” (209, met een verwijzing naar het spreken van Paulus over hooi en stro in 1 Korinte 3,10-15). Deze manier van denken is niet in strijd met de genadeleer aldus de paus: “Dat is alleen zo als we boete als strijdig met genade gaan zien, maar boete is juist de vorm waarin de genade zich aandient, als een groeimogelijkheid” (209). Degene die vergeving krijgt, is bereid tot verandering.

 

Maar veronderstelt bidden voor de overledenen niet dat het vagevuur een soort uiterlijke straf is, die door een soort geestelijke ruil door anderen kan worden verkleind of overgenomen? Kan iemand ‘binnendringen’ in de relatie Christus-gelovige? Dat is te individueel gedacht, zegt de paus. De mens is geen gesloten eenling, maar in liefde en haat op anderen betrokken en leeft als zodanig in hen. “Zijn eigen leven is in de anderen aanwezig als schuld of genade” (209). Wanneer anderen een mens zegenen of vervloeken, hem vergeven of in liefde zijn schuld omvormen, maakt dat deel uit van zijn eigen bestemming. Wie Christus ontmoet, ontmoet ook zijn lichaam, de kerk, en je bent daarmee verbonden in zegen en vergeving. De voorbede is het belangrijkste van het ‘oordeel’ van de heiligen. Deze samenhang vindt de paus belangrijker dan de idee van de boete. “Plaatsvervangende liefde is een centraal christelijk gegeven, en de leer van het vagevuur zegt dat de grenzen van de dood voor deze liefde niet gelden” (210).

 

De conclusie hieruit is dat het vagevuur nog steeds behoort tot de geloofsschat van de Rooms-katholieke traditie. Maar tegelijk liggen de accenten wel duidelijk anders dan voorheen. De nadruk wordt gelegd op de continuïteit van het leven hier en straks en op de eenheid van de gelovigen op aarde en de gelovigen in de hemel. Dat zijn twee accenten waar de nazaten van de Reformatie zich ook sterk voor maken. Als wij in Johannes 17,3 lezen dat het eeuwige leven is dat wij God de Vader als de enige ware God kennen en zijn Zoon Jezus Christus als zijn gezondene, dan vindt niemand het vreemd als in een gereformeerde preek gezegd wordt dat eeuwig leven nú begint en door de dood heen wordt voortgezet. Dat belijden wij ook in de catechismus, zondag 22, over het begin van de eeuwige vreugde die wij hier al proeven (antwoord 55). En antwoord 57 leert ons ook dat er continuïteit is in persoon tussen hier en straks. De gereformeerde leer belijdt op grond van passages uit de Bijbel dat de gestorven heiligen in afwachting zijn van het komende oordeel en de heerlijkheid daarna (Openbaring 6,11). We verwachten elkaar weer terug te zien bij de Heer, dat leert de apostel ons in zijn brief aan de kerk in Tessalonica (1 Tessalonicenzen 4,17). Al met al hoor ik in veel spreken van de paus op dit punt een Bijbels geluid. Kan daarvan iets mee komen in ons denken over het  gebed voor de doden?

 

Joseph Ratzinger Benedictus XVI, Over dood en eeuwig leven, Lannoo, Tielt, 2009.

 

 

 

 

Laat het waar zijn dat de Rooms-katholieke theologie zich ontwikkelt op het punt van het vagevuur,  zoveel is helder: de paus neemt er geen afscheid van. En dat deden de reformatoren wel, met de meest scherpe bewoordingen. Calvijn zou graag aan de ‘onbenulligheden’ voorbijgaan, maar omdat velen het ernstig nemen in zijn tijd, wijdt hij er toch enkele paragrafen aan in de Institutie (III, 5, 1-10). Het gaat volgens hem om dwaasheden en onkundig Bijbelgebruik. En verboden zaken, want God heeft verboden om “bij de doden te speuren naar waarheid” (III,5,6). Omdat de verzoening voor de zonden wordt gezocht buiten het bloed van Christus, namelijk door betaling door de overledenen zelf, kunnen we er niet over zwijgen. Het vagevuur is “een verderfelijk verzinsel van Satan”. Als het offer van Christus voldoende is, dan is de leer van het vagevuur een huiveringwekkende godslastering tegen Christus.

 

Hij bespreekt eerst een aantal Bijbelteksten, die volgens hem ten onrechte worden aangehaald om de leer van het vagevuur op te gronden. Bijvoorbeeld Filippenzen 2,10-11: “…opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.” Hier leert Paulus dat aan Christus een heerschappij verleend is waaraan alle schepselen zich moeten onderwerpen. “die onder de aarde zijn” dat zijn de duivelen, aldus Calvijn (III,5,8).

