Lonesome cowboy

I’m a poor lonesome cowboy and a long way from home.” Zo gaat Lucky Luke aan het slot van elk avontuur de ondergaande zon tegemoet. Fluitend op naar de volgende episode.

 

 

Zo is ook Joe Silent een lonesome cowboy. We treffen hem aan in de schaduw van een groot rotsmassief. In de laagvlakte snijdt de Shawneecreek door het landschap. Hij heeft zijn middagdut gedaan. Voor het eerst in maanden gaat hij op weg om in de bewoonde wereld terecht te komen. (5, 11) Silent is zijn bijnaam. Joe Shawn wordt de ‘geruisloze’ genoemd omdat hij heel stilletjes banken kan beroven. Dat is zijn werk geworden en daarom is hij in verschillende staten vogelvrij verklaard. Silent heeft het vooral om bankiers gemunt. Na de dood van zijn vader was er een bankier die hem met leugens geld probeerde af te troggelen. Toen hij weigerde mee te werken, werden zijn vrouw en dochtertje vermoord. Zo is Joe Shawn aan de verkeerde kant van de wet terecht gekomen, op zoek naar doortrapte bankiers en de moordenaars van zijn gezin.

 

Ik was op zoek naar Joe Shawn. Ik ken hem sinds mijn puberteit. Hij schoot snel en had zijn pistool in zijn broekband. Zijn paard kon geweldig lopen en lange tijd heb ik gedacht dat dat allemaal paste bij Conny Coll. Maar dat bleek onjuist. Coll was snel maar trok de revolvers gewoon uit de holsters. De prachtige zwarte hengst van Coll was niet wat ik me herinnerde over het lelijke paard van een andere held. Ik heb hem gevonden. Joe Silent lacht het laatst is het eerste deel in een lange serie over de grootste held uit het Wilde Westen.

 

Dit deel vertelt precies wat ik me vaag herinnerde. Waarom droeg hij zijn pistool in de broekband? “Dat had hij te danken aan een oude vogelvrije, een eenzame. “Jij zou veel sneller kunnen schieten jochie,” had de oude opgemerkt, nadat hij Joe van hoofd tot voeten had opgenomen. “Maar de plaats, waar jij je schietijzer hebt gehangen, deugt niet voor jou.” Joe had de oude kerel even verwonderd aangekeken en had toen gelachen. “Wou jij beweren, dat de plaats niet voor iedereen dezelfde kan zijn?” Dacht jij dat ik zulke onzin geloof?” De oude man had de schouders opgehaald. “Dat moet jij weten en dat is jouw zaak. Maar ik zeg je dat jij je revolver voor op je linkerheup moet dragen met de kolf naar voren. En dan moet je gaan oefenen, zo vaak als je kunt.” (18-19, zie ook 5)

 

Iconisch was ook het verhaal over het paard. Op een bevriende ranch doen ze nogal schamper over Sam, het paard van Joe. Maar in een wedstrijd wint Silent glorieus met Sam ook al rijden zij de eerste vijf ronden ver achter. Prachtige scene. (33-40) Het uiterlijk bedriegt. “Het dier was zeker geen schoonheid. Nee, oppervlakkig bezien, was het zelfs lelijk. Het hoofd was groot, de oren eveneens, het stond te hoog op de benen, het had een ietwat doorgezakte rug en de heupen waren schonkig. En dan de kleur. Dat was nog het moeilijkst van alles om die bij benadering zelfs maar te noemen. Het beste zou men nog kunnen zeggen, dat het dier een vaalgrijze tint had, maar meer ook niet.” (10, zie ook 83, 144)

 

