Onmogelijke opdracht

 

Een locomotief die van een klif stort en zo een Chinese jonk naar de kelder jaagt. Dat is niet alledaags. We zijn dan in de sfeer van Ethan Hunt in de filmserie Mission Impossible. “Een jonk bombarderen met een locomotief… met zo’n verhaal moet je nooit naar de psychiater gaan. Want hij stopt je zo in een gekkenhuis!” Aan het woord is Barney Jordan. Hij is de ruwe zeeman, side-kick van de good looking Bernard Prince, kapitein van de Cormoran. De stripserie van 13 albums werd tussen 1966 en 1978 geschreven door scenarist Greg en getekend door Hermann. De avonturen vragen niet om een reality-check, maar weerspiegelen wel een Hermann Huppenwereldbeeld. Gevaar dreigt van mens en natuur, lef en samenwerking bieden uitkomst.

 

Greg heeft een oud idee opgeduikeld: een interpol-agent die zorgde voor een jonge indiaan. In het korte verhaal Kaartjes met een verrassing zien we de jonge hindoe Djinn met tulband. Deze eerste losse verhalen zijn opgenomen in Bernard Prince: Gisteren en vandaag. Het eerste echte album uit 1969 is een bundeling van twee verhalen: De piraten van Lokanga en Generaal Satan. Vooral dat tweede verhaal is de voorbode van wat de serie te bieden heeft. Sterke sferen uit allerlei delen van de wereld (dit keer het Verre Oosten), zeetochten met het jacht de Cormoran (Aalscholver), onmogelijke opdrachten met een goede afloop. Schurken zijn meedogenloos en wraakzuchtig. Vrouwen spelen een marginale rol en komen meestal in de problemen. Heel diep gaat het niet, tenzij je stil staat bij de permanent aanwezige goed en kwaadstereotypen. Hermann is heel beslist over de aanwezigheid van geweld in deze kosmos en dat is bepaald geen oppervlakkige observatie.

 

Het aardige wel dat juist de schurk uit dit eerste deel een ontwikkeling doormaakt. Avonturier Wang-Ho is bekend als Generaal Satan. Hij wil de vracht van Prince voor het Fort van de Duizend Wolken incasseren. Hij doorziet de afleidingsmanoeuvre van de Cormoran en zo krijgen we achtervolging door een stel met kanonnen bewapende Chinese jonken. Daarna nog een woeste rit met een roestige trein die ten slotte wordt ingezet als bom op de jonk van Wang-Ho. Gekkenhuis dus.
Maar in deel 2 van de serie zien wij de dikke Wang-Ho terug. (zie het slotbeeld in deel 1: “Denk je dat generaal Satan voorgoed verdwenen is?” vraagt Djinn) Wraak is vanzelfsprekend het motief: “Er staan de heren daar buiten nog meer verrassingen te wachten, want eens heb ik gezworen, dat ik de beledigingen mij aangedaan zou wreken.” (De hel van Suong-Bay, 1970, 8). Toch overleeft hij dan opnieuw de avonturen en zo komen we hem weer tegen aan het begin van deel 11: De Nevelburcht uit 1977. “Merci, Wang-Ho,” zegt Prince, “ik luister wel staande of moet ik je ‘Generaal Satan’ noemen, zoals in de goede oude tijd?” “Dat is lang geleden, Prince, heel lang geleden. Maar jij en ik hebben een goed geheugen. We hebben elkaar leren waarderen. Laten we dat niet vergeten. Dat is de reden van mijn uitnodiging. … Ik ben een machtig man, Prince. Alles hier is van mij. Jij en je vrienden kunnen hier niet weg zonder mijn toestemming. En misschien met een beetje geluk, als we het met elkaar eens worden…” (9)
Op de website van Hermann Huppen lees ik over Wang-Ho: “Maar zijn laatste verschijning in De Nevelburcht verfijnt zijn karakter en laat het zien in een vriendelijker, bijna sympathiek licht. Hierin voorspelt hij de nieuwe trend in actie-strips: de slechterik, hoe slecht hij ook is, kan niet langer dit monolithische, ongenuanceerde personage zijn dat de held tegenwerkt voor puur plezier. Een minimum aan psychologie is vereist. De samenleving is geëvolueerd, volwassen geworden; Bernard Prince en de personages die in de serie voorkomen ook.”

 

De serie ontwikkelt zich door de jaren tot een volwassen strip. De oer-Prince is gemodelleerd naar de acteur met wit haar, Peter van Eyck. De keurige man in een regenjas eindigt als een moderne, hippe superfitte jongeman in polo-shirt. Welgesteld is deze vrijbuiter (kon zijn dagelijks werk opgeven blijkbaar, om wat rond te toeren met z’n jacht), stoer en actiegericht. Op de kaft van deel 1 zien wij Prince roken, maar ook dat gaat over. De kaft van Bernard Prince: Gisteren en vandaag is de man die zijn lichaam heeft afgetraind. Daar past geen nicotineverslaving en gebrek aan conditie meer bij.
Prince wordt ook niet gehinderd door aantrekkelijke vrouwen. Pas in het verhaal De gijzelaar (slot van Bernard Prince: Gisteren en vandaag) zien we eindelijk de vriendin van Bernard Prince, Mélanie. Ze is niet betrokken bij de actie. Op de Hermannwebsite lezen we dan ook terecht: “Hierin innoveert Greg op geen enkele manier, wat de passieve rol van vrouwen in strips destijds bevestigde.”

 

Naar aanleiding van: Hermann & Greg, Bernard Prince 1: Generaal Satan en De piraten van Lokanga. Brussel: Le Lombard, 1969. Klik hier voor de Hermann Huppenwebsite

 

Hermann & Greg, Bernard Prince: Gisteren en vandaag. Brussel: Le Lombard, 1980

 

 

Hermann, Helden & Koeien. Zeldegem, Saga uitgaven, 2014: “Toen ik mijn samenwerking met Greg startte voor de eerste kortverhalen was er nog geen precies idee over wat we zouden doen. De zin was er niet om een nieuw personage te verzinnen. Het bestond uit reeds bestaande elementen uit Héroic-albums, getekend door een zekere Becker, denk ik… Greg hernam en veranderde het scenario en doopte de held om in Bernard Prince. Ik weet het niet meer zeker, maar die verhalen zonder grootse toekomst las ik maar vanuit de verte. Ik ben geen grote striplezer. Greg wilde een personage met witte haren en toen dacht ik meteen aan een ondertussen gestorven acteur, Peter Van Eyck, die ik fysiek interessant vond.”

 

Toffe tieners

Als je nichtje een jeugdboek schrijft en publiceert, dan kun je als boek-bloggende oom niet zwijgen. Als je dan ook nog merkt dat je een lekker strak jeugdboek gelezen hebt, dan is het een voorrecht om er een aanbevelend stukje over te schrijven. Lees allen Salomé Snel en de onzichtbare juwelendief en verheug u, want er komt een vervolg!

 

Charlie en Gio zijn twee goede vrienden op de internationale school. Slimme jochies dus. Toch vervelen zij zich en worden voor hun grensoverschrijdende fratsen bestraft. Mevrouw Rhine, de directrice, laat Giovanni helpen bij mevrouw Huizing met haar plannen voor de daktuin. Charlie krijgt een andere opdracht: “Jij meldt je morgen bij dit lokaal.” Ze schoof een papiertje over tafel. “Je wordt begeleider bij een buitenschools project. Je kunt gaan.” (14)

 

Charlie wordt het hulpje van Salomé Snel. “Voordat ik mijn zin kon afmaken, vloog de deur helemaal open. In de deuropening stond een meisje met een wilde bos krullen en ogen net zo donker als haar huid. Voordat ik een woord kon zeggen, trok ze de deur achter zich dicht en bekeek ze me een kritische blik.” (18, hier ontbreekt in het boek volgens mij het woordje ‘met’). Salomé is een slimme meid die oplossingen bedenkt door logisch na te denken en in actie te komen. Zij is detective. Het  verhaal krijgt vaart door een leuk plot: wie heeft de 40 miljoen-euro-ketting uit het Goedhartmuseum gestolen? We puzzelen lezend mee en de meest voor de hand liggende verdachten hebben het natuurlijk toch niet gedaan.

 

Charlie komt in training en het verhaal is het verslag van de emotionele ups en downs daarbij. Humeurigheid, verliefdheid, twijfel en geruzie met en over ouders, dat kleurt de wereld van de tieners. Ook Salomé is soms prikkelbaar en de volwassenen zijn vooral erg lastig. Maar echt boemannen zijn het ook niet, al denkt Milo daar wel wat anders over. (145) Het lijkt me een herkenbaar perspectief voor meisjes en jongens van een jaar of veertien. Ik herinner me dergelijke zaken ook van vroeger en ik neem dus maar aan dat de puberteit anno nu dezelfde sociaal-emotionele ontwikkeling kent.

 

Wat mij bijzonder aansprak was de prominente rol voor gedichten. Ik zelf schreef ook op de middelbare school mijn eerste romantische gedichten voor mijn lief. Dus ik val voor Charlie die verliefd is op Florence: “Ach, Florence. Hoe moet ik haar beschrijven…? Oké, zij heeft bruin haar en bruine ogen, maar dat klinkt niet bijzonder genoeg. Elke dag twinkelen haar ogen als de sterren in een donkere hemel en de zon danst in haar haar. Misschien moet ik maar geen gedichten schrijven.” (29) Toch gaat hij later met een gedicht zijn liefje imponeren, op de tafel in de kantine. Dat moet natuurlijk misgaan. (62) Het was een idee van Salomé, dus dat is niet echt handig in de samenwerking. Maar aan het einde van het boek is er toch wat gegroeid tussen de detective en haar begeleider. Het wordt tijd dat ze samen pizza gaan eten. Dan gaat de telefoon. Salomé luistert en zegt: we komen eraan. Bij de uitgang kijkt ze om naar Charlie: “Kom je nog?” Ze stond ongeduldig op me te wachten. “Wat, nu meteen?” zei ik twijfelend.  “Moeten we niet eerst met de directrice praten?” “Die is er morgen ook nog,” zei ze.  “Dit klonk als een belangrijke klus die door twee detectives opgelost moet worden.” “Twee detectives, zei je?” Ze knikte.  “We kunnen onderweg zelfs pizza’s halen.” “Ik heb altijd al gezegd dat je slimmer bent dan iedereen.” (151)

 

Deel 2 dus. Kom maar door!

 

Naar aanleiding van: Thirza van der Lugt, Salomé Snel en de onzichtbare juwelendief. Amsterdam: Ploegsma, 2020

 

Oprijzen in hoop

Eindelijk vrij, je voelt het met Asia Bibi mee aan het slot van haar verhaal. Opgelucht dat je uit die akelige wereld van valse getuigen en onrecht vertrokken bent. “Zondaars spannen de boog en leggen hun pijlen al op de pees om de oprechte in het duister te treffen.” Psalm 11 is het Bijbelse lied dat bij dit boek past. Toch is het uiterst leerzaam om bij je vanzelfsprekende oordeel even een pas op de plaats te maken. Kunnen we onszelf nog dichterbij het verhaal brengen?

 

Zo moet ik even nadenken het begin van deze ontplofte kwestie: “Ik, Asia Bibi, ben veroordeeld geweest om te worden opgehangen, omdat ik dorst had. Ik heb een groot deel van mijn leven verloren, omdat ik bij een temperatuur van 40 °C hetzelfde glas heb gebruikt als moslimvrouwen. De domme plattelandsbevolking beschouwt wat dat een christen aanreikt als onrein.” (22, zie ook 20, 21, 34, 41, 43, 44, 47-48, 56, 106, 113). Wij beginnen onreinheid-gedrag te vertonen bij overdraagbare ziekten. Ik schrijf deze blog in de tijd van het corona-virus. Handen wassen na contact. Verkouden mensen in Noord-Brabant krijgen het advies om thuis te blijven, want daar is een haard. Maar islamitische plattelandsvrouwen in Pakistan hebben van jongs af aan geleerd dat christenen onrein zijn. Op die manier markeert de islam het verschil met de andere religies. Je voelt hoe ver dat gaat en je realiseert je ineens beter hoeveel weerstand Jezus’ leerling Petrus overwinnen moest toen hij de opdracht kreeg om de Romein Cornelius te bezoeken. Simon Petrus was ook opgevoed met reinheidswetten rond voedsel. Wat een heilzame correctie heeft de Heer aangebracht. En tegelijk houd ik argwaan: op welke manier organiseren wij onze grensmarkeringen als christenen in onze omgeving?

 

Als je nadenkt over het misbruik van het recht dan moet je in het verhaal nog een keer naar het begin terug. Wie hebben dit in gang gezet? Asia Bibi vertelt dat Mafia Bibi en Asma Bibi boos op haar werden vanwege het drinken uit de beker. Deze twee moslimvrouwen zijn naar Qari Salaam gegaan, de imam van het dorp Ittan-Wali. Zij kenden zijn vrouw. “Samen hebben zij een valse aanklacht in elkaar gezet, volledig verzonnen.” (31). Maar iets eerder lees ik dat ook ene Yasmine bij die samenzwering betrokken is. De man van Asia Bibi is namelijk al tien jaar getrouwd met Yasmine als hij Asia ontmoet. Op een feest ontvonkt de liefde tussen hen. Ashiq vraagt echtscheiding aan, maar Yasmine weigert. Asia trekt bij hen in. “Deze driehoeksverhouding zorgt ervoor dat Yasmine, die minder knap is en ouder dan Asia, jaloers wordt.” (27) Bijzonder, ik weet iets van polygamie in de islam, maar is het ook onder christenen geaccepteerd?

 

Sommige mensen vermoeden dat Yasmine ook betrokken was bij de aanklacht. Zo wilde zij zich van Asia ontdoen. Bewijs ontbreekt. Ik blijf toch steken bij het feit dat Asia in feite ingebroken heeft in een bestaand huwelijk. En dat Ashiq van zijn vrouw wilde scheiden, met wie hij al drie kinderen had. “Laat niemand van u moeten lijden omdat hij een moordenaar is, een dief, misdadiger of onruststoker,” schrijft de apostel Petrus. (1 Petrus 4,15) Heeft Asia niet met Ashiq samen de kiem gezaaid van de jaloezie? Wat verder niet afdoet aan de ernst van het machtsmisbruik van de islamitische samenleving in Pakistan. Hulde voor het hooggerechtshof dat ten slotte besloten heeft dat een valse aanklacht niet mag leiden tot een doodsvonnis. (160!) De druk op gouverneurs, advocaten en lagere rechters is geweldig hoog in de jaren van het proces. Sommige moslims hebben met hun leven moeten betalen voor hun inzet voor een christin die onrecht werd aangedaan.

 

Juist dat punt raakte mij het meest. Het gebed voor daders en slachtoffers. Het is mooi dat we in dit boek kunnen lezen hoe de vervolgde christenen zelf hun gebeden formuleren. Hier in het Westen vragen wij om kracht om het vol te houden. Hoe de verschillende omstandigheden de vervolgden tot gebed brengen, wordt mooi duidelijk in dit verhaal. Wat me trof was het gesprek tussen Asia en Mamita. Mamita is een christenvrouw die haar bewaakt gedurende een bepaalde tijd. Als er door fanatieke islamisten een aanslag wordt gepleegd op een kerk in Lahore, vertelt Mamita dat er tientallen doden zijn gevallen. Asia voelt aan dat het te maken heeft met haar zaak. Ze bezwijkt bijna, verslagen als zij is door dit nieuws. “’Kom op, blijven ademhalen!’ zei Mamita zachtjes, terwijl ze me bij mijn schouders greep. ‘Je hebt niet het recht de moed op te geven. Laten we bidden voor alle getroffenen. Onder de slachtoffers waren ook veel moslims. Laten we bidden dat God hen in de hemel zal verwelkomen. Laten we rouwen om onze slachtoffers, onszelf troosten en opnieuw van elkaar leren houden, zodat Pakistan en alle andere landen weer oprijzen in de Hoop. Laten we, om het vol te houden in deze beproeving, onze doden toevertrouwen aan de Heer, die troost wie pijn heeft. Jezus, onze Heer, geef hun rust. Geef hun de eeuwige rust.’” (138-139)

 

Prachtig requiemgebed voor de slachtoffers. Christenen en moslims vertrouwen zij toe aan Jezus en zijn genade. Het leven is het waard om geleefd te worden, alleen al om zulke gebeden uit te spreken. Samen oprijzen in hoop.

 

Naar aanleiding van: Asia Bibi en Anne-Isabelle Tollet, Eindelijk vrij: Negen jaar gevangen om haar geloof. Utrecht: KokBoekencentrum, 2020. Oorspronkelijk verschenen onder de titel Enfin Libre! Monaco: Groupe Élidia, 2020, vertaald door Kees de Wildt. Klik hier voor de website over Asia Bibi.

 

 

Gebed van Asia Bibi in de gevangenis na het eerste doodsvonnis:

 

“Heer, waarom stelt u mij op deze manier op de proef?
Geef me de kracht om niet te buigen
In deze beproeving vertrouw ik me toe aan uw handen.
Ik vertrouw op U.
Laat me niet in de steek.
Zegen mij en wees een licht voor Ashiq en onze kinderen
Help ons een liefdevol en gelovig hart te houden.
Laat de twijfel ons niet overmeesteren.” (35)

 

Verder lezen gebeden op de volgende bladzijden:

 

36 Gebed om God zorg voor haar kinderen
63 Gebed om kracht bij mishandeling
79 Gebed bij het ontwaken en het geluid van de muezzin
100 Gebed toen zij met Kerst haar kinderen weer eens had gezien
104 Dankgebed voor een aardige bewaakster
121 Gebed na de zoveelste juridische teleurstelling
147-148 Gebed van uitputting met de woorden van Psalm 38
162 Kort gebed om hulp en nabijheid
165 Dankgebed na vertrek uit Pakistan

Zielig roestbruin wezen

Loterijen leven van de sociale cohesie. De Nationale Postcode Loterij straalt onderlinge gezelligheid uit. Mensen zijn blij verrast als Gaston hen de straatprijs van duizenden euro’s komt overhandigen. Iedereen tevreden. Behalve natuurlijk de mensen die in hetzelfde postcodegebied niet hebben meegedaan. Die zijn de pineut: buitengesloten. Of je moet zo grootmoedig zijn om de winnaars uitbundig te feliciteren zonder het gevoel te hebben iets te missen. Dat is de gunfactor in het kwadraat.

 

Ik heb er geen ervaring mee. Ik ben dan ook verbaasd dat mensen meedoen aan loterijen. Ik snap hoe heerlijk het moet zijn als je groot bedrag wint terwijl je een klein bedrag hebt geïnvesteerd. Maar ik denk toch steeds: de enige winnaars zijn de organisatoren van de loterij. In de novelle Stierensumo ontmoeten we de jonge Japanner Tsugami. Hij probeert met het kapitaal van de Nieuwe Osaka Avondbode een groot evenement te organiseren om daarmee een financiële klapper te maken. Hij is hoofdredacteur van de krant en op een of andere manier zet hij steeds de volgende stap. Om uiteindelijk meer te verliezen dan te winnen. “Tsugami werd bekropen door het onbehaaglijke gevoel dat hij zonder dat hij het wist omwonden werd door onzichtbare touwen.” (64) Dit is misschien wel de meest treffende zin in dit boek van Yasushi Inoue. Deze Japanse schrijver (1907-1991) betoonde zich met Het jachtgeweer al een groot schrijver, deze korte roman bevestigt dat. Hij voert een aantal personen op die geen van alle warme sympathie oproepen. Tashiro, Okabe, Sakiko en Miura krijgen allen een egocentrisch profiel. Iedereen jaagt de eigen belangen na en Tsugami moet gaandeweg met elk een wedstrijd worstelen. Het is al snel duidelijk dat er voortdurend een sociaal mensensumo wordt gespeeld en Tsugami wordt nogal eens uit de ring geduwd.

 

Van een stierensumo had ik nooit eerder gehoord. De eerste noot aan het einde van het boek geeft de verklaring: “Stierensumo is een duel zonder bloedvergieten tussen twee speciaal daarvoor gefokte stieren die elkaar de wedstrijdring uit moeten duwen. Deze sport was vooral kort na de oorlog populair en wordt nog steeds veel bedreven in het zuiden van Japan.” (107) Ivo Smits schreef een korte inleiding op het boek. Hij doet de suggestie dat Inoue hiermee een zedenschets van het toenmalige Japan wil geven: “De novelle kun je lezen als een commentaar op het na-oorlogse Japan dat weer overeind probeert te krabbelen na een oorlog die zowel de economie verwoestte als de moraliteit.” (6)

 

Het is de vraag of wedden en gokken ooit bijdraagt aan de moraal van een samenleving. Maar in dit verhaal is het belang van de ander of van de (door de oorlog verwoeste) maatschappij nergens een doel. Misschien komt het wel het meest tot uiting in de relatie tussen Tsugami en Sakiko. “Tsugami had een vrouw en twee kinderen, die hij naar zijn geboortestad in Tottori had gestuurd toen de bombardementen in Osaka te gevaarlijk werden, terwijl Sakiko de weduwe was van een van zijn jaargenoten aan de universiteit – gesneuveld aan het front zonder dat zijn as was teruggekomen.” (21) Dat is in één zin veel complexe moraliteit: goede zorg voor vrouw en kinderen, zo lijkt het, maar ook een verhouding beginnen met een weduwe, en een gesneuvelde man van wie de as zelfs niet meer terugkomt. De meest basale verhoudingen zijn zoek. Sakiko is in dit boek de vrouw die aan de ene kant Tsugami bewondert en achterna loopt, en aan de andere kant hem verafschuwt en wil lossen. “Tsugami was net een paar minuten eerder thuisgekomen van kantoor, en toen Sakiko zo vrijpostig was om achterom te lopen naar de serre, zag ze hem daar zitten, amechtig uitgespreid in zijn rotan stoel, nog steeds in zijn pak, zijn hoed achter op zijn hoofd, nippend aan een glas whisky, met het air van iemand die het allemaal geen ene moer kan schelen.” (22, zie ook 18, 21, 49, 54)

 

Als draad door het verhaal heen loopt de stroeve verhouding tussen deze twee. Aan het slot komt de ontknoping: zal Sakiko bij hem blijven of niet? Nog twee stieren vechten om de overwinning, de zwarte en de rode. Als de rode stier wint, gaat ze bij hem weg. “Sakiko kon niet onmiddellijk zien welke stier gewonnen had. Een zware duizeling overviel haar. Bijna had ze zich aan Tsugami’s schouder vastgegrepen, maar ze beheerste zich en hield haar ogen op de ring gevestigd. Daar, ploeterend, en stampend in het moeras van het hopeloze verdriet dat het enorme ovale stadion vulde, zag ze een zielig roestbruin wezen zijn rare rondjes rennen.” (106)

 

‘een zielig roestbruin wezen’, wie of wat wordt daarmee bedoeld? Is zij dat, is hij dat, is het de liefde die niet weet of zij eigenlijk haat wil zijn? Tot eer van de schrijver moet gezegd dat hij ons laat nadenken en kiezen. Of moet ik zeggen: gokken?

 

Naar aanleiding van: Naar aanleiding van: Yasushi Inoue, Stierensumo. Amsterdam: Bananafish, 2018. Oorspronkelijke titel: Tōgyū, gepubliceerd in 1949, later opgenomen in de Verzamelde Werken van Yasushi Inoue, deel 1, Tokyo: Shinchōsa, 1995. De vertaling is van Jacques Westerhoven. Ivo Smits schreef de inleiding op de novelle.

 

 

Bij één zin denk ik een typefout te hebben gevonden. Miura vraagt aan Tsugami om een deel van de toegangskaartjes: “Wat zou u hiervan zeggen?” zei Miura. “Als u toch een deel van de toegangskaartjes afstaat aan ons, waarom verkoopt u ons alle derderangsplaatsen niet?” “Maar daar komt ons weer niet uit.” De derderangsplaatsen raken we toch wel kwijt. Daar hoeven we geen enkele moeite voor te doen. Ik zit juist in over de plaatsen bij de ring.”(72) ‘Maar daar komt ons weer niet uit’, ik denk dat het woordje ‘daar’ vervangen moet worden door ‘dat’.

Versiering van de schepping

Homoseksualiteit als versiering van de schepping, is dat geen vondst? Ik leef in een wereld waarin een juiste typering van alles wat niet-hetero is een beladen zaak is. Anno 2020 is de homo-emancipatie in de Nederland ver gevorderd. Maar de aandacht voor andere seksuele oriëntaties in deze jaren maakt helder dat veel nog wordt afgemeten aan de heteroseksualiteit: dat is de dominant. Begrijpelijk alleen al vanwege de numerieke meerderheid van de hetero’s. Maar in de christelijke kringen komt daar een scheppingsbesef bij, in de discussie meestal verwoord als de ‘scheppingsorde’.  God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk. De opdracht is dat de mens zich door de gemeenschap van man en vrouw moet vermenigvuldigen. Zo wordt homoseksualiteit de afwijking en de homo’s, lesbiennes en alle mensen met andere seksuele identiteit worden mensen met een last: zij zijn allen niet-hetero.

 

In het christelijke debat kan er al veel gewonnen worden als we de scheppingsorde leren relativeren. Christus verzamelt mensen die hun identiteit vinden in Hem en alle andere sociaal-culturele aspecten, die je meekrijgt of ontwikkelt, zijn bedoeld om de onderlinge gemeenschap mee te verrijken: huidskleur, talenten, levensgeschiedenis of afkomst – en ook je seksuele identiteit. In liefde en trouw leven is de norm voor iedereen, in welke samenstelling je ook samenleeft. Bekering tot Jezus is het breken met ontrouw en liefdeloosheid. Veiligheid door betrouwbaarheid, respect vanuit liefde, dat weerspiegelt het karakter en het doel van de Verlosser die ook Schepper is.

 

Buiten de christelijke kring is dit religieuze denkkader niet hanteerbaar. Toch moet ook daar een typering gevonden worden die ertoe doet. In de roman Over de liefde van Doeschka Meijsing vond ik er een: ‘versiering van de schepping’. Het opvallende is dat deze aanduiding toch de schepping als uitgangspunt neemt: het is een versiering van de schepping. De schepping is ten slotte toch dat wat kan reproduceren. Dat kunnen homoseksuelen nu eenmaal niet. Dat realiseert Philippa (‘Pip’) van der Steur (169) zich tijdens een verjaardagsfeestje, nota bene van haar ex, Jula. Het was de derde liefde die spaak liep en de roman is voornamelijk te lezen als een lange monoloog van Pip om met het liefdesverdriet in het reine te komen. Het schokkende is namelijk dat Jula haar verliet voor een man. (114-117) Jula wil hoe dan ook vriendin blijven. Omdat Pip door een ongeluk hulpbehoevend wordt, kan Jula hulpvaardig in de buurt blijven. Dit verjaardagsfeest is voor de allerbeste vriendinnen. “Hoe komt het toch,” vraagt Pip zuchtend, “dat jouw generatie altijd de beste vrienden wil blijven met de mensen die ze verraden heeft?” (203). De deel van de genodigden zijn ‘de overgebleven helft paartjes’. Pip windt zich erover op. Zij heeft al de eerdere huwelijksfeesten meegemaakt: “Ik kan me niet veroorloven tegen het homohuwelijk te zijn, want ik vind dat een beschaafd land zijn burgers gelijk moet berechtigen. Maar waarom liep het altijd uit op een imitatie, een imitatie over the top ook nog eens? Ik had gedacht dat het was omdat de homoseksuele mens nu eenmaal, aangezien zij zich niet voortplant, de taak heeft de versiering van de schepping te zijn, het broodnodige overbodige. Maar dat ging niet op want al die bruidsparen hadden kinderen, iedereen een, en de verwekkers van die kinderen cirkelden als halve bruidegoms een beetje verwilderd op die feesten rond.” (204)

 

Dit is leerzaam. Kinderen worden geadopteerd door homoseksuele stellen. Ook draagmoeders en verwekkers (‘de halve bruidegoms’) vinden er hun taak in. Er komen steeds meer alternatieve gezinsvormen. Hierbij is de heteroseksuele norm van vader, moeder en hun eigen biologische kinderen al niet meer de morele standaard, hooguit de numerieke. En zo is dus ‘versiering van de schepping’ inderdaad niet passend meer. Toch zet het woord ‘versiering’ me wel op een spoor voor het christelijke discours. Versiering heeft als bestemming het verfraaien van de situatie of de locatie. Het is een echt toegevoegde waarde voor een feest of een bijzondere gelegenheid. Als niet de orde van de schepping, maar Christus de basis is voor de christelijke gemeenschap, dan brengt ieder zijn specifieke situatie in als versiering van die gemeenschap. Een hetero zijn of haar hetero-zijn, een homo zijn of haar homoseksualiteit. Je talent heeft als bestemming om het functioneren van de gemeenschap tot grotere schittering en glorie te brengen: versiering dus. De waarden van liefde en trouw worden door deze gemeenschap hooggehouden en daarom kan ieder – hoe ook geaard – daaraan bijdragen vanuit een levend geloof in Jezus Christus. En wie ontrouw en liefdeloos is, in welk soort relatie ook, breekt de heilige gemeenschapscode.

 

Het leerzame van de roman van Doeschka Meijsing is dat in feite die breuk, die repeterende breuk de aanleiding voor de overpeinzingen van de hoofdpersoon vormt. Het schijnt dat het teruggaat op de eigen ervaringen van de auteur. Zij zag de relatie met Xandra Schutte op de klippen lopen. Ook stond haar broer, de schrijver Geerten Meijsing, model voor een van de drie broers van Philippa. Het is aardige informatie maar voor het waarderen van de roman niet relevant. Doeschka Meijsing schreef een bij vlagen boeiende roman. Niet elk deel is overtuigend, maar je legt het boek toch niet halverwege weg. Wat je overhoudt is het eerlijke relaas van een lesbienne die haar leven overziet, en spreekt, zoals de titel zegt, over de liefde.

 

Naar aanleiding van: Doeschka Meijsing, Over de liefde. Amsterdam: Querido, 2008.

 

 

Heel fraai is de passage waarin Pip een massage ondergaat, slaperig wordt en een korte erotische droom heeft: “Ik had mijn onderlijf bewegingloos gehouden, ze kón niets hebben gemerkt. Mijn bewegingloze orgasme had ik in mijn eentje beleefd.” (225)
Het boek eindigt met een verwijzing naar Kroniek van een aangekondigde dood van Gabriel García Márquez: “In mijn droom hingen vogelkooitjes aan het plafond, ieder met bonte vogeltjes erin, die plotseling in uitbundig gezang uitbarstten, alsof Santiago Nasar in de vroege ochtend zojuist zijn woning had verlaten.” (237) Even overwoog ik of dat een leessleutel is voor het hele boek. Ik kan het er niet in vinden.