 

Maar is het niet een zeer oude lering van de kerk? Sommigen stellen dat. Volgens welk woord van God zou dat dan het geval zijn geweest, vraagt Calvijn zich af. Voorbeelden ontbreken, van teksten of van getuigenissen der heiligen. Wel is er bewijs van rouw en eerbewijzen bij begrafenissen, maar van gebeden leest men niets. Toch is het vroeger ontstaan en de vraag is dan, waarom? Volgens Calvijn heeft dat een al te menselijke reden (en dus niet ter navolging): het getuigenis afleggen van hun liefde jegens de doden. “namelijk deze [reden], dat ze troost zochten, om daarmee hun smart te verlichten en dat het hun onmenselijk scheen voor God geen getuigenis af te leggen van hun liefde jegens de doden. Hoe ’s mensen aard tot deze aandoening geneigd is, ervaart een ieder. Er was ook een algemene gewoonte, die als een fakkel de brand stak in veler gemoederen” (III,5,10). Het is immers bekend bij de volkeren wereldwijd. Christenen wilden niet onderdoen voor de ‘onheiligen’ en vreesden hun verwijten. Daaruit ontstond het vagevuur en de voorbede. Maar de Schrift heeft een andere troost, Openbaring 14,3: “En de Geest beaamt: ‘Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen”. We moeten oppassen voor een verkeerde manier van bidden, zegt de reformator. God schrijft ons voor wat Hij wil dat wij bidden en God geeft geen vrijheid om te bidden voor de doden.

 

Calvijn signaleert dus dat mensen troost zoeken: getuigenis afleggen van hun liefde jegens de doden. Dat is vandaag niet anders en dat is voor mij een belangrijke reden om verder te denken dan Calvijn. Want Calvijn ziet bij het bidden voor de doden direct de gevaren van boete, goede werken en verdienstelijkheid langskomen. Maar je kunt je ook voorstellen dat het bidden voor de doden een ander accent krijgt: het onder woorden brengen van de band die je nog hebt en uit liefde vragen van Gods zorg voor de overledenen. Daarbij wordt het werk van Christus niet gerelativeerd, maar juist erkend.

 

Ondanks dit pastorale inzicht is Calvijn zeer uitgesproken over de praktijk van dat bidden: “Daar nu de ganse wet en het evangelie met geen lettergreep de vrijheid bieden om voor de doden te bidden, is het een ontheiliging van de aanroeping Gods, wanneer men meer beproeft dan Hij ons beveelt” (III, 5, 10).

Hier is Calvijn te streng. In de geloofsleer en de geloofspraktijk komen wij vaak tot gedachten, uitspraken en handelingen die niet letterlijk voorgeschreven zijn in de Bijbel. We hanteren met gemak een term als ‘drie-eenheid’ of ‘voorzienigheid’ in ons spreken over God, zonder dat deze woorden in de Bijbel voorkomen. Wij voelen ons niet belemmerd, omdat het past bij het geheel van Gods openbaring zoals wij die samen begrijpen. Wij benutten vele stijlen van muziek zonder dat de Bijbel die zelfs maar noemt. Sommige christenen vinden dat – in de lijn van Calvijns argument – te ver gaan, maar dat is een vorm van biblicisme die de vrijheid waarin de Heer ons stelt onnodig beperkt. Wij spreken van harte over mensenrechten in de wereld, zonder dat die met teksten uit wet en evangelie worden onderbouwd. Met andere woorden: je kunt voluit christelijk handelen, ook zonder dat het expliciet in de Bijbel wordt genoemd.

 