Net als Conny Coll staat ook deze serie bol van de clichés van het Wilde Westen. Natuurlijk gaat het over land, en de komst van de trein, er is gebrek aan vrouwen in de mannenwereld, de goeden worden door de outcast tot actie aangezet, de slechten verliezen het. Het rechtssysteem is zwak ontwikkeld, de sheriff is een wankelend figuur en de held kan behalve schieten ook nog flink boksen. “Silent is geen man om binnen de wet te kunnen blijven,” zei hij dan met een raadselachtige glimlach op zijn verweerd gelaat. “Joe Silent zal altijd de wet in handen nemen, daar waar hij meent dat te moeten doen. En dan komt hij natuurlijk met diezelfde wet in conflict, want dat mag niet. Is het zo niet, sheriff?” (143-144, zie ook 22, 45, 102, 119)

 

Eerlijk gezegd, Ray Hunter verliest het als schrijver van Conrad Kobbe. Plot en enscenering, stijl en vaart komen bij Conny Coll allemaal hoger uit. Als dertienjarige leesgrage jongen had ik dat niet door. Ik verslond de verhalen. Wat ik ook niet door had was dat Joe niet ouder was dan 25 jaar. (10) Aan het slot van het verhaal zijn door deze jonge knul de grote daden verricht. Hij vertrekt: “Hij is weggegaan, zoals hij is gekomen,” zei Pat met een snik. Haar ogen waren vochtig. “Geruisloos…” (143)

 

Mooi toch?

 

Naar aanleiding van: Ray Hunter, Joe Silent lacht het laatst. Ridderkerk: Ridderhof 1973. Vertaald uit het Engels door F. v.d. Pas. De serie pockets van 21 delen verscheen onder titel: Joe Silent, de grootste held van het Wilde Westen. Prijs per deeltje F.2,75.

 

 

Aan de onderlip van Lucky Luke bungelt altijd een peuk. Zo ook bij Joe. Silent is een stugge roker. “Hij rekte zich ook niet uit, ofschoon hij zeker drie uur lang in dezelfde houding had gelegen, haal een pakje tabak en vloeitjes uit het grijze, versleten hemd en begon met trage bewegingen een sigaret te rollen.” (5, zie ook 60, 67, 92, 98, 108, 133, 135). Ook ik kan de charme ervan nog voor de geest halen, een shagje rollen, heerlijk. Maar ja, de tijden zijn veranderd. “In de reclame van Marlboro stond jarenlang de Marlboro Man centraal. Dit was een stoere cowboy, met dito hoed en paard, die stoer van zijn sigaret genoot. Voor deze rol werd in 1975 de acteur en rodeorijder Wayne McLaren gecontracteerd. McLaren overleed in 1992 op 51-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. In zijn laatste maanden voerde hij actief campagne tegen het roken. … In november 2019 overleed Bob Norris, de eerste Marlboro Man. Norris rookte zelf niet en waarschuwde zijn kinderen dat zij nooit mochten gaan roken, omdat het ongezond is. Toen zijn kinderen hem vroegen waarom hij dan sigarettenreclames maakte, stopte hij ermee.” (Wikipedia)

Liefde is genoeg

Het boek bestaat uit zes hoofdstukken: Ychtyologie, Rhoda, Een legende over goede mannen, Sukkwan Island, Ketchikan en Het hogere blauw. De eerste drie hoofdstukken zijn geschreven vanuit het perspectief van de eerste persoon: de jonge puber Roy Fenn. Dat geldt ook voor de laatste twee. Het hoofdstuk Sukkwan Island bestaat uit twee delen (47-144 en 145-219) en is het meest omvangrijk. Hier vertelt David het verhaal in de derde persoon. James Edwin (Jim) Fenn is de vader van de dertienjarige Roy. Hij neemt zijn zoon mee naar een eiland bij Alaska. Zij proberen te overleven in de wildernis en dat is geen pretje – ik druk me mild uit. De vader probeert in het reine te komen met alle issues uit zijn mislukte bestaan en belast daarmee zijn jonge zoon. Op een dag zit hij met een pistool aan zijn hoofd als Roy binnenkomt.

