Uit-wijden

Wim ter Horst, in leven (1928-2018) een groot pedagoog, beschreef eens het ‘pedagogische quintet’: beschermen, verzorgen, overdragen, inleiden en inwijden. (76-139) Hij voegde bij elk van deze werkwoorden een typering van de opvoeders. “Door haar eerste verantwoordelijkheid – beschermen – heeft elke opvoeder iets van een mythische schatbewaarder.” (79) Kinderen moeten als parels worden bewaakt. Die sieren de kroon van de koning. Een falende schatbewaarder kan rekenen op de krokodillenvijver.
De tweede verantwoordelijkheid is verzorgen. Dat maakt van ouders tuiniers. Dat zijn mannen en vrouwen die weten van wortels, kruiden en vruchten die voor het leven noodzakelijk zijn. En welke levensgevaarlijk zijn. Mensen zijn lelies in de tuin en elk moet naar zijn eigen aard verzorgd worden.
Opvoeders zijn ook herders. Kinderen zijn ‘schapen en ganzen’, aldus Ter Horst. De dieren zijn bij de herder veilig en leren allereerst gehoorzamen. “Alleen dan kan hij hen leiden naar grazige weiden en zeer stille wateren.” (104) Dat is de verantwoordelijkheid voor de overdracht.
Als gids leid je je kinderen in, in het ‘chaotische en beangstigende landschap’ en je leert hen de teken te verstaan. Zo vinden zij de goede weg. Zo gaat de landstreek hen iets zeggen. Zo raken zij ermee vertrouwd. “De gids gaat nog een eindweegs mee en dan kunnen zij alleen verder.” (114)
Tenslotte hebben ouders of opvoeder te verantwoordelijkheid om in te wijden. Dat is een priesterlijke taak. Het leven heeft heilige tijden en plaatsen. Er zijn geheimen. Geheimen worden bewaakt. Reizigers kunnen niet zomaar binnenwandelen. Soms moet je wachten. Of je moet wat achterlaten, bijvoorbeeld de schoenen van je voeten. “Als het gaat over inwijden, zeggen uiteenzettingen niet zoveel en kan men beter verhalen vertellen.” (127)

 

Als je nu het volgende gedicht van Anna Enquist leest, bij welke verantwoordelijkheid past dat dan?

 

Sectie

 

In onze heupen de heupen
van de dochter, in onze ogen
de wildheid van haar blik.

 

In onze stem gaat haar stem
verscholen, haar handen
zijn door de onze omgroeid.

 

Wat een taak: het bekken
vrij te prepareren, het oog
uit te nemen. Een vaste hand

 

hebben we nodig, een helder
brein. Onverschrokken moeten we
de tong lossnijden, op zoek

 

gaan tussen pezen en vaten
naar de bleke stengels van
haar vingers in onze vingers.

 

Het is een groots werk, het neemt
al onze uren, het losmaken
van de dochter uit ons.

 

Anna Enquist, Sectie.

 

De anatoom-patholoog verricht sectie. ‘Vrij prepareren, uitnemen, lossnijden’, het gebeurt allemaal met de hand, niets gaat machinaal. Beneveld kan je er niet bij zijn: een helder brein is voorwaarde, noodzakelijke voorwaarde. Anders blijven er resten van het kind zitten, of andersom; resten van jezelf in je kind.

 

Is het kind dood? Gaat het gedicht over rouw? Mogelijk. Of het gaat om het gidsen tijdens de opvoeding? Kinderen moeten zelfstandigheid leren. En als kinderen zelfstandig gaan wonen, gebeurt er iets vergelijkbaars. Je kind loslaten. Een therapeut moet soms meewerken: kinderen helpen los te komen van hun ouders. Heel zorgvuldig een mesje halen langs de grens tussen waardering en afwijzing, tussen overnemen en achterlaten, tussen overnemen en verzet. Ik noem het uit-wijden. Je kind de ruimte geven. Dat is inderdaad een groots werk. Teamwork vooral. Stoer als je dat als vader en moeder samen kan. Samen dienaar.