Wel blijft het goed om te overwegen wat Calvijn zegt: ontheiligen wij in onze manier van bidden de aanroeping Gods? Daarom sluiten we bij het denken over het bidden voor de doden eerst helemaal aan bij het typisch reformatorische accent: Jezus Christus heeft alles volbracht wat Hij als gezant van de Vader heeft te doen gekregen (Johannes 19,30) en ieder die op dat werk zijn vertrouwen stelt, ontvangt vergeving van de zonden en eeuwig leven (Handelingen 2,38; 5,31; 1 Johannes 1,9 en 2,12). Tegelijk erkennen we de kracht van het besef dat ieder mens gezuiverd moet worden door de Heer, om te kunnen leven in de komende heerlijkheid. Hij zal onze persoonlijke identiteit, uniek als wij zijn, geschikt maken voor het leven in de nieuwe mensheid, op de nieuwe aarde, waar God overal en altijd bij ons zal zijn. We krijgen een nieuwe naam (Openbaring 2,17). Het is een innerlijk veranderingsproces waarin wij helemaal naar Christus toegroeien en daarmee naar de gemeenschap van de heiligen, de enige gemeenschap die er dan is. En dan gaat mee wat je hier al hebt gevonden aan zuivere motieven. En dat is geen prestatie, maar volop genade, die je nu al kreeg, ondanks de zonde en je zondige aard. Op die manier erkennen wij de verbinding tussen de gelovigen hier op aarde en die in de hemel als een Bijbels motief. In het Bijbelboek Openbaring hoor ik van de gebeden van de heiligen die opstijgen tot Gods troon (8,4), en van de uitspraken van de gestorven heiligen in hun meeleven met de kerk op aarde (6,11). Er is voor ons een levend besef dat wij verbonden blijven met allen die ons voorgingen in de dood.

 

Combineer dat nu met die pastorale behoefte om troost te vinden, en je kunt je voorstellen dat je op bepaalde gelegenheden apart bidt voor de doden. Dat kan in je persoonlijke gebeden op bepaalde momenten die vol zijn van herinnering: de verjaardag, de trouwdag, de kerkelijke feestdagen, de dag van zijn of haar overlijden. Of als kerkgemeenschap op Allerzielen (2 november) of Eeuwigheidszondag (laatste zondag van het kerkelijk jaar), of bij de jaarwisseling. Dat je de namen noemt van allen die overleden zijn in de periode daarvoor.

 

Het komt er dus op aan wat je bidt. Laat ik een paar voorbeelden geven.

 

Een gebed van een zoon voor zijn overleden moeder die vroeg weduwe werd en door een moeilijk tweede huwelijk een cynische levenshouding ontwikkelde: “Heer, ik bid u voor mijn moeder, die bij U is. Wilt U haar rust geven na haar leven vol zorgen. Laat haar mogen wandelen met U zonder de pijn die haar op aarde is aangedaan. Genees haar van boosheid, wrok en cynisme en laat haar bloeien in de liefde.”

 

Een gebed van een vader voor zijn zoon die overleed aan een hartstilstand, 36 jaar: “Vader, zorg goed voor mijn zoon, die wij hier zo missen. Zijn bloei hier is plotseling beëindigd, laat dat bloeien doorgaan bij U en al de heiligen. Laat licht schijnen over zijn leven en zorg goed voor hem.”

 

Een gebed van de gemeente op Eeuwigheidszondag: “God die leven geeft en troont in eeuwig licht, laat Uw licht volop schijnen over allen die ons dit jaar ontvallen zijn. Geef rust aan allen die tot Uw Zoon kwamen, geef vrede voor allen die de onvrede, het onrecht en de onbarmhartigheid op deze aarde moesten ervaren. Zegen alle heiligen, die ons voorgingen en bewaar hen in Uw geduld tot de dag van de grote hereniging.”

 

Dit laatste voorbeeld is minder persoonlijk getint, omdat het in de publieke eredienst gebeden wordt en over meer dan één overledene gaat. Het komt wel dicht bij de klassieke requiemtekst Lux Aeterna.

 

Johannes Calvijn, Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst, uit het Latijn vertaald door dr. A. Sizoo. Delft: Meinema, z.j. [eerste druk 1931]

 

 

 

 

Dr. A. van de Beek wijdt in zijn boek over de eschatologie (God doet recht, 2008) een passage aan de vragen rond hel en loutering. Hij constateert dat de Reformatie de leer van het vagevuur resoluut heeft afgewezen. Het geeft de indruk dat het werk van Christus niet voldoende is. Van de Beek denkt daar het volgende van (cursief van mij; tekst- en bronverwijzing uit noten toegevoegd, MvA):

 

“De toon van Calvijns verzet mag gekleurd zijn door de context van de aflaathandel, niettemin blijft de zaak staan. Ze vraagt echter een genuanceerd oordeel. De idee van het vagevuur heeft te maken met het feit dat niet alle gelovigen zich op dezelfde manier gedragen. Als we de eschatologie zien in het perspectief van Gods gerechtigheid, dan zou het onrechtvaardig zijn als ze wel op dezelfde manier behandeld worden. Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen? (Genesis 18,25). Daarbij mogen wij echter geen moment uit het oog verliezen dat Christus alle gerechtigheid volbracht heeft. Hij heeft de zonde gedragen en heeft geboet met zijn dood. In de doop worden christenen in Hem ingedoopt in zijn dood. Ze verliezen hun eigen identiteit en leven in Hem. Met Hem zijn ze gestorven. Als God hen nu ook nog zou straffen in het vagevuur, dan is dat een ontkenning van wat Christus volbracht en zou dat juist onrecht zijn. Dat is het kernpunt dat de reformatoren aandragen. De grens ligt niet tussen mensen die veel of weinig goed hebben gedaan, maar tussen hen die in Christus zijn en die buiten Hem zijn.