 

“Zijn vader zette de radio uit en stond op. Hij stond te kijken naar Roy in de deuropening en toen keek hij de kamer rond, alsof hem een kleinigheid dwarszat en hij zocht naar iets om te zeggen. Maar hij zei niets. Hij liep naar Roy toe en gaf hem het pistool, trok zijn jas en laarzen aan en liep naar buiten. Roy keek hem na tot hij tussen de bomen verdwenen was en keek toen naar het pistool in zijn hand. De haan was gespannen en hij kon de koperen patroonhuls erin zien zitten. Hij ontspande de haan terwijl hij het pistool van zich af richtte en spande hem toen weer, zette de loop tegen zijn hoofd en vuurde.” (143-144)

 

Deel 2 van het hoofdstuk Sukkwan beschrijft de radeloze weg die zijn vader bewandelt om weer in de bewoonde wereld te komen na dit drama. Je slaat, soms happend naar adem, bladzijde na bizarre bladzijde om en leest hoe hij het verlies toeschrijft aan de jongen zelf, de omstandigheden, andere mensen en zichzelf. Op de vlucht wordt hij ten slotte zelf in het water gegooid om te verdrinken:

 

“Zijn worsteling leek een eeuwigheid te duren en duurde misschien tien minuten, voor hij verdoofd en vermoeid raakte en water begon te slikken. Hij dacht aan Roy, die niet de kans had gehad om deze doodsangst te voelen, die onmiddellijk dood was geweest. Ongewild braakte hij water en slikte en ademde het weer in en het was als het einde, koud en hard en onnodig en hij wist dat Roy van hem gehouden had en dat dat genoeg had moeten zijn. Hij had alleen niets op tijd begrepen.” (219)

 

Het echte verhaal is dat David Vann nog drie jaar de zelfmoord van zijn vader vertelde dat die aan kanker was gestorven. In de roman vertelt Roy hoe het ging en hoe hij later de puinhoop van zijn vader probeert te traceren. Zo zoekt hij naar Gloria, de secretaresse met wie zijn de eerste keer vreemd ging. (221-241) Maar in het grote middendeel fantaseert de zoon wat er met zijn vader zou gebeuren als hij, de zoon, zichzelf plotseling van het leven  berooft. Het raakt aan waanzin en het loopt dus uit op de conclusie dat het gaat om liefde. En dat dat genoeg moet zijn. Het is een onthutsend verhaal over trouw van een puberzoon aan een ontsporende vader. Het is bekend dat kinderen tot in het onvoorstelbare trouw zijn aan hun falende ouders. Als de dood elke mogelijkheid tot correctie van beeldvorming wegneemt blijft alleen de verbeelding over. De herinnering is soms niet meer te harden. Wat een toegewijd verdriet: de dood van de zoon leidt ten slotte tot de verlichting van de vader. Te laat.

 

Maar dan volgen er toch nog twee hoofdstukken. Want Roy leeft en Jim niet. Je gaat als kind van een ouder die zelfmoord pleegt, op zoek. Roys moeder hoeft niet meer boos te zijn. Zij kan de oude-vouw-vol-herinneringen-en-verlangen spelen, zegt ze. Roy besluit dan met: “Ik kan ook vrij goed met de granieten plaat overweg. Ik breng bloemen en ga bij hem zitten, net als vroeger, alleen hoef ik nu geen spaghetti te maken. Ik luister hoe de golven zichzelf vermorzelen, duw een vingertje van het ijskruid tussen de mijne, staar in het hogere blauw, en soms, als ik tussen de hoogste luchtstromingen een vermoeden van een hoopvol, hardnekkig geklapwiek hoor, stel ik me bijna voor dat de vader eindelijk tot leven is gekomen.” (251).

 

God nog aan toe, hij zegt ‘bijna’.

