Jong en depressief

Het was op een dag in het voorjaar. Ik reed even buiten de stad door het open veld. In het voorstoeltje op de fiets zat een van onze kinderen. Het was in de voorzomer, de dag was kraakhelder. Wind, witte wolken en de zon die op kracht kwam. Ik voelde me heel even gelukkig.
Dat was bijzonder omdat ik mij al maanden ongelukkig voelde. Ik was depressief en was gestopt met werken. Op bepaalde dagen was de wereld zo zwart dat ik liever ’s morgens niet wakker werd. Overdag dacht ik aan de dood. Toen ik op die voorzomerdag me even gelukkig voelde, wist ik niet wat me overkwam.

 

13th of May 2018
found the way
back
the dark side
was no place
to stay

 

walking, crawling
in the forest
of black and white
rising, not falling
in the forest
of colours

 

I’m back.

 

little spy eye, 70

 

Dit precies gedateerde gedicht is geschreven door Anna Knobbout. Zij is geboren in 1999 en dus twintig jaar oud. Haar gedicht beschrijft mijn gevoel van toen. Het is haar taal (Engels), het is haar beeldspraak (wandelen in het bos), het is haar datum, maar het is wat ik achteraf zo onthouden heb: ik ben terug. Het duurde wel even voor ik mij langduriger goed voelde, maar dat moment was als de eerste zwaluw: de zomer komt!

 

Anna Knobbout heeft een bundel gedichten geschreven over haar periode van depressie. Zij vraagt op de achterzijde van de bundel aandacht voor haar leeftijdsgroep: “Every year in the Netherlands alone, 5 percent of teens 12-18 year old are diagnosed with depression.” Dat zijn er vijftig op een school van duizend leerlingen. Zij wil woorden geven aan de breuken en de pijn van deze jongeren. En de weg naar heling. De ondertitel van haar bundel is: to be broken. to be healed. to be cured.

 

De bundel is uitgevoerd in zwart, wit en grijs. Dat past bij het thema. Anna weet de vorm tot haar instrument te maken. Zij is spaarzaam met leestekens en hoofdletters. Korte zinnen, witregels op de juiste plaats en gebruik maken van de bladruimte om de tekst. Zij koos een rustig lettertype. Goed gedaan. Het kostte me wel een paar weken om de hele bundel te lezen. Dat is langer dan ik normaal nodig heb voor een uitgave poëzie. Ik kon er een of twee lezen en dan had zij mij al aan het denken gezet. Het zal ermee te maken hebben dat ik oude gevoelens bij mijzelf opmerkte. Of terugdacht aan scenes uit die tijd van depressie. Ik moest ook wennen aan het Engels. Zij schrijft eenvoudig en toegankelijk en toch zat ik eerst te vertalen. Niet alle gedichten vind ik sterk. Soms is het niet meer dan een poging een moment in woorden te vangen. Maar soms weet zij een scene te schetsen die het doet:

 

my love
catching the daylight
through your hair
seeing the world
through your eyes
and when
the night comes
I’ll just hold your hand
and everything will be
okay.

 

little spy eye, 73

 

Hulde voor allen die een hand aangeven om vast te houden als je radeloos bent. In de ander, door de ander het licht zien om zo in de nacht van de wanhoop vol te houden. Woorden hoeven er niet veel te zijn om hoop te krijgen. Ook dit gedicht komt uit het slot van de bundel. Anna verdeelde haar serie gedichten in drie delen: the dark (9-34), the middle (35-57) en the light (58-76). Het volgende gedicht staat in deel 1: gevangen in een waas en alles proberen om eruit te komen.

 

trapped in a haze
try to fight it
try to fight the Urge
the will to give in
the will to give up
try to deny it
the loving
the caring
that’s not fucking possible
try to ask yourself
once again
“what have I become?”

 

what have I become
someone lying here
couldn’t go on
what have I become
someone trapped in a haze
dazed and confused
through the days

 

what have I become
a little shadow
falling into the night
trying to get to the light
yet always failing
just more painful
than actual dying

 

I can’t deal
I can’t cope
no matter
how hard I try
it creeps back up
until
all I see
is
the void.

 

little spy eye, 23-24

 

De dichteres maakt veel gebruik van parallellisme: twee zinnen die in verschillende bewoordingen hetzelfde zeggen. Dat is in haar gedichten niet altijd functioneel, maar hier wel. Het kruipt maar steeds weer terug, de snijdende vraag: wat is er van me geworden? Hoe harder ik probeer het onbegrijpelijke en dringende (the Urge, met hoofdletter!) te hanteren hoe hardnekkiger het blijkt. Erger dan echt doodgaan is steeds weer kijken in de grote leegte, the void.
Sterk gedicht.

 

Het aantal mensen dat gedichten leest is niet groot. De groep die hele bundels aandachtig doorneemt nog kleiner. Dat jongeren jonger dan twintig eenvoudig tot het lezen van gedichten te bewegen zijn, in alle eerlijkheid, dat is niet te verwachten. Maar als er een behoorlijke groep uit ervaring herkennen kan wat Anna Knobbout schrijft, dan is er reden deze bundel bij hen aan te bevelen. Voor die leeftijdsgroep is Engels het probleem niet. Ik hoop dat naast de herkenning van het zwarte, ook de hoop van het grijs en de verwachting van het hemels wit hen zal aanspreken.

 

Naar aanleiding van: Anna Knobbout, little spy eye. to be broken. to be healed. to be cured. Soest: Boekscout 2019.

 

Onverwachte aanblik

De literaire herontdekking, roept de sticker op de omslag. Ik heb in de loop van de jaren een aantal klassiekers uit de Russische literatuur gelezen, maar van Leonid Andrejev had ik nog niet gehoord. Zijn boek, De zeven gehangenen, is al in 1909 in het Nederlands vertaald. Dat was kort na de Russische publicatie, een jaar eerder. Bert Natter schrijft in het nawoord dat ook in het midden van de twintigste eeuw in het Nederlands bekendheid werd gegeven aan deze korte roman (1946, als basis voor een toneelstuk). Nu is het verhaal opnieuw vertaald door Jan Robert Braat en nam ik ‘m mee uit nieuwsgierigheid: zou Andrejev zo meeslepend kunnen schrijven als een Tolstoj, Tjechov of een Dostojewski?

 

Het antwoord is nee. Ik moest doorbijten. Het thema is boeiend genoeg (hoe bereid je je voor op de dood als vonnis?), maar de stijl vond ik matig. Toch was er een passage die mij raakte. Vijf mensen worden veroordeeld tot de dood aan de galg en met hen worden twee andere misdadigers geëxecuteerd. Vandaar: de zeven gehangenen. Het eerste hoofdstuk is geschreven vanuit het perspectief van de minister die door de vijf met een aanslag uit de weg zou worden geruimd. Daarna volgt het verhaal de verschillende veroordeelden in hun voorbereiding op de dood door ophanging. Van de een lezen we dat de ouders langs komen, van de volgende over leegte na een mislukt gebed. Maar bij een van hen voltrekt zich een bijzondere wending. Het gaat om Werner, een man die zich niet wil identificeren en dus in het verhaal maar Werner wordt genoemd. “Hij was zo delicaat en mooi dat hij deed denken aan een maannacht aan zee ergens in het zuiden, waar cipressen zwarte schaduwen werpen, terwijl hij tegelijk het gevoel wekte van een enorme kalme kracht, ontembaarheid en bikkelharde, kille moed.” (18)

 

Werner kent geen angst. Hij wil de dood rustig tegemoet gaan. De minachting voor de strop komt bij hem voort ‘uit de laatste onvervreemdbare vrijheid van geest’. (95) Als hij zich een beeld probeert te vormen van de executie, haalt hij zijn schouders op. “Er was inderdaad geen angst. Er was niet alleen geen angst, maar er was iets tegenovergestelds ontstaan – het gevoel van een vage, maar geweldige, moedige vreugde. En de nog niet ontdekte schaakfout wekte geen ergernis of teleurstelling meer, maar sprak ook luid van iets goeds en onverwachts, alsof een dood gewaande dierbare vriend ineens lachend, levend en wel voor hem stond.” (96)

 

Het lijkt op het esoterisch gevoel van eenheid, de holistische gedachte die alle tegenstellingen verzoent en terugvoert naar het ene Al: goed en kwaad, dood en leven, ziel en lichaam alles is expressie van het Ene. Hij heeft een soort unificerende ervaring: “Met de verrassende flits inzicht waarmee iemand een enkele keer tot grote hoogten van besef komt, zag Werner het leven en de dood ineens samenvloeien en hij stond perplex van de pracht van deze ongekende aanblik.” (97) Dit transformeert hem: de minachting verdwijnt.

 

Wat mij opvalt in het citaat van zojuist dat de vergelijking wordt gemaakt met het weerzien van een dierbare vriend. Waar het Ene onpersoonlijk is hebben wij toch persoonlijke taal nodig om uit te drukken wat we bedoelen. Het gaat daarbij om het onverwachte, een plotseling opduiken van een oude bekende. Het boeiende van het christelijke perspectief op de dood is dat het compleet door het persoonlijke gestempeld is. “… ik verlang ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste,” schrijft de apostel Paulus. (Filippenzen 1,23) De boeiende vraag is of dat persoonlijke in essentie ook te combineren is met het Ene in essentie. Als alle onderscheidingen wegvallen kom je in een mystieke sfeer. Ik hoor Paulus er niet over, maar als ik moeite doe, kan ik mij dat wel voorstellen in het kosmische: een soort eenheidsbeleving met al het geschapene. Maar kun je samenvloeien met de almachtige en eeuwige God? Zou er dan nog wat van onszelf overblijven?

 

Naar aanleiding van: Leonid Andrejev, De zeven gehangenen. Amsterdam: Thomas Rap, 2019. Vertaald uit het Russisch door Jan Robert Braat met een nawoord van Bert Natter: “Andrejev hoopt dat dit verhaal, over slechts zeven uit duizenden in het tsaristische Rusland terdoodveroordeelden, zal helpen de muren te slechten tussen het ene land en het andere land, tussen de ene mens en de andere mens, tussen de ene ziel en de andere. Als dat lukt, schrijft hij, ‘zal ik mezelf gelukkig noemen.’” (139)

 

Arthur Langeveld schrijft in zijn overzicht van de Russische literatuur dat rond de eeuwwisseling een groep auteurs het realisme trouw bleef bij het sterk opkomende symbolisme. Onder andere Leonid Andrejev (1871-1919) “…die met zijn bekendste werk, ‘Het verhaal van de zeven gehangenen’ (1908), over een aantal ter dood veroordeelde revolutionairen, de grenzen van het sentimentele gevaarlijk dicht nadert.” (Arthur Langeveld, Russische literatuur in een notendop. Amsterdam: Bert Bakker, 2006, 81)

 

Dooraderderde oortjes

Verschijnt er boven je duinpan een wouw.
Zijn vingers houdt hij gespreid.
Wetend als een vlieger, nergens een draad.

 

En jij met je geloof in je kunst,
je eenvouds dooraderderde oortjes,
je spitsmuisgeritsel onder het helmgras,
het versvoetgeroffel van je madurohart.

 

In hoe je wegduikt zien bloemlezers Erbarme Dich.

 

Willem Jan Otten, Welkom, 64

 

Een klein muisje in een duinpad, even uit de beschutting, om te foerageren? Het beestje is een prooidier. De roofvogel hangt boven de duinpan. Ook het roofdier wil eten. De wouw heeft vingerachtige uiteinden van de vleugels. Gespreid betekent dat hij een zo groot mogelijk gebied wil bestrijken, zo ver als de vingers gaan. Hij hangt in de lucht als een vlieger. Zonder draad. Maar de eerste opvallende woordkeus is daar: ‘wetend’ als een vlieger. Wat weet hij: dat die muis daar zit in zijn duinpan?

 

‘En jij met je geloof in je kunst…’, Je praat tegen jezelf, monologue interieure, relativerend. Je denkt wat je zijn. Maar je stelt niet zoveel voor. Misschien ben ik ook zo’n ‘je’. Wij mensen hebben dat, zo’n geloof in je vaardigheden om aan je bedreigingen te ontsnappen. De beschrijving van de kwetsbaarheid van het muisje klinkt loepzuiver in de tweede regel van de tweede strofe. ‘je eenvouds dooraderderde oortjes’. Die vrij grote oren van de spitsmuis, dun, zodat je de kleine aderen ziet lopen. Toen ik het gedicht overtypte, schreef ik eerst: ‘dooraderde’, wat volgens mij een goed Nederlands woord is. Maar bij zorgvuldig lezen stond er ‘dooraderderde’ en eerlijk, dat maakt het beeld des te sterker.

 

Kunst heeft met muziek te maken en dat zal uitlopen op de titel van de aria van Bach. Helmgras heeft weer een verwijzing naar de dreiging van boven, de wouw. Het geritsel en geroffel wijst op geluid, maar past helemaal bij de muis die vluchten moet, het hart dat slaat. Maduro, Madurodam, de kunststad van het kleine. En dat alles in die relativerende toon. Jij denkt dat je met deze kunst de grote hoge wouw kunt ontgaan. De wouw weet beter.

 

En dan in de derde strofe de bloemlezers. De derde partner, de buitenstaanders die toekijken. Zij komen voor bloemen. Maar zij treffen de spanning aan, tussen wouw en muis. De bloemlezer schat direct de situatie in. Ach, dat weg duiken. Dat is toch een smeekbede aan de wouw. Vreet me niet op! Dat is wat een mens wil zeggen die instemt met ‘Erbarme dich!’
Maar dat maakt God dus als een wouw.
Dat is nogal wat.

 

Naar aanleiding van: Willem Jan Otten, Welkom. Gedichten 2003-2008. Amsterdam: Van Oorschot, 2008

 

Een zere plek

Blauwblauw

 

‘Is het maar dat?’ (Een blauwe plek
betekent niks. De blauwe plekken
op haar armen, op haar benen
hebben niks, zoveel is zeker,
te betekenen, wellicht. Een blauwe plek
is niet van tel. Een blauwe plek
is poëzie, en poëzie is overal,
ofschoon ik op de vreemdste plaatsen
blauwe plekken tegenkom.)
Niet dat ik haar soms niet vertrouw.
Niet dat ze onbetrouwbaar lijkt.

 

Miguel Declercq

 

Iets blauwblauw laten: je onderneemt geen actie op wat dat eigenlijk wel behoeft. Iets vraagt om een standpunt, voor of tegen, maar je laat het in het midden. Het is een soort gedogen. Waarom doen mensen dat? Omdat je het niet interessant vindt, maar ook omdat je bang bent voor de reacties op een duidelijk standpunt. Je nek uitsteken, kan betekenen dat je klappen op je kop krijgt. Iets blauwblauw laten is dan veilig. Of: je voelt je schuldig en daarom laat je iets in het midden.

 

Het gedicht is opgebouwd uit een opening, een slot en een groot deel tussen haken. Als wij die tussenzinnen even overslaan houden we dit over:

 

‘Is het maar dat?’
Niet dat ik haar soms niet vertrouw.
Niet dat ze onbetrouwbaar lijkt.

 

Het is geschreven vanuit de ik-persoon die wel mannelijk zal zijn: echtgenoot, vriend, partner? Het gaat om iemand die een vrouw beoordeelt op haar trouw. De laatste twee regels zijn van die zinnen die je tegen iemand zegt om een bepaalde indruk weg te nemen. Hij heeft de indruk gewekt haar niet te vertrouwen. In twee regels (die zo uit het een gewone conversatie wegkomen) benadrukt hij dat hij haar wel vertrouwen geeft. In een gesprek kun je dan checken aan de oogopslag en lichaamshouding, intonatie of dat serieus genomen moet worden, maar over het algemeen maken zulke zinnen het alleen maar erger. Dan knik je begrijpend en denkt bij jezelf: nee, beste broeder, je vertrouwt haar voor geen meter.

 

Dat is te begrijpen bij dat eerste zinnetje: ‘Is het maar dat?’ Alle nadruk komt op dat laatste woordje:  dat. Het is geringschattend. Iemand maakt zich blijkbaar ergens druk over en de spreker vindt dat overdreven. Maak je daarover drukte, is het maar dat? Als iemand dan de drukte volhoudt, dan komt de vraag naar de geloofwaardigheid van die persoon inderdaad naar voren. Neem je iemand serieus die zich beklaagt of opwindt, of vertrouw hem of haar niet?

 

Ik moet zeggen, deze drie zinnen zijn al mooi op zich. Zij roepen een situatie op die je zo in je eigen huwelijk of vriendschappen kunt zien opdoemen. Maar nu komt de tussengedachte aandragen met de blauwe plek. Dat is spannend. Want een blauwe plek op een paar kinderbenen kan gezond zijn. Een jongetje speelt buiten, schaaft zich, valt een keer, stoot zich tegen van alles en heeft een bont gekleurde huid. Levenslustig type, denk ik dan. Maar als wij het hebben over een volwassen vrouw met blauwe plekken en een man die nadrukkelijk zegt dat hij haar best vertrouwt, dan ben je binnen de kortste keren met je gedachte bij mishandeling.

 

‘Een blauwe plek betekent niks’. Dat is een leugen in spreektaal, niks in plaats van niets. Een blauwe plek verwijst naar iets, betekent pijn en blessure. In geval van opzettelijke mishandeling betekent het reden tot aanklacht. Alleen de dader zal het ontkennen en bagatelliseren: het is niets. Is het maar dat? De dader wil het blauwblauw laten, maar dat kan alleen als het slachtoffer overheerst kan worden om protest te smoren. De tweede zin tussen de haken laat zien hoezeer de spreker zich overschreeuwt. ‘Zoveel is zeker’ is een uitspraak van iemand die onzekerheden, onduidelijkheden signaleert. Er zijn veel gegevens te overwegen, sommige zijn niet duidelijk, de totale conclusie kan niet worden gegeven, maar bepaalde dingen staat wel vast: zoveel is zeker. Wellicht. Dus toch niet zo zeker als je het wel hebben wilt. Het is alsof de spreker zijn geweten hoort. Wie de zinnen buiten de haken hardop durft te zeggen, zal die van binnen de haken misschien niet hardop zeggen, maar wel horen in zijn gedachten.

 

Een blauwe plek is niet van tel. Nu beginnen de moeilijkheden. In goed Nederlands zou je verwacht ‘in tel’ (even ervan uitgaande dat hier geen drukfout in het spel is). Ik ken eigenlijk geen normale Nederlandse uitdrukking, met ‘van tel zijn’. Maar in het Vlaams is het een goede manier van zeggen. ‘een blauwe plek is poëzie,’ de zin wekt de indruk een verklaring te geven voor de vorige. Je kunt begrijpen dat een blauwe plek niet in tel is als je beseft dat blauwe plekken poëzie zijn.
Wat kan hij bedoelen? Poëzie als concentratie misschien? In onderscheid van proza is poëzie uiterst geconcentreerd. Het moet kort, krachtig, zinnen die stoplappen zijn verraden zich en bewijzen poëzie een slechte dienst. Is een blauwe plek een geconcentreerd leed? Dan kan de volgende zin verduidelijken: poëzie is overal… Je ziet gedichten op rouwkaarten, in de metro, in boekjes en op kaarten. Soms op vreemde plaatsen; graffiti kan poëzie zijn, reclameteksten of een neonlicht op een kantoor. Overal zie je verdichte werkelijkheid die verwijst naar een groter geheel.

 

De zin die volgt, over de vreemde plaatsen maakt met ‘ofschoon’ een eigen indruk. Het wil uitdrukking geven aan de verrassing. Het is alsof gezegd wordt: poëzie is overal, maar je zou het niet verwachten op vreemde plaatsen en die zijn ook eigenlijk uitgesloten van dat ‘overal’. Als verrast merkt de ik op dat hij ook op vreemde plaatsen poëzie kan tegen komen. En daarmee is de link naar de blauwe plek weer gelegd. Wie iemand in boosheid of woede mishandelt, let niet secuur op de plaats waar de blauwe plek moet komen. Die mept en raakt waar die raken kan en produceert zo op vreemde plaatsen blauwe plekken.

 

Misschien, zo denk ik nu, is het hele verhaal over concentratie wel niet nodig. Misschien wil de dichter poëzie als vergelijk gebruiken omdat je inderdaad overal poëzie tegenkomt, niet alleen in de inner circle van de happy literaire few, maar ook in de sloppen en de stegen. Juist daar hoor je mooiste en bloemrijkste taal. Poëzie is overal, opvallend genoeg ook op vreemde plaatsen. En dat laatste, die vreemde plaatsen, is dan de band tussen blauwe plek en poëzie. Poëzie heeft niet het gewelddadige met de blauwe plek gemeen maar het ongepaste. Het lijkt het meest thuis in de salon van het leven, maar het is overal. Een blauwe plek behoort normaal bij kind en spel, maar wonderlijk genoeg komen ze ook voor op armen en benen van volwassen vrouwen, met wie je een relatie hebt.

 

De ik probeert de blauwe plekken te bagatelliseren. Er is niets bijzonders aan, het is algemeen. Maar de onzekerheid, die we al eerder constateerden, kruipt er dan toch weer uit als hij wat verrast vaststelt dat ze ook op vreemde plaatsen voorkomt. Een fraai staaltje van geconcentreerd leed, dit gedicht. De ellende van een man die zichzelf wil goed praten door zijn wangedrag blauwblauw te laten. De au/ou klank is nadrukkelijk aanwezig. Au!?

 

Naar aanleiding van: De 100 beste gedichten van 2001, gekozen door Geert Buelens ( in samenwerking met Stichting VSB Poëzieprijs). Amsterdam: De Arbeiderspers, 2002. Het gedicht Blauwblauw werd overgenomen uit Miguel Declercq, Zomerzot/Somersault. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2001. Klik hier voor informatie over de dichter in de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren.

 

Een normaal wonder

Wat weet je eigenlijk van je opgroeiende kinderen? Pubers hebben zo hun geheimen en als er geen bloed uit vloeit, lijkt dat me dat helemaal prima. Hoewel, ik weet als vader dat je kinderen soms lang met een geheim kunnen lopen. Dat drukt en wat had je dan graag gezien dat ze eerder naar je toe waren gekomen. Maar ja, goede bedoelingen en de juiste gelegenheden zijn niet genoeg. En als de dood z’n gezicht toont, dan kan het schrikken worden: wat als je allerlei verborgenheden ontdekt?

 

Het overkomt Nathan en Ruth Drum. Zij zijn de ouders van Ariël, Frank en Jake. Ariël is de oudste, dochter, 18 jaar, en zij komt na een feestje niet thuis. Spannende uren, zoekdagen en dan het bericht dat zij in de rivier dood gevonden is. Bij de autopsie blijkt dat zij door geweld om het leven is gebracht. En zij is zwanger. Wat heeft je dochter gedaan, wie heeft wat met haar gedaan? Nathan en Ruth hebben geen idee.

 

William Kent Krueger heeft hiermee een sterk thema voor zijn roman Gewone genade. Je moet je eerst even geven aan het fraai menselijke boek, want hij komt er niet direct mee. Hij kiest het perspectief van zoon Frank, 13 jaar. Dat is mooi, het is de leeftijd waarop je de grote-mensen-wereld gaat ontdekken en het kinderlijke begint af te leggen. Ook al heb je geen omlijnd besef van seks, het zien van een naakte vrouw beneemt je de adem. Maar intussen is je jongere, stotterende broertje zo ongeveer je schaduw en wat je vader en moeder zeggen en zwijgen bepaalt intens de sfeer in huis. Franks vader is dominee en dat brengt ook zo het een en ander aan goed verweven thema’s de roman binnen.

 

M en ik kregen het boek van vrienden, ook collega’s. Ik snap dat zij het binnen onze beroepsgroep graag willen laten lezen. Herkenbaar is er veel, ook al is de werkelijkheid van New Bremen, Minnesota in 1961 wel anders dan Zwolle, Nederland 2019. Frank Drum blikt terug veertig jaar na dato. Het was een zomer met vijf doden op een rij. Die van dochter Ariël hakt er het meest diep in. Die slag creëert een kloof tussen Nathan en Ruth. Hij blijft alles bij God leggen, zij haakt af. Krueger weet het al te menselijke mild te beschrijven. Zo wil je graag dit ongewilde snappen. Soms moet je lezend slikken, soms moet je bijna huilen, maar soms denk je ook dat het nog veel erger mis kan lopen in de verwerking.

 

De mooiste scene speelt zich af na de begrafenis van Ariël. Familie, kerkleden, allen komen terug in de kerk. De tafels zijn gedekt, de maaltijd kan beginnen. Hoe goed is het samen eten nadat je in het graf hebt gekeken. Niemand durft de eerste hap te nemen, want er is nog niet gebeden. De aanwezige diaken vraagt aan Nathan, Ariëls vader, om voor te gaan in gebed. Omdat hij de gewoonte had om nogal lang te bidden, zegt Ariëls moeder zuur in de gepaste stilte: “In Gods naam, Nathan, kun je alsjeblieft, voor deze ene keer, eens gewoon bidden?”

 

Het is alsof je er als lezer bij zit. Dit is heel ongemakkelijk. Hoe gaat de familie Drum zich hieruit redden? Niet alleen Nathan, wat voelen de jongens? Lees mee:

 

“Mijn vader schraapte zijn keel en zei in de stilte die gevallen was, ‘Zou misschien iemand anders het gebed willen uitspreken?’ Niemand zei iets en de stilte werd pijnlijk. Toen antwoordde naast mij een zachte hoge stem, ‘Ik wil wel bidden.’ Mijn hart stond stil. Want, Jezus, degene die dat zei was mijn stotterende broertje Jake.
En hij wachtte niet tot mijn vader zei dat het goed was. Hij stond op van zijn stoel en boog het hoofd. Ik keek naar alle mensen om mij heen. Niemand kon er toe komen zijn ogen te sluiten en deze treinramp te missen. Ik bad zoals ik nog nooit gebeden had. O lieve God, laat deze marteling stoppen. Jake zei, ‘Hemelse V-V-V.’ en toen stopte hij. O God, bad ik, maak me dood, hier en nu. Mijn moeder legde haar hand voorzichtig op zijn schouder en Jake schraapte zijn keel en probeerde het nog eens. ‘Hemelse vader, voor de zegeningen van dit eten en deze vrienden en onze familie willen wij u danken. In Jezus’ naam, amen.’ Dat was het. Dat was alles. Een gebed zo doodgewoon dat er geen enkele reden was er ook iets van te onthouden. En toch ben ik in de veertig jaar sinds het gebed werd uitgesproken geen woord ervan vergeten.” (336-337)

 

Hier moest ik lachen en huilen tegelijk. Want dit is het toch? Zo gaat geloven en gelovig worden en gelovig blijven. Gewone genade. God heeft de dood van geliefden niet verhinderd. Toch kun je zijn genade blijven zien. Jake zegt, terugkijkend op dat gebed, dat hij vanaf dat moment niet meer gestotterd heeft: “Ik was gewoon niet bang meer. Ik bedoel, misschien zou iemand anders het wel helemaal niet als een wonder zien, maar voor mij voelde het zo. En dat is wat ik bedoel, Frank. Als we alles in Gods hand leggen, misschien hoeven we dan geen van allen meer bang te zijn.” (350-351)

 

Hoe troostend is het dat bidden dan zo eenvoudig kan zijn: ‘Hemelse vader, voor de zegeningen van dit eten en deze vrienden en onze familie willen wij u danken. In Jezus’ naam, amen.’

 

Naar aanleiding van: William Kent Krueger, Gewone genade. Franeker: Van Wijnen, 2019. De roman verscheen oorspronkelijk in 2013 onder de titel Ordinary Grace. Dingeman van Wijnen verzorgde de vertaling. Klik hier voor de website van de best-selling auteur. Hij zegt over Ordinary Grace: “This was a story that, when it came to me, I couldn’t ignore. It was that simple. I’d been wanting for some time to do a piece of writing that would allow me to revisit the past, to evoke a time that was important in my own life. I also wanted to write something that would allow me to explore the whole question of the spiritual journey, something that’s always been very important to me. When the character of Frank Drum, the minister’s son and the story’s narrator, formed fully in my thinking, Ordinary Grace seemed to drop out of heaven right into my lap.  It was so compelling that it haunted me constantly until I finally put it to paper.”