 

Nu lijkt het psychologisch toch lastig dat iedereen die gelovige is hetzelfde lot zou treffen ongeacht het leven dat ze hebben geleid. Dat hangt echter af van de mate waarin we ons met Christus verbonden weten. Als er een gezin is waarvan een van de kinderen nooit meer bij de ouders komt, dan hebben de andere kinderen, als zij van hun ouders houden, daar verdriet van. Als ten slotte het verloren schaap terugkomt, zijn ze allemaal blij. In die zin spreekt Jezus in verschillende gelijkenissen, niet alleen in die van de verloren zoon (Lukas 15,11-32) en het verloren schaap (Lukas 15,1-7; Matteüs 18,11-14), maar ook bijvoorbeeld in die van de twee knechten met schuld (Matteüs 18,23-35) en de werkers in de wijngaard (Matteüs 20,1-15). Degenen die op de valreep nog mee doen, krijgen dezelfde beloning als zij die hun leven lang zich hebben ingezet voor de Heer. Waar de liefde van Christus komt, is alles totaal en is er geen onderscheid meer.

 

Aan de andere kant zijn er ook Schriftplaatsen waar toch onderscheid lijkt te worden aangegeven (zie bijvoorbeeld Lukas 12,47v). De gelijkenis van de rijke man en Lazarus lijkt eerder te gaan over de eeuwige scheiding en niet over een loutering. De tekst van Paulus over het vuur dat alles zal beproeven (1 Korinte 3,12v) is echter moeilijker te weerleggen. Calvijn zegt al dat dit de sterkste bewijsplaats is voor het vagevuur (Institutie III, 5, 9) en zijn weerlegging kan niet echt overtuigen. Bovendien is de gedachte van een voorlopig verblijf van de gelovigen reeds zeer vroeg in de kerkelijke traditie aanwezig en kennen zoals we zagen ook de vroegkerkelijke liturgieën voorbede voor de doden.

 

Als eerst de fundamentele betekenis van het eenmalige werk van Christus en redding in Hem duidelijk is gesteld, kan men misschien voorzichtig nuanceren, mits het niet gaat om het verdienen van de heerlijkheid, maar om een verschil in beoordeling. Zodra dat echter leidt tot rangen van christenen of nog erger tot het miskennen van het totale werk van Christus, dan moet onmiddellijk verwezen worden naar genoemde gelijkenissen.

 

Mogelijk kunnen de beide aspecten worden samengebracht in wat paus Benedictus schreef over ontwikkelingen in de hedendaagse theologie waarin gesteld wordt ‘dass das verbrennende und zugleich rettende Feuer Christus ist, der Richter und Retter. Dat Begegnen mit ihm ist der entscheidende Akt des Gerichts. Vor seinem Anblick schmiltzt alle Unwahrheit. Die Begegnung mit ihm ist es, die uns umbrennt und freibrennt zum Eingetlichen unserem Selbst’ (Spe Salvi, 2007). De paus nadert hier dicht de klassiek protestantse gedachten over Christus als rechter. Het gaat dan niet meer over een zelfstandig menselijk boeten in een tijd na de dood, maar om een confrontatie met hem die is gekruisigd om onze zonden. Dat komen we bij de fundamentele gedachte van de eschatologie dat Christus zelf de rechter is en dat Hij dat juist als de gekruisigde is. Dan valt ook 1 Korinte 3 : 18 op z’n plaats, aangezien Paulus in het voorafgaande hoofdstuk gesteld heeft niets te willen weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd (1 Korinte 2,2). Ook christenen, met hun verschillen in opvatting, moeten daarmee geconfronteerd worden en dat is het gesprek over het vagevuur niet zo relevant meer.”

 

Dr. A. van de Beek, God doet recht: Eschatologie als christologie. Zoetermeer: Meinema, 2008, 99-101.