 

*

 

Naar aanleiding van: Anna Enquist, ‘Sectie’, In: De Poëziekrant jrg. 27 no. 1 (januari – februari 2003), 18

 

Dr. W. ter Horst, Wijs me de weg! Mogelijkheden voor een christelijke opvoeding in een post-christelijke samenleving: een boek voor opvoeders in gezin, school, kerk en daarbuiten en voor opvoedkundigen.6 Kampen: Kok, 1999 (eerste druk 1995)

 

Ik moet bij dat ‘lossnijden’ denken aan een mooie typering van de jonge Samuel, door drs. Henk de Jong. “Dit hoofdstuk [1 Samuël 3], mogen we samenvattend zeggen, vertelt ons, hoe het Woord van God in het Israël van die tijd ten tonele verschijnt en hoe dit woord ermee begint, Samuël uit het huis van Eli los te hakken en er zelfs tegenover te stellen, met een diepe kloof ertussen. Zo wordt Samuël vrij om als een echte profeet ter beschikking van dat woord van God te staan.” Drs. H. de Jong, De twee Messiassen: 31 preken over het boek 1 Samuël. Kampen: Kok, 1978, 23

 

 

Niets gevraagd

Aan de Nederland Leesteditie van Hermans’ roman De donkere kamer van Damokles gaat een lofrede vooraf van Claudia de Breij. “In een wereld waarin de mensen slecht zijn, ‘en hoe slecht zie je pas tijdens een Duitse bezetting’, laat de bikkelharde Hermans een sprankje hoop gloren. Althans, mij stemt het hoopvol, dat geworstel van zijn personages… dat je tijdens het lezen het comfortabele gevoel bekruipt dat het met Hermans’ personages altijd nog een heel stuk slechter gaat dan met jou. Niets lukt zijn personages. Maar hun worsteling is zo troostrijk.’ (5) Ik las dit voorwoord pas nadat ik het boek uit had en gelukkig maar. Het mist de kern van de vertelling compleet. Hermans wil geen hoop bieden.

 

Ton Anbeek wijst erop dat op filosofisch niveau deze roman de onkenbaarheid van mens en wereld illustreert. “Ongetwijfeld is het de onkenbaarheidsthese waar het in De donkere kamer van Damocles uiteindelijk om gaat.” (195, hij schrijft Damokles ten onrechte met c!). Hermans voegde in 1971 een citaat van Ludwig Wittgenstein toe als naschrift. Bestaat een persoon als er mensen zijn die naar hem op zoek zijn? Henri Osewoudt, sigarenverkoper uit Voorschoten, is door ene Dorbeck in het verzet betrokken tijdens de Tweede Wereldoorlog (24, 33). Na de oorlog heeft Osewoudt echter de schijn tegen. Dorbeck blijkt onvindbaar. Men beschouwt Osewoudt als een verrader. Hij zou gewerkt hebben voor de Duitsers. Voor Osewoudt het van het grootste belang om het bestaan van Dorbeck aan te tonen. In eerste instantie voor Selderhorst, de inspecteur die het dossier Osewoudt onderzoekt. “Het enige wat er voor mij op aan komt, dat het fototoestel gevonden wordt, waarmee ik een foto van Dorbeck heb gemaakt. Als dat eenmaal gevonden is, als ik Selderhorst maar eindelijk een autentiek portret van Dorbeck in handen kan geven, dan ben ik al half gered. Dan zal hij eindelijk niet mij zien, maar Dorbeck. Verdere redding vraag ik niet.” (311)

 

Hermans laat aan het slot van de roman zien dat wij vanuit diverse invalshoeken de kwestie kunnen bekijken. Je kunt er een onderzoeksreportage van maken voor de krant. (293-297) Of door de ogen van een psychiater de zaak als een kwestie van erfelijke belasting en ontoerekeningsvatbaarheid beschouwen. (301-306) Of je laat een geestelijke het religieuze perspectief belichamen. (307-311) Zo treedt pater Beer op en het is met hem in gesprek dat Osewoudt reageert met wat ik hierboven citeerde. “Zelfs de grootste zondaar heeft recht te proberen zijn huid te redden,” zegt pater Beer in de hoop op Osewoudts bekering tot vroomheid. (308) Als hij vervolgens over genade begint, volgt deze passage:

 

“Wat is de zin van mijn leven, antwoordde Osewoudt, als ik geboren word met een vervloeking en die vervloeking alleen maar kan kwijtraken door een genade? Moet ik daarvoor leven: om twee cadeautjes te krijgen die elkaar opheffen, terwijl ik helemaal niet om cadeautjes heb gevraagd? Ik heb nergens om gevraagd. Ik heb er ook niet om gevraagd te leven. Ik heb er niet om gevraagd om geboren te worden, ik heb er niet om gevraagd te worden vervloekt bij mijn geboorte, ik vraag er ook niet om te worden begenadigd bij mijn dood. Als er toch voor mij niets anders opzet dan dood te gaan, heb ik trouwens geen genade meer nodig: tegelijk met mijn leven, komt er ook een eind aan mijn vervloeking. Maar de genade die u misschien voor uw bekeerde verraders en moordenaars bewerken kan, wat zou die genade te betekenen kunnen hebben voor mij? Laten we hier niet langer over zeuren. U maakt mij doodmoe.” (311)

 

“Ik heb er niet om gevraagd,” daarmee kan je ongewenste reclame weigeren. Het is de basis voor het Bel-me-niet-register. Hier is het reactie op het aanbod van genade, maar Hermans laat fijntjes zien dat je dan ook vragen moet stellen bij het leven zelf. Dat wordt je gegéven. Als religie dan aankomt met vervloeking van het leven om vervolgens de genade aan te bieden, kan het bijna niet anders dan dat je Osewoudts antwoord overneemt: twee cadeautjes die elkaar opheffen? Laat maar. Het lijkt me beter te beginnen bij de positieve optie, de dankbaarheid. “Kunnen we dankbaar zijn voor het bestaan van onszelf en de ander, voor de tijd die we ‘krijgen’, de geboorte van een kind, de onmetelijkheid van het heelal waarin we leven, de schoonheid van de natuur, de uitdaging van een nieuwe dag, zonder voor een begrip van dankbaarheid een beroep te doen op een God die dat alles geschonken zou hebben?” (44) Deze vraag beantwoordt de filosoof Paul van Tongeren al essayerend met ja. Dankbaarheid wordt gewekt waar wij ons realiseren dat wij onderdeel zijn van een groter geheel en dat wij daaraan actief kunnen deelnemen. Dat grote geheel is de bredere leefgemeenschap en de traditie. “Traditie is de gemeenschap van gesprek waaraan we participeren, maar dat altijd groter is dan onze participatie eraan.” (54-55)

 

Mooi, maar als die werkelijkheid nu eens een hel is? Osewoudt heeft geen pater of genade nodig maar hij wil wel ‘gered’ worden. Door de feiten. Hij wil gelijk krijgen en niet voor gek verklaard. Van Tongeren vindt paradoxale voorbeelden van dankbaarheid voor wat je juist niet wil hebben in de persoonlijke getuigenissen, zowel binnen als buiten een godsdienstige context. Hij zoekt het in ‘het besef en de aanvaarding dat een uiteindelijke zin en een definitief geluk niet bestaan, en dus ook niet gemist hoeven worden.’ (101)
Zou Osewoudt ermee geholpen zijn? Hij wil recht ontvangen, geen therapie. Op een of andere manier heb ik het idee dat toch de pater het beste antwoord voor Osewoudt aandraagt. Hij is de laatste die de neergeschoten Osewoudt bijstaat: “ Osewoudt, je moet blijven leven! Osewoudt, versta je mij? Je moet blijven leven! Op deze manier mag je niet sterven. Je moet ontvluchten. Osewoudt, kun je mij nog verstaan? Ik zal je mijn soutane geven om in te vluchten! Is er dan nergens een dokter?” (318) In de jas van een ander ontkomen, is het heel gek als ik dat evangelisch duid? Iemand zag eens in een visioen hoe mensen witte gewaden kregen. Dat was redding, uit genade. (Openbaring 6,11) Ik denk dat Hermans er van gruwen zou.

 

Naar aanleiding van: Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damokles. Ik las de editie die verscheen ter gelegenheid van de actie Nederland Leest, 1 november – 30 november 2012. Dit was de zevenenveertigste druk, met toestemming van uitgeverij G. A. van Oorschot, Amsterdam. De eerste druk verscheen in 1958.
Hermans vulde de roman in 1971 aan met dit citaat van Ludwig Wittgenstein als naschrift: ‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou willen kunnen zeggen: “Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.” – Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.”

 

Ton Anbeek, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885 – 1985. Amsterdam: Arbeiderspers, 41996

 

Paul van Tongeren, Dankbaar: Denken over danken na de dood van God. Zoetermeer: Klement, 2015. In hoofdstuk 8 geeft hij een mooie beschrijving van de drie gratiën uit de antieke verbeelding: de schenkende, de dank brengende en tussen in de ontvangende. “Want moeten we niet erkennen, dat zowel geven als danken alleen maar mogelijk worden door het ontvangen.” (80) Dank als wederkerige verhouding kan doorgaan maar ook eindigen na de zoveelste uitwisseling. Als het echter gaat om een cirkelbeweging dan gaat om het om een duurzame verhouding: “De gouden appel die de gratiën soms (bijvoorbeeld in Rafaels schilderij) in hun handen houden, zouden, als verbeelding van de onsterfelijkheid, in diezelfde richting kunnen wijzen.” (83)

 

Vreemde vogel

kom aangevlogen
tooi me in de liefde
leer het hart liefde
laat de wereld blijdschap zien

 

kom aangevlogen
raak mijn hart aan
laat me in vreugden spelen
vertel het geheim van het minnen

 

kom aangevlogen
vogel van het hart

 

Saya Yasmine Amores, 35

 

De dingen hebben hun geheim, schreef eens iemand, en dat is meer dan treffend gezegd. Volwassen mens worden lukt als iemand je helpt de mysteries van het leven te doorgronden. Bijvoorbeeld om het wonder te leren van je evenwicht bewaren op de fiets. Of hoe beleefdheid het contact tussen mensen bevordert (en hoe onbeleefdheid hindert). Je hebt iemand nodig die je het geheim van daglicht en van duisternis laat kennen. Maar het geheim van de liefde is het mooiste. En het kwetsbaarste.

 

‘Vertel het geheim van het minnen,’ lees ik in dit gedicht. Wie dat zegt, heeft het blijkbaar nog niet gevonden. Dit is de taal van verlangen. Zij (of hij?) snapt dat de kunst van het liefhebben kan functioneren als een sieraad dat mensen opvalt (‘tooi me’, regel 2). Zij vermoedt dat liefde creatief is: een goede minnaar schept blijdschap en vreugden bij de ander (regel 4 en 8). Zij weet dat liefde geen trucje is. Het geheim is dat het een kwaliteit van je leven wordt: zij huist in je hart (regel 3, 5 en 10).

 

Wie wijdt een mens in, in de liefde? Vader en moeder zijn eersten met die verantwoordelijkheid. Juist op dit punt schrijnt deze bundel.

 

hoe kan ik je moeder noemen
als je mijn geboorte betreurt
en nu nog de wens koestert dat je
bij de geboorte mijn keel had dichtgeknepen (39)

 

Oei, dat doet pijn. Hoe ga je liefde leren als je niet in liefde bent ontvangen? Andere gedichten in deze bundel raken aan ouderdom en dood (11, 17, 23, 27, 37), spreken over tranen (13, 37) en pijn (19, 21), kortom het gaat over de zwarigheden van een vergankelijk leven. Maar niet welkom zijn is fundamentele pijn. De liefde is haar afgenomen: ‘nooit zal die eerste liefde terugkeren’. (31)

 

‘hoe zal ik het vertellen aan de wereld?’ vraagt de dichteres. (29) Het gedicht kom aangevlogen is volgens mij het antwoord: zó vertel je dat. Wat mooi gedaan, in 10 korte regels. Blijf maar verlangen. Geef de hoop niet op. Vraag door. Bid om de vogel die de liefde bij je thuis kan brengen. Het zal misschien een vreemde vogel zijn. Ik moet ineens denken aan een duif. “Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoog kwam, opende de hemel zich voor hem en zag hij hoe de Geest van God als een duif op hem neerdaalde,” schrijft Matteüs (3,16). Want de liefde komt van Gods kant.

 

Naar aanleiding van: Saya Yasmine Amores, Ghunghru ṯuṯ gail / De rinkelband is gebroken. Tweetalige poëzie Sarnāmi – Nederlands. Amsterdam: Brave New Books. De eerste druk verscheen in 1990 onder de pseudoniem Cāndani.

 

De Sarnāmi tekst van het gedicht volgt hier. Lees het gedicht hardop en let er eens op hoe de lange a (ā) door het gedicht heen trekt.

 

uṟke āw
piyār meṉ hamke sajāw
dil ke piyār sikhāw
jamānā ke khusi dehkāw

 

uṟke āw
hamār dil ke chu
hamke hañsi meṉ khelāw
cāhed ke bhed batāw

 

uṟke āw
dil ke ciraiyā

 

De dingen hebben hun geheim is de titel van het boek van A. van den Beukel (* 1933). Hij was hoogleraar natuurkunde aan de Technische Universiteit Delft. In dit boek biedt hij ‘gedachten over natuurkunde mens en God’ (Baarn: Ten Have, 1990). “De dingen hebben hun geheim, en daar zijn ze niet mededeelzaam over. Zolang ze het niet prijsgeven boeien ze ons.” (77) Als je in God gelooft en andere ongrijpbare zaken, ben je niet automatisch dom of onwetenschappelijk wil hij maar zeggen. En wie denkt in deze wereld alle geheimen te doorgronden, is arrogant. De dingen hebben hun geheim.

 

 

Recent heeft Saya Yasmine Amores nog drie bundels opnieuw uitgegeven:

 

Saya Yasmine Amores, Vanwaar je dacht te vertrekken sta je geplant. Amsterdam: Brave New Books, 2019 (Derde herziene druk; eerste druk: Den Haag: Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum, 1993 onder het pseudoniem Cāndani)

 

Saya Yasmine Amores, Zal ik terugkeren als je bruid. Amsterdam: Brave New Books, 2019 (Tweede herziene druk; eerste druk: Namur/Amsterdam 1999 onder het pseudoniem Cāndani)

 

Saya Yasmine Amores, Ghar ghar ke khel Het spel van huisje huisje: Poëzie voor de jeugd. Amsterdam: Brave New Books, 2019 (Eerste druk: Paramaribo, 2002 onder het pseudoniem Cāndani)

 

 

Gedateerd grappig

Kijk eens naar dit filmpje. Godfried Bomans (1913-1971) leest voor uit eigen werk.

 

Moest je erom lachen? Ik wel, de eerste keer. En bij herhaling vind ik het vooral grappig dat Bomans zelf zijn verhaal klaarblijkelijk leuk vindt. Maar is het verhaaltje leuk op zich? Bomans leest voor uit Kopstukken, een verzameling grappig bedoelde interviews met mensen die op een of andere manier de publieke aandacht krijgen, zoals de beroemde vrouw, de 100-jarige, de gamelan-kenner. De katholieke achtergrond van Bomans verklaart dat hij gemakkelijk een Kleine Catechismus van St. Nicolaas toevoegt. In het laatste interview, met de heer W. Sanders, neemt Bomans zichzelf ook wat op de hak. Sanders kreeg als bokser de bijnaam ‘De Tijger van Medemblik’ en Bomans gaat hem interviewen. Hij vraagt tenslotte: “Mag ik u, namens de lezers van dit boekje, verzoeken enkele stoten te demonstreren?” (111) Uiteraard doet de bokser dat met genoegen en in cursief eindigt het boekje met: “De toestand van de schrijver Godfried Bomans is, hoewel aanvankelijk zorgwekkend, enigszins vooruitgaande. Het laat zich aanzien dat hij binnenkort zal mogen opzitten. Van enige hervatting zijner werkzaamheden kan echter voorlopig geen sprake zijn.” (111-112)

 

Milde ironie en vergaande overdrijving is het terugkerend kenmerk. Ironie (Gr. Eirooneia = verdraaiing) is “spottende humor (door geveinsde onwetendheid), met een satirisch doelmerk,” volgens Els Jongeneel (Letterkunde, 123) en het gaat in deze verhalen vooral om het vak van interviewer en de mensen die zich belangrijk genoeg vinden om zich te laten ondervragen.
De heer Potharst, bijvoorbeeld, is de lijsttrekker. “Hebt u al van ons nieuwste programmapunt gehoord?” vraagt hij aan de verslaggever.

 

“Neen, dat heb ik niet.”
“Geluk,” zegt Potharst, zich achterover werpend in zijn stoel.
Ik sta verstomd. Dàt is het. Dat omvat alles.
“En dan,” vervolgt Potharst, “punt 15a: tevredenheid. Een vondst van de penningmeester.“
Ik zwijg. Elk woord is hier te veel. En dan opeens staat Potharst op en zegt: “Ik ben vóór welvaart. Ik ben tégen armoede.”
Schreiend zinken wij elkander in de armen.” (24)

 

Op haar verjaardag in 1979 kreeg mijn lief een exemplaar van dit boekje cadeau van vriendin Margot. M. werd dat jaar zeventien. Deze Bomansbundel was toen toe aan de vierentwintigste druk. In 1947 verscheen deze verzameling ironische flauwekul voor het eerst. Wij werden als jongvolwassenen (geboren 1962) nog met deze schrijfsels verblijd in verwachting dat wij die humor konden waarderen. En zoveel is waar, wij konden nog schakelen met grapjes die verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog (“Heeft Sinterklaas tijdens de oorlog ook aan Duitse kindertjes gegeven?” 95). Zeventienjarigen anno nu kunnen niets meer met deze kolder, verwacht ik. Tenzij ze vooral de uitvergrote menselijke trekken erin kunnen vinden. Daar heb je wel wat levenservaring voor nodig en ik tref haar zelden aan bij pubers. In het filmpje zijn de lachers toch echt beduidend ouder.

 

(Zelf)spot en overdrijving blijken nog steeds prima middelen om elkaar aan het lachen te maken. En lachen houdt de boel een beetje bij elkaar. De boodschap luidt voor dat moment: alles is in orde. Ga maar na hoe naar het is als je niet kan mee lachen met de groep. Dan hoor je er dus niet bij. En juist dat willen we toch, al van kindsbeen aan? Frans de Waal heeft er een scherp oog voor:

 

“Al een paar dagen nadat een baby geboren is, kietelt een gorillamoeder met haar grote vinger zijn buikje, en brengt zo de allereerste lach voort. Bij onze eigen soort hebben moeders en baby’s talloze momenten van contact waarbij ze op elke verandering in de uitdrukking en de stem van elkaar letten, met veel lachen en glimlachen. Dat is de oorspronkelijke context, en daarin ontbreekt elke vorm van kwaadaardigheid.” (87)

 

Naar aanleiding van: Godfried Bomans, Kopstukken.24 Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1978 (geïllustreerd met pentekeningen van Jo Spier).

 

Letterkunde van A tot Z2. samenstelling door Cees van der Zalm. Aanvullingen en bewerking: dr. E.C. S. Jongeneel. Utrecht: Het Spectrum, 2001 (Eerste druk 2001). Het boek is een bewerking van Prisma van de Letterkunde dat in 1990 verscheen bij Het Spectrum.

 

Er is – hoe kan het anders, en volstrekt terecht – een Godfried Bomans Genootschap.

 

Frans de Waal, Mama’s laatste omhelzing: Over emoties bij dieren en wat ze ons zeggen over onszelf. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2019. (Met foto’s en tekeningen van de auteur. Oorspronkelijke titel: Mama’s Last Hug: Animal Emotions and What They Telll Us About Ourselves. W.W. Norton & Company Inc., 2019; vertaald door Albert Witteveen).

 

Commerciële seks

Naar schatting zijn in Nederland 20.000 tot 30.000 mensen fulltime werkzaam in de prostitutie. Laatst las ik een verhaal van één van hen, een vrouw uit Polen. Zij ontvluchtte een lastige thuissituatie en werd als jong meisje al moeder van een zoon. Zij wilde hem graag goed verzorgen en een mooie toekomst met hem opbouwen: een huisje kopen en altijd samen zijn. Via een ‘vriendin’ kwam zij in Duitsland, en later in Nederland, om goed geld te verdienen. Toen haar zoon zestien werd, vertelde zij hem welk werk zij deed. “Hij zei: ‘mama, ik hou heel veel van jou. Ik vind jou lief.’ Toen ik dat hoorde, heb ik uren gehuild. Dat heeft alles voor mij veranderd. Opeens valt de schaamte weg. De belangrijkste persoon in mijn leven weet wat ik doe en toch houdt hij van me.” (De Havenpost)

 

Intussen las ik ook Platform van de Franse schrijver Michel Houellebecq. Het verschijnen van zijn nieuwe roman Serotonine was de aanleiding deze roman uit 2002 nog eens uit mijn boekenkast te pakken. De hoofdpersoon (Michel!) is een single van rond de veertig die snel rijk wordt door de erfenis na het overlijden van zijn vader. Hij gaat met een groepsreis naar Thailand en maakt daar zonder gewetensnood gebruik van sekswerkers. Terug in Frankrijk begint hij een relatie met Valérie, een van de medereizigers naar Thailand. Zij werkt in de toerismebranche en samen verzinnen zij een nieuwe vorm van luxe, georganiseerde seksvakanties. (204-207) Op een gegeven moment laat Houellebecq de hoofdpersoon zeggen: “Zelf had ik er totaal geen moeite mee dat seksualiteit aan de wetten van de markteconomie zou worden onderworpen. Er waren veel manieren om rijk te worden, eerlijke en oneerlijke, verstandelijke of juist meedogenloos lichamelijke.” (251)

 

Wat moet er gebeuren in je gedachten om dit normaal te vinden? In de eerste plaats kun je blijkbaar seksualiteit als product beschouwen los van de concrete mens. Vraag en aanbod gaat bijvoorbeeld over dingen buiten onszelf, over groeten of fruit, over ipads en smartphones, eventueel levende wezens als koeien en schapen. Het kopen en verkopen ervan heeft te maken met nut of het vervullen van een behoefte. Als je met je aankoop wilt blijven handelen, dan moet je op een bepaalde manier onverschillig zijn. ‘Productonverschilligheid’ noemt Ad Verbrugge dat: een handelaar “… mag dus niet persoonlijk betrokken zijn bij de spullen waarin hij handelt. En het is juist deze afstandelijke onverschilligheid die hem tot een goede handelaar maakt.” (69) Elk product is dan vervangbaar tenzij het wordt opgenomen in de levenssituatie en geschiedenis van mensen. Dan is het ‘kastje van oma’ ineens niet meer gewoon een product.

 

Om seks tot zo’n product te maken moet je het intieme spel tussen mensen dus onpersoonlijk maken. Ook mag zij de bestaande behoefte niet bevredigen, zij moet net als kleding, televisies of keuken een keer ‘op’ zijn, weggegooid kunnen worden. “Een consumptiecultuur stimuleert daarom een neurotische ontevredenheid als de nieuwe menselijke normaaltoestand, en precies dat brengt de hoogspanning teweeg die consumptie en productie voortjaagt.” (Verbrugge, 73) In de roman reduceert Michel de zaak tot betaalbaarheid: “… je had maar twee eigenschappen die telden, jeugd en lichamelijke schoonheid. Die eigenschappen hadden zeker hun prijs, maar waren niet onbetaalbaar.” (251, cursief in origineel)

 

Het is een merkwaardige menselijke eigenschap, dat wij kunnen dépersonaliseren. Dat je je lichaam en de daarin opgeslagen (potentiële) sensaties als los van jezelf beschouwt en hