Vergaande empathie

Geloof ik dat je met doden kan communiceren via een medium? Ik denk dat ik in eerste instantie de vraag met ‘nee’ zou beantwoorden. Zo behoor ik tot de ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek God in Nederland vraagt dit al jaren aan de burgers en het aantal mensen dat ‘ja’ zegt neemt af. In 2006 geloofde 15% van de Nederlanders dat je met doden kan communiceren via een medium, en 20% zei misschien; een subtotaal van 35%. In 2015 is dat teruggelopen tot 24%. Tien procent weet het niet en een ruimte meerderheid zegt ‘nee’. (66%) Het zijn vooral de ongebonden kerkleden en de ongebonden spirituelen die hiervoor openstaan. (159) Ik ben een ‘gebonden’ gelovige (actief betrokken bij een religieus instituut) en mijn spirituele bronnen staan onomwonden open voor het bestaan van geesten van doden. Het bekende verhaal over koning Saul die de geest van de profeet Samuel oproept (1 Samuel 28) bevestigt dat en werkt tegelijk als een verbod om het te proberen: ‘Waarom heb je mij opgeroepen en mijn rust verstoord?” klinkt het verwijt van de dode profeet. (15)

 

In Het huis van de maskers van Daniel Hecht (* 1950) ontmoeten we Cree (Lucretia) Black. Zij is een soort psychotherapeut voor geesten en haar grote vaardigheid is de empathie, vergaand inlevingsvermogen – vergelijkbaar met de participerende observatie in de culturele antropologie. “Ze voelde aan haar eigen ruggengraat hoe Lila’s wanhopige schouders zich kromden, hoe de zenuwstuipen van de vrouw aan haar eigen wangen en wenkbrauwen trokken.” (52) Zij ervaart de onrust van de geesten. In de Amerikaanse situatie is shamanisme niet vreemd, maar het aardige is dat Cree een collega heeft die juist het wetenschappelijke en het technische voor zijn rekening neemt. Samen met Edgar Mayfield runt zij Psi Research Associates (PRA). Zij werken met hightech: infraroodcamera’s, geluidsrecorders, huidgalvanometers en wat al niet. (23, 134)
Wie wil kan via Youtube episodes van Ghost Hunters bekijken die op vergelijkbare wijze  huizen, kastelen of hele dorpen onderzoeken op spokende geesten. Jessica O’Hara suggereert in haar artikel over dergelijke programma’s dat de populariteit ervan sterk is toegenomen door nine-eleven. “Perhaps it has something to do with September 11, an event that created seismic shifts in American thinking.” (81) Op die dag bleek de publieke ruimte in de VS niet zo veilig als gedacht. De kerken zijn steeds minder de heiligdommen en de meta-verhalen van de officiële religie hebben aan kracht ingeboet. De mensen zijn meer en meer ongebonden spiritueel en zoeken toch naar de grenzen van verbeelding en rationaliteit. Terwijl de wetenschappelijke winst wordt meegenomen blijkt er toch ruimte voor het ‘sublieme’ en fascineert de geestenwereld evenzeer als dat zij angst aanjaagt.

 

Dr. Cree Black is universitair opgeleid en heeft in haar persoonlijke leven een ontregelende ervaring gehad die haar op het spoor van het paranormale bracht. Zij zag haar man Mike in Philadelphia terwijl hij in werkelijkheid in Los Angeles was. Het gebeurde op het moment dat hij daar betrokken raakte in een dodelijk ongeluk. (232v). Een zijlijn in het verhaal over het huis met de maskers is haar eigen zoektocht, als weduwe.
In haar onderzoek naar de geesten in het oude, statige Beauforte House in New Orleans ontmoet zij dr. Paul Fitzpatrick. Hij vervult de rol van de kritische wetenschapper:

 

(Cree) “De meeste geesten worden slechts door een persoon gezien. Het is slechts een kwestie van verschillen in gevoeligheid. Daarin verschilt het niet zoveel van andere zintuigen – elke audioloog kan je vertellen dat sommige mensen hogere geluidsfrequenties horen dan andere. Wijnproevers hebben een aantoonbaar scherpere smaak- en reukzin.”
(Paul) “Maar, ik bedoel… een man met een zwijnenkop, een pratende wolf? Zijn dat typische bewoners van de andere wereld?”
(Cree) “Er is maar een wereld – deze. Hij is alleen groter en vreemder dan wij weten.” (98)

 

Dat is de geloofsbelijdenis van het wereldbeeld in de thriller. Als dat waar is dan hebben mensen er serieus werk aan om zichtbare en onzichtbare dingen aan elkaar te passen. Ruim 400 bladzijden lang zijn de karakters boeiend en de wendingen geloofwaardig. Tenslotte gaat het om het vinden van rust en balans bij de overlevenden. Lila Warren moet in het reine komen met haar vader Richard. “Ze moest elk restant van onbewuste beschuldigingen aan het adres van haar vader uitwissen als zij de confrontatie met hem wilde aangaan en zijn liefde wilde accepteren.” (396)

 

Cree Black moet ook zelf met haar issues aan de slag. De liefde meldt zich tussen haar en Paul. Ook al is Mike al negen jaar dood, toch kan zij zich nog steeds niet overgeven aan een nieuwe verbinding vol kwetsbaarheid. Aan het eind komt het goed maar dat gaat niet vanzelf: Cree’s empathie met haar cliënten omgekeerd evenredig is aan die met haar eigen zelf. In elk geval moeten in New Orleans alle maskers af. En dat was ten tijde van koning Saul ook al zo.

 

Naar aanleiding van: Daniel Hecht, Het huis van de maskers.6 Amsterdam: Sijthoff, 2005. (Oorspronkelijke titel: City of Masks, 2003. Opvallend, de Engelse titel verwijst naar New Orleans als de stad van de maskers – zie 36 en 279 – terwijl de vertaling wijst op het huis.) “Dit boek is opgedragen aan Christine Klaine, buurvrouw, vriendin en medewerkster, die bij me kwam met een geweldig idee voor een reeks romans over een buitengewone geestenjaagster…” [5] Voor de website van de auteur, klik hier.

In The Haunting of Hill House van Shirley Jackson gaat het ook om een huis vol geesten maar blijkt het vooral om de psyche en de relaties van de aanwezigen te gaan.

 

Ton Bernts, Joantine Berghuijs (met een voorwoord van Joep de Hart), God in Nederland 1966-2015. Utrecht: Ten Have, 2016

 

Jessica O’Hara, “Making Their Presence Known: TV’s Ghost-Hunter Phenomenon in a “Post-“ World.” In: The Philosophy of Horror (edited by Thomas Fahy). Kentucky, The University Press of Kentucky, 2012, 72-85

 

 

 

Als God glimlacht

Moritura te salutat

 

Dit zijn U w e wegen,
Ook de mijne? ‘k Weet het niet, mijn God,
Al mijn wenschen en begeerten zwegen,
Toen Gij tot mij spraakt, ik sprak niet tegen,
Ik aanvaardde Uw gebod.

 

Of mijn hart dit wilde?
‘k Heb niet naar het schreien van mijn hart gevraagd.
Toen Uw glimlach mijne ziel doortrilde
En mijn glimlach gloren deed, verstilde
‘t Al in mij, dat schreit of klaagt.

 

Dit zijn Uw gedachten,
Ave, Heer, U groet die sterven gaat.
Dat het ja van hare stille nachten
En het amen harer dagen door geen klachte
Worde ontheiligd en geschaad.

 

Jacqueline E. van der Waals, Verzamelde gedichten, 239

 

De ik-persoon in dit gedicht waagt het om een verschil te constateren tussen twee wegen. De weg van God (die zij, moritura, persoonlijk kent als ‘mijn God’) en de eigen weg. Die twee vallen niet samen, in elk geval niet vanzelfsprekend. Ik weet het niet, zegt zij in regel 2. Haar wensen en begeerten zwegen toen God begon te spreken. Zij is dus minstens van haar innerlijke wil bewust. De ik-persoon schikt zich naar de weg op de weg van God.

 

De tweede strofe opent met de herhaling van de onduidelijkheid uit de eerste. ‘Of mijn hart het wilde?’ Het hart is niet blij. Dat is begrijpelijk, de dood nadert. Zij die gaat sterven, aldus de titel, neemt de gladiatorengroet over: Ave, Heer (strofe 3). Maar zij heeft er niet naar gevraagd. Bewust of onbewust heeft zij die stem niet willen beluisteren. Misschien nog sterker: de stem klonk niet. Want al wat in haar huilde of klaagde, verstilde. De oorzaak daarvan was dat Gods glimlach haar ‘ziel doortrilde’.  Zij heeft blijkbaar een innerlijke eenheid met God beleefd die tot een vredige en aangename stemming en situatie leidde: ook zij begon te glimlachen.

 

Dit leidt ten slotte in de derde strofe tot de wens dat de aanvaarding van het sterven niet meer verstoord zal worden. Zij zegt ja en amen tegen de naderende dood op basis van die innerlijke vrede. Zij wil niet dat er een klacht zal komen – hetzij overdag, hetzij ’s nachts – die die vrede verstoren zal. Dat zal zij ervaren als een ‘ontheiliging’ of een ‘beschadiging’ van de gevonden vrede.

 

De moeder van Jacqueline van der Waals (1868-1922) is vroeg gestorven aan tuberculose. Haar vader weet het gat dat daarmee in het gezin valt niet op te vullen, schrijft Anneke Reitsma in haar fraaie essay in Het woord te vondeling. “Het kan haast niet anders of deze sombere, steriele atmosfeer moet een verstoring betekend hebben van een evenwichtige emotionele ontwikkeling. Meer dan op enig ander feit kan het doodsverlangen dat Jacqueline van der Waals’ poëzie kenmerkt (en de daarmee gepaard gaande neiging tot teruggetrokkenheid) op rekening worden geschoven van deze concrete aanwezigheid van de dood in haar jeugd.” (56)

In dit gedicht is het geheim van de vrede de bijna mystieke unie tussen de ik en haar God. Gods glimlach kwam ook al voor in het bekende gedicht Sinds ik het weet (net als Moritura te salutat uit de bundel Laatste Verzen). God is meer nabij nu de helderheid over de onontkoombare dood gebleken is. Zij kan zich verloren voelen, ernstig en diep in dit aardse leven. Maar dan ‘gevoelt’ zij plotseling ‘Gods glimlach over mij’. (236) De afstand die tot dialoog leidt vervalt of vervaagt dan. Het is een woordeloze ervaring van goddelijke genegenheid die blijkbaar de strijd of de weerstand tegen het harde lot doet verdampen.

Als je heel helder weet dat je wil leven (‘wenschen en begeerten, schreien van het hart’) dan zoek je taal om dat te adresseren aan degene die er wat aan kan doen. Wat is er mis met de onrust van de dialoog met God over de situatie? De dreigende situatie is zelfs Gods gebod in strofe 1. Hoe is een klacht beschadigend? Niet de relatie zelf wordt erdoor bedorven, mij dunkt. Die kan het wel hebben – ook als het gesprek niet op innerlijke vrede eindigt. Heman kan ervan meespreken (Psalm 88). Ik kan het me goed voorstellen bij dat wat onontkoombaar is. Strijden zonder enig uitzicht op verandering in dit leven is slopend. Dat houdt niemand vol. Dan is het wonderlijke effect van Gods glimlach te kostbaar om aan diggelen te laten vallen door een klacht, hoe terecht die ook kan zijn. Maar niet alles in het leven heeft die ultieme onvermijdelijkheid. Daarom is de verstilling slechts een van de opties in het geloofsleven.

 

Jacqueline E. van der Waals. Verzamelde gedichten. Utrecht: Kok, 2017 (deze uitgave is gebaseerd op de editie van 1999. Met een Woord vooraf door Henk van der Ent)

 

Anneke Reitsma, Het woord te vondeling: Een eeuw Nederlandse poëzie in zeventien portretten. Amsterdam: De Prom, 2002

 

Vrij en verantwoordelijk

De film die in 2006 gemaakt werd naar aanleiding van Thea Beckmans succesvolle jeugdboek Kruistocht in Spijkerbroek (1973) wijkt sterk af van de boekversie. Althans, de opening. In de film wil Dolf zijn mislukte voetbalactie overdoen. Zonder toestemming van zijn moeder (de wetenschapper die het transmissie-apparaat beheert) wil hij zich even terug flitsen. In het boek biedt Dolf zichzelf aan als proefkonijn en dr. Simiak en dr. Kneveltoer (bijna Bordewijk, die namen) kunnen de verleiding niet weerstaan. Zo’n initiatiefrijke jongeman die samenspant met twintigste-eeuwse vooruitgangsdrang past bij een belangrijk thema van het boek. Wij voeden tegenwoordig onze kinderen op tot ondernemende, zelfstandige mensen die kritisch nadenken. Dat is het grote verschil met de middeleeuwse standenmaatschappij. De vaste sociale verhoudingen onderdrukken de onderlinge verantwoordelijkheid. Beckman draait er niet omheen en komt als schrijver nadrukkelijk uitleg geven. Wat denk je hiervan:

 

“Zonder er bewust naar te streven ontpopte Dolf zich, bijgestaan door de student, als de werkelijke leider van de Kinderkruistocht. Want hij had uit de twintigste eeuw iets meegebracht wat het merendeel van deze kinderen totaal onbekend was: verantwoordelijkheidsgevoel. Sociaal besef. Dat was hem, kind van de twintigste eeuw, met de paplepel ingegoten. Voor hem waren alle kinderen elkaars gelijken. Hij maakte geen onderscheid tussen lijfeigenen, kinderen van edel bloed, kinderen van vrije burgers of verschoppelingen. Hij beoordeelde elk kind op eigen waarde en mogelijkheden en wie een bepaalde aanleg bleek te bezitten voor een bepaalde taak kon ervan verzekerd zijn dat die taak hem werd toegewezen. Zo werd Peter, die zijn leven lang niet anders was geweest dan een ellendige slaaf, de onbetwiste leider van de visploeg.” (70-71; zie ook 62, 101, 117, 153, 186-187, 196-197, 254)

 

Overigens, het verhaal is goed verzonnen. Uitgaande van de legendarische verhalen over een kinderkruistocht in de 13e eeuw neemt ze je mee in een boeiend relaas over wat er gebeurde – vanuit ons perspectief. De reactie van de steden en de burgers op zo’n 8000 pelgrimerende kinderen, de interne organisatie van zo’n massa mensen, de gevaren van struikrovers en epidemieën, het geloof in wonderen en de grote verwachting van de bescherming door de Heilige Maagd, het is echt leuk om te lezen. De kritische houding van Rudolf Wega van Amstelveen blijkt uiteraard terecht: bij Genua zal de zee niet splijten en Jeruzalem zullen de duizenden kinderen niet bereiken. Wat ik niet meer wist – ik las het boek voor het eerst in 1977 – was de werkelijke drijfveer van de tocht in dit boek: slavenhandel. Twee pseudo-geestelijken hebben een deal gesloten om kinderen uit West-Duitsland en Noordoost Frankrijk naar Italië te krijgen om hen dan te laten verschepen naar Noord-Afrika. Dolf ontdekt het en dan loopt het slecht af met de corrupte leiders. Maar intussen zijn de jonge lezers in de twintigste eeuw vooral bevestigd in het besef dat er geen bovennatuurlijke machten zijn.

 

“Nicolaas prevelde snel: ‘In Genua zal God een wonder verrichten.’
‘Wat voor wonder?’ stoof Dolf op. ‘De zee zal droogvallen… ja, gelóven jullie dat werkelijk?’
‘God heeft het mij beloofd,’ zei Nicolaas.
Dolf snoof minachtend.
‘De kinderen zullen je verscheuren als dat wonder niet plaatsvindt,’ gromde hij. Nicolaas verbleekte en rilde even.” (98, zie ook 146, 187, 207, 219, 236-237, 245)

 

Je kunt wel over wonderen spreken, vindt ook Beckman, maar dan heb je het over een bijzondere ontmoeting (68) en vooral over de liefde. Want dat is uiteindelijk waar het om gaat. Dat laat de schrijfster aan het einde dan ook haar held onder woorden brengen:

 

“’Ik heb zoveel geleerd, Dom Thaddeus, ook van u.’
‘Van mij, wat dan?’
‘Goedheid. Liefde voor de medemens. Trouw.’
‘Dat is onze christenplicht, mijn zoon.’
‘U handelde niet uit plicht, maar uit liefde.’
… en die liefde hebben we vergeten in latere eeuwen, dacht de jongen. Nee, niet helemaal. In de twintigste eeuw hebben de mensen een heel stelsel van sociale wetten opgebouwd, waardoor zieken, armen en invaliden niet langer van honger omkomen, zoals nu… Maar wat hebben we met de liefde gedaan? Met die eenvoudige, bijna sluwe liefde van Dom Thaddeus? Die hebben we vergeten, en vervangen door formulieren in vijfvoud.” (302)

 

Naar aanleiding van: Thea Beckman, Kruistocht in spijkerbroek. Rotterdam: Lemniscaat, 1976 (eerste druk 1973). Zij kreeg er in 1974 de Gouden Griffel voor. De kaft is van F. van Vliet.

 

 

Het ontroerende verhaal van onschuldige kinderen die op weg waren om het Heilig Graf te herstellen maar een tragisch lot moesten ondergaan, werd binnen een halve eeuw na de eigenlijke expeditie een populaire legende. Taalkundige en sociale analyse suggereert echter dat de kruisvaarders van 1212 geen kinderen waren, maar eerder arme mensen aan de rand van de plattelandsgemeenschap die doordrongen waren van de idealen van de cultus van apostolische armoede. (pueri als aanduiding van een sociale klasse, niet van een leeftijdscategorie). Ze geloofden dat God na het mislukken van de gewapende kruistochten de machten van deze wereld onwaardig had geacht om de heilige plaatsen te redden, en in plaats daarvan de armen tot een goddelijke uitverkorene had gemaakt om deze taak te volbrengen. Aldus Peter Raedts artikel uit 1977.

 

De verfilming door Ben Sombogaart staat geheel op Youtube; dit is de trailer: Crusade in Jeans.

Klik hier voor het bekende gedicht van  Martinus Nijhoff over de Kinderkruistocht.

Afgunst, een zonde

Aviad Kleinberg heeft me iets belangrijks leren zien: afgunst en jaloezie gedijen in de sfeer van de ongelijkheid. In zijn boek over de zeven hoofdzonden behandelt hij uiteraard de invidia, de afgunst. Hij neemt aan dat zij in oeroude tijden ontstaan is en tot een diepgewortelde houding is ingebrand: “Diep van binnen leven we vanuit het eenvoudige principe: rijkdom en plezier zijn niet onbeperkt; wat ik heb kan me worden afgenomen; als jij het hebt, heb ik het niet.” (57) Kleinberg (1957), hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Tel Aviv, raakt de roos wat mij betreft als hij de westerse waarde van gelijkheid plaatst in het kader van een wereldbeschouwing met ook dubieuze kanten: “Het is niet moeilijk om alleen de negatieve – hebzuchtige, materialistische, obsessieve – kanten van onze wereldbeschouwing te benadrukken; maar we zullen ook moeten inzien dat ze het fundament vormen van onze westerse drang om het patriarchaat en de dictatuur uit te bannen, en dat het, ondanks de nadelen en de hypocrisie, de egalitaire idealen van onze samenleving tot uitdrukking brengt.” (72) Je kunt wel als monnik ernaar streven om hebzucht en bezit op te geven, maar de keerzijde is dat je je begeeft in een wereld van ongelijkheid en hiërarchie. Niet iedereen is gelijk in positie of status en alleen als je dat diep innerlijk aanvaardt kun je van jaloezie vrij worden. Anders gezegd: afgunst is de (bijna) onweerstaanbare drang om de ander te evenaren of te overstijgen.

 

Ik las een roman over afgunst: Miguel de Unamuno’s Abel Sánchez. Bezig met het verhaal van Kaïn en Abel (Genesis 4) tipte De Bijbel cultureel (2009) mij deze Spaanse roman uit 1917. Geïnteresseerd las ik het boek uit en eindigde teleurgesteld. De stijl is zwak, de personen niet levensecht, het verhaal niet spannend. Joaquín Monegro is jaloers op zijn vriend Abel Sánchez. Dat gaat over een vrouw (Helena), aandacht en eer (beroep en reputatie) en elke poging om hem gelijk te worden mislukt. In het tweede en derde geslacht wordt de strijd voortgezet tot de dood van beiden erop volgt.
Het lijkt me een boeiend thema maar boeiend werd het niet en ik begrijp van de vertaler, Bart Peperkamp, dat de schrijver zelf ook het boek ‘naargeestig’ vond. (156) Merkwaardig, denk ik dan, waarom publiceer je het dan? Peperkamp: “Waarschijnlijk kwam Unamuno met Abel Sánchez dicht in de buurt van zijn ideale roman: een vertelling die ontdaan is van irrelevante zaken en alleen de essentie weergeeft, een skelet van een verhaal dat buiten een bepaalde plaats en tijd is geplaatst. Het gaat daarbij om het innerlijke proces dat een mens doormaakt, dus inderdaad niet om een ‘geschiedenis vol passie’, maar om de ‘geschiedenis van een passie’. (155, zie ook 169)

 

Hij neemt aan dat het boek de eigen ervaringen van Unamuno weerspiegelt. Daar is natuurlijk weinig mis mee. Het schrijven van een saai of matig boek is echter daardoor niet gerechtvaardigd. Maar goed, het thema is van belang en actueel (zoals alle zeven hoofdzonden). “In feite is Joaquín zonder reden afgunstig en zijn woede is irrationeel,” schrijft Peperkamp. “Hij protesteert tegen zijn leven vol verbittering, maar kan en wil dat ook niet opgeven.” (160) Dat is precies de heikele kwestie: waarom kunnen wij afgunst zo moeilijk opgeven?
Ik denk dat er twee opties zijn: of je gelooft dat er in essentie geen verschil is, of je legt je neer bij het verschil. Het eerste kan ontstaan door de vervullende aanwezigheid van een geliefde. Je bent niet jaloers of je partner van een ander als iemand jouw leven compleet vervuld en zo de wezenlijke kern van je bestaan vormt. Volgens mij is de ervaring van goddelijke aanwezigheid voor koning-dichter David de aanleiding geweest om zijn meest beroemde lied te schrijven: “De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets.” (Psalm 23)
Het tweede kan ook gebeuren: je accepteert dat een ander meer heeft dan jij. Je zet geen actie op touw om gelijkwaardig te worden omdat je het normaal vindt dat er hiërarchie en verschil is. Dat hoeft geen fatalisme te zijn, het kan ook gerijpte bereidheid zijn om je te schikken naar het bestaande verschil. Conservatief, dat wel, antirevolutionair is het ook, en toch werkelijk een bron van innerlijke vrede. Het eerste kan goed samengaan met het tweede: een vervullende relatie is genoeg om te voorkomen dat de onderlinge verschillen steken. Het gaat dus uiteindelijk om de visie op de vrede in jezelf. Dat noteert ook Peperkamp puntig: “Joaquín wil geliefd zijn, maar weigert liefde. Hij wil gewaardeerd worden, maar weigert waardering. En zijn grootste vijand zijn niet de anderen, maar hijzelf.” (163)

 

Naar aanleiding van: Miguel de Unamuno, Abel Sánchez: Een geschiedenis vol passie. Leiden: Menken Kasander & Wigman, 2011. Oorspronkelijke titel Abel Sánchez (1917), vertaald uit het Spaans door Bart Peperkamp.

 

Aviad Kleinberg, 7 Hoofdzonden: Een zeer onvolledige lijst. Kampen: Ten Have, 2009. Vertaling van 7 deadly sins: a very partial list, Edition dus Seuil, 2008. Vertaald door Karl van Klaveren.

 

 

Marcel Barnard en Gerda van de Haar, De Bijbel cultureel: De Bijbel in de kunsten van de twintigste eeuw. Beeldende kunst (Wouter Prins), film (Sylvain De Bleeckere), theater (Max Smith), klassieke muziek (Johan Snel), popmuziek (Pieter Sierksma), literatuur (Jaap Goedegebuure). Zoetermeer/Kapellen: Meinema/Pelckmans, 2009: “Van het vriendenpaar Abel en Joaquin, de hoofdpersonen in deze roman van de Spaanse schrijver Unamuno (1864-1936) gaat het de eerste in alle opzichten voor de wind, terwijl de tweede de grootste moeite heeft zich in het bestaan te handhaven. Afgunst, haat en zelfs moordlust zijn het gevolg, zeker nadat Joaquin ook nog heeft moeten dulden dat zijn geliefde nicht met Abel is getrouwd. Als hij zijn rancune uitspreekt wanneer Abel op zijn sterfbed ligt, overleeft die de schok niet en krijgt Joaquin daarvan de schuld. Dan weet hij zich verdoemd door een op hem drukkende erfzonde.” (45-46)