 

Naar aanleiding van: David Vann, Legende van een zelfmoord. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010. Vertaald uit het Engels door Arjaan van Nimwegen: Legend of a Suicide, University of Massachusetts Press / HarperCollins, 2008

 

 

Leonie Breebaart schreef de recensie in dagblad Trouw (4 december 2010): “Het grootste wonder van dit debuut is Vanns vermogen je te laten meeleven met deze puber in het nauw. Zelden lees je zo’n huiveringwekkende beschrijving van de solidariteit die een kind met een falende ouder aan de dag legt.” Alles is fictie, maar gebaseerd op veel uit de werkelijkheid, zegt de auteur zelf in zijn Dankbetuiging. (254)

 

Klik hier voor een interview met David Vann over het boek.

Conny Coll, mijn jeugdheld

Het boek is uit en het is gewoon jammer. Ik ben terug in de tijd geweest. Net als in mijn vroege pubertijd leefde ik in Texas en Arizona en volgde ik mijn held Conny Coll. Ik las de pockets met de schietende cowboy linksboven op de kaft. Ik verslond destijds het ene deel na het andere. Conny Coll schoot sneller dan iedereen in het Wilde Westen. Hij had een grote zwarte wolfshond bij zich en reed op een prachtig paard dat enorme snelheden kon bereiken. Op een goede dag, kort geleden, kwam ik op de antiquariatensite Boekwinkeltjes terecht en kon het niet laten. Ik bestelde Omnibus 1, met drie delen uit de serie van meer dan tachtig boekjes: Trixi, Marjou en Zeven dode heuvels. Ik begon direct en weer vond ik het machtig mooi. Mijn vrije kind leeft nog steeds.

 

Konrad Kölbl leefde van 1912 tot 1994. De in München geboren Duitser gebruikte voor de Nederlandse markt de naam Conrad Kobbe. Hij is goudsmit en journalist geweest en begon in de jaren vijftig met de westernserie. Het eerste deel, Trixi, verscheen in 1951. “In zijn beste periode lukte het Konrad Kölbl om twee boeken per maand te schrijven, te corrigeren en te publiceren,” lees ik op zijn wikipedia-pagina. Een respectabele productie. Nu ik de eerste drie delen weer herlas, is helder hoe hij zich richt op jong publiek. We komen de held voor het eerst tegen als hij dertien is. De wereld is vooral heel mannelijk en blijft overzichtelijk opgedeeld in goede en slechte mensen, waarbij de eersten de laatsten verjagen of naar de hel sturen. Het recht moet z’n loop vinden met goddelijk goedvinden.  Mens en dier en natuur kunnen in harmonie leven en de moderniteit wordt ten onrechte als ‘beschaving’ verkocht (denkt u nu ook aan Karl May?)

 

De opening van het eerste deel geeft direct het dilemma aan: is de jonge Conny wel geschikt voor het harde leven op de prairie? “De lange, slanke dertienjarige knaap had niet bijzonder opvallends. Misschien waren de handen wat fijner dan die van zijn, een kop groter en een jaar ouder zijnde broer Tom, hij was dan ook wat soepeler en minder luidruchtig in zijn bewegingen. Zoals dat goedgevormd lichaam zich voortbewoog, moest men onwillekeurig denken aan een jonge panter. Die, nog wat onervaren en aarzelend, zijn buit besloop. Maar overigens, neen, opvallen deed hij niet meer dan iedere jongen van zijn leeftijd met zijn deugden en ondeugden, zijn kracht en zijn zwakheden. Hij had een zachte, innemende stem en staalblauwe ogen. Een ding kon zijn vader Tom Coll, en zelfs ook zijn lieve moeder Ann niet bekoren. De jongen was een dromer, een nietsnut, zoals vader Tom meermalen zei. Het liefst zat hij de bij de put, midden op het rancherf en Tom Coll had dikwijls moeite zijn afkeer te onderdrukken als de knaap daar op de stenen putrand uren vermijmerde. Daar kon niets uitgroeien voor een streek als deze, waar kerels met een sterke wil en harde vuisten vastbesloten moest aanpakken als zij iets wilden bereiken.” (Trixi, 5)

 

We komen er snel achter: juist het Wilde Westen heeft een jongen als Conny Coll nodig om orde op zaken te houden. Er lopen boeven rond en in de taal van toen zijn dat: kletsmajoors, snijbonen, bengels, hooiossen, vlegels, drekmuilen en galgenbrokken, kleurrijke en volstrekt verdwenen taal uit een recent verleden. De schurken stelen en roven, onschuldigen worden belaagd en vernederd en Conny Coll neemt dan ongenadig wraak. Het eerste stel van wie de dood meemaken, is de Klaverbladbende die zijn paard omleggen. De kogel was weliswaar voor Conny bedoeld, maar zijn roodschimmel werd geraakt. “Conny Coll had tot dusver iedere menselijke vriend, die slachtoffer van een gemene moordaanslag werd, gewroken. Maar de Rooie was meer dan een toevallige vriend geweest en dus zou hij zeker gewroken worden. Bitter gewroken.”  (Trixi, 59) Later krijgt de jongeman enige legitimatie als hij de eerste special agent wordt van de Lange Rijders van overste Sinclair. Naast Conny komen we in de serie de G-mannen als Hall Steve, Neff Cillimm en Samuel Brady tegen. Elke sheriff krijgt bericht dat zij deze mannen moeten helpen als zij law and order komen herstellen. Conny is niet alleen meester op de colts, maar ook in het boksen. Hij is door de wildernis gevormd en bevriend geraakt met de Siouxstam van de Ogalala indianen.
Aan welke kant van de wet sta je?
Ik weet niet of ik dat als jongen van dertien als les uit de boeken oppikte. Maar het was wel een prima wereld om in je verbeelding in rond te rijden, op een prachtige zwarte hengst. Dat die Satan heette, dat maakte niet zoveel uit. Waarachtig, ik vind het nog steeds leuk.

 

Naar aanleiding van: Conrad Kobbe, Conny Coll Omnibus 1: Trixi, Marjou, Zeven Dode Heuvels. Rotterdam: Ridderhof,1975. (Oorspronkelijk in het Duits geschreven: Trixi, 1951, Marjou 1952, Sieben tote Hűgel, 1955). Klik hier voor een Duitstalige website over de auteur en zijn held. Van elke titel wordt een samenvatting gegeven.

 

 

Het derde deel in deze omnibus, Zeven dode heuvels, speelt in het voorjaar van 1906 in San Francisco. Op 18 april beleefde de stad een aardbeving, 7,8 op de schaal van Richter naar men inschat. Veel schade richtte de brand aan in de stad. Klik hier voor de wikipedia-pagina. Je vindt bijzonder filmmateriaal uit die tijd over de ravage in de stad.
In het Conny Colldeel is Abe Ruff de grote schurk die het moet afleggen tegen de held en zijn zwarte wolf. Het boek eindigt zo:

 

“Amadeo Giannini overleed in 1949 aan een ouderdomskwaal en bij zijn nagelaten papieren vond men als een der zorgvuldigst bewaarde stukken de eerste op papier van de nieuwe druk na de aardbeving uitgeschreven cheque, een cheque ter waarde van ruim tienduizend dollars en ondertekend met de naam Abe Ruff. Een naam die men in Frisco nog altijd niet uitspreekt als men de goede toon in acht wil nemen.
Alleen noemen grootvaders hem soms als zij hun kleinkinderen vertellen over de daden van Frisko-Jack en Old Death en Conny Coll, die in de dagen van de grote ramp voorkwamen, dat de schande een terreur der misdadigheid de nieuwe stad bespaard kon blijven. En het zijn de namen dezer mannen, die het onvergankelijkst bewaard blijven omdat zij leven in de volksverbeelding, die door de tijden heen zal blijven putten uit de onvergankelijke feiten der geschiedenis.” (Zeven dode heuvels, 476)

 

Gevaarlijke opwarming

Als de opwarming van de aarde één graad Celsius is en niet verder stijgt, zullen we de veranderingen zien doorzetten die nu al gaande zijn. Het is geregeld in het nieuws dat de gletsjers smelten, op de Kilimanjaro in Afrika en aan de Noordpool. Soms denken mensen in dit verband dat de warme gebieden als de Sahara nog verder zullen verdrogen. Maar dat kan wel eens anders uitpakken. “Although the forecasts are tentative and uncertain, both paleoclimatic studies and computer models suggest that the reverse might be true,” lees ik in het boek Six Degrees: Our Future on a Hotter Planet. “As other parts of Africa shrivel in the heat, could the Sahel end up as a refuge?”(41)

 

Ik las recent dit boek van journalist en klimaatactivist Mark Lynas. Hij publiceerde het boek in 2008 als populair leesboek over de tot dan toe bekende resultaten van wetenschappelijke onderzoek naar de gevolgen van opwarming van de aarde. De titel dekt de lading: per hoofdstuk lezen we wat modellen voorspellen over de gevolgen van opwarming met 1,2,3,4,5 of 6 graden Celsius. In het eerste hoofdstuk komt dan de Sahara ter sprake. Er zijn plaatsen waar het kwik oploopt tot 58° Celsius. Maar er zijn andere tijden geweest. Op plaatsen waar nu geen menselijk leven voorstelbaar is, zijn Neolithische tekeningen gevonden (het neolithicum of de jonge of nieuwe steentijd is een prehistorische periode die ca. 11.000 v. Chr. begon, en duurde tot de bronstijd). Opgegraven vishaken wijzen op de aanwezigheid van water waar dat nu niet te vinden is.

 

Lynas verwijst naar foto’s van de space shuttle Endeavour uit 1994. Op de site van NASA kan ik die foto’s vinden. Zij tonen aan dat onder het zand oude rivierbeddingen liggen. Ik lees dat de foto’s onthullen wat het water in het verleden heeft gedaan: “Water leaves its mark on the land, cutting channels and canyons where rivers flowed and leaving depressions where lakes once pooled. In the Sahara, however, these features are filled with sand. A scientist would have to look under the sand to find the imprint of water from wetter climates. These images of the Safsaf Oasis in south-central Egypt do just that: the top image shows the surface of the desert, while the lower image reveals the water-carved rock under the sand.”

 

Lynas vertelt dat de opwarming van het land sterkere moessonregens tot gevolg heeft. De Afrikaanse moesson is zwakker dan die in India, maar dat lijkt te veranderen volgens de modellen. Zou dat de vergroening van de Sahel opleveren? Hij geeft eerlijk aan waar voorzichtigheid geboden is. Het verleden is geen perfecte analogie voor de toekomst. Hij maakt er wel een aardige afrondende opmerking bij: “According to some historians, the greener Sahara of 6,000 years ago as the geographical basis for the mythical Garden of Eden, its original inhabitants expelled not by God for bad behavior but by devestating drying of the climate. While scientists continue to argue over the specifics of the likely climatic future of the Sahara and Sahel, one thing seems clear: Humanity will not be returning to Eden any time soon.” (45-46)

 

De strekking van het boek is helder: opwarming tot boven de twee graden brengt ons in een levensbedreigende dynamiek. Het ‘tipping point’ wordt bereikt (46, 270) en de ene ontwikkeling gaat de andere versterken. Wat er met zes graden opwarming dreigt te gebeuren, is bizar. Maar ook al eerder gaat de klimaatverandering sociaal-culturele gevolgen hebben: grootscheepse migratie en strijd om schaarse middelen. (101,107,125,219,230-237) Daarom moeten we onze uitstoot terugbrengen. Dan zullen we een ‘safe landing’ krijgen, ergens tussen de een en twee graden opwarming. In 2008 baseert Lynas zich op de laatste rapporten van de ICPP (2007) als hij zegt dat we nog een tiental jaren hebben. “This is an urgent timetable, but not an impossible one. It seems to me that the dire situation that we find ourselves in argues not for fatalism, but for radicalism.” (270-271)

 

Het boek zet me in 2019 zeer aan het denken. Aansluitend bij het laatste: hoe verhoudt zich onze verantwoordelijkheid als mensen tot de eigenzinnige evolutionaire gang van de natuur? Ik realiseer me ineens dat het grote verschil met elke vroegere periode van planeet aarde vooral de mensheid is: 6 miljard en groeiend. Ik wil in de toekomst meer aandacht voor deze kwesties vragen in de rol van voorganger. Bewustwording en stimuleren van duurzaam leven door de geloofsgemeenschap waarin ik functioneer, in een combinatie van seculiere en christelijke motieven. M en ik willen zelf het goede voorbeeld geven door verder te gaan met het ontdekken hoe we minder afhankelijk kunnen worden van fossiele brandstoffen. Ik ben intussen het boek aan het herlezen. Ik zoek bronnen op en probeer de laatste ontwikkelingen in beeld te krijgen. Heeft Lynas in 2008 goed gezien wat er nu gebeurt? Ik ben niet alleen aan het denken gezet, merk ik, ik ben ook aan het werk gezet door dit bijzondere boek.

 

Naar aanleiding van: Mark Lynas, Six Degrees: Our Future on a Hotter Planet. Washington, D.C.: National Geographic, 2008

 

 

Eelco den Boer deed me het boek cadeau bij mijn afscheid van de gemeente in Delft, september 2019. Hij schreef er dit bij: “Beste Simon, dit boek heb ik al langere tijd geleden gelezen, en het gaf mij het inzicht dat klimaatverandering niet alleen tot verlies van ecosystemen en soortenrijkdom leidt, maar dat het echt desastreuze gevolgen voor de mensheid heeft. Al lezende kwam ik tot de schokkende conclusie dat klimaatverandering niet alleen leidt tot vele doden door zwaar weer, maar ook tot enorme vluchtelingenstromen vanwege gebrek aan drinkwater door smeltende ijskappen, die mogelijk leiden tot oorlogen…. (p. 102v.)

Onder christenen is er naar mijn idee veel te weinig aandacht voor de verstrekkende gevolgen van klimaatverandering. Met onze – verholen – collectieve olieverslaving laden wij allen een schuld op onze schouders.

Het sluit mooi aan bij één van de laatste preken die je hield in Delft. Bevrijding van deze verslaving, leiderschap, en verandering van mentaliteit en gedrag zijn hard nodig onder christenen. Een uitdaging voor ons allen! Ik wens je alle goeds en veel zegen toe in Zwolle!

Groeten, Eelco den Boer.”

De waarheid moet op tafel

Het eerste boek dat ik las van Joris Luyendijk ging over beeldvorming in de media. In Het zijn net mensen (2006) beschreef hij hoe onze blik op het Midden-Oosten wordt gevormd, gefilterd en gemanipuleerd. Er zijn mensen, groepen, instanties die belangen hebben. Belangen worden niet altijd met eerlijke middelen nagestreefd en bereikt. Daarom verbergen zij graag iets. Of veel. Goed journalistiek vakwerk komt in de mediadynamiek. “Ook in Europa blijkt uit alle kijk-, luister- en oplagecijfers dat mensen liever meeleven met het vertrouwde gezicht van de anchorman dan met de saaie kop van een deskundige. Ze zien liever korte filmpjes over wij tegen zij dan complexe analyses over botsende belangen, laat staan historische achtergronden waar het land slecht uit komt. En ook in Europa worden hoofdredacties primair afgerekend op kijk, luister- en oplagecijfers.” (214)

 

Onafhankelijke onderzoekjournalistiek is dus nodig. En een podium voor een goed verhaal. En een publiek dat hiernaar wil luisteren. Hermann Huppen neemt dat als uitgangspunt om een sterk verhaal over Afrikaanse neushoornstropers te vertellen. Het is bekend dat in Azië de hoorn van de neushoorn zeer gewild is. “Het wordt vermalen tot een fijn poeder of gefabriceerd in tabletten voor de behandeling van diverse ziekten zoals beroertes en koorts en kanker. Het bedrag dat men bereid is te betalen voor een enkele neushoorn hoorn ligt op de zwarte markt hoger dan het bedrag voor zowel goud als cocaïne. De hoorn wordt ook gebruikt voor artistieke snijwerk. In de Griekse mythologie, werden zij gezegd dat de hoorn de mogelijkheid bezat om water te zuiveren. De oude Perzen van de 5e eeuw voor Christus dacht dat de schepen gesneden uit de hoorn konden worden gebruikt om giftige vloeistoffen te detecteren. Bellen in het water zou de aanwezigheid van een aantal gifstoffen bepalen. Internationale studies komen echter tot een eensluidende conclusie dat neushoorhoorn geen medische eigenschappen bevat.” (klik hier voor de website stopstroperij)

 

Charlotte is een nog jonge journaliste. In het stripverhaal Afrika van Hermann wil zij reportage maken door enkele dagen met Dario Ferrier op te trekken.

 

 

Hij is wachter in een Afrikaans natuurreservaat en hij houdt er onorthodoxe methoden op na om de dieren te beschermen. Hij heeft een militair verleden, hij heeft er nog geregeld nachtmerries over (19, 40, 48). Hij blijkt de oude vaardigheden als commando nodig te hebben om te overleven in de jungle. Want hoewel hij zich niet politiek wil bemoeien, komt hij er – samen met Charlotte – toch mee in aanraking. Het regeringsleger van het land moordt een stam van politieke tegenstanders uit door mortierbeschietingen. (12, 26) Het soort munitie wijst op betrokkenheid van buitenlandse machten. (31) Charlotte maakt foto’s en al snel begrijpt Dario dat het leger weet dat zij getuigen zijn. Er is maar een uitweg: vluchten naar een buurland. Eenmaal daar aanbeland laat hij plotseling Charlotte achter. Zij kan haar verhaal gaan doen om de misstanden aan de kaak te stellen. Als iemand haar vraagt: “Kunt u ons Dario Ferrier beschrijven?” antwoordt zij: “Ik denk dat niemand hem echt kent. Hij blijft een raadsel voor me. Ik weet één ding: hij redde mijn leven.” (53)

 

Het is een typische Hermann-passage. De mensheid is een destructief geheel. Hebzucht en wraak zijn de mechanismen die de vernietiging aandrijven. Soms zijn er momenten van hulp en redding. Maar het kwaad is een veelkoppig monster. Elke kop die wordt afgehakt is er een. Zo eindigt de strip met een radiobericht: “… het werk van een gek of een terroristische aanslag? Een sportvliegtuigje propvol explosieven is neergestort op het luxeverblijf van het bedrijf Ferguson in Tasmanië tijdens een grote receptie ter ere van de hoofdaandeelhouders. Behalve veel schade zijn er talrijke slachtoffers. Het onderzoek begint pas en…” (56). Wij weten als lezers dat de handelsbelangen van enkele landen op de achtergrond spelen (14-15,19). Dario is op zoek gegaan naar de hoogste laag verantwoordelijken in deze kapitalistische jungle. Ten koste van zijn eigen leven gaat hij de strijd aan. Ook ten behoeve van de dieren in de Afrikaanse savanne. (53)

 

Hermann is met zijn strip een soort Charlotte. Vanaf de tekentafel wil hij net zo verontrustend zijn. Want hij is verontwaardigd.

 

Naar aanleiding van: Hermann, Afrika (Collectie Getekend). Brussel, Lombard, 2007

 

Joris Luyendijk, Het zijn net mensen: Beelden uit het Midden-Oosten. Amsterdam: Podium, 2006

 

Over de andere Afrika-verhalen van Hermann schreef ik eerder de blogs Zorro wint in stripverhalen (over Missié Vandisandi) en Rémy Georget is geen Kuifje (over Terug naar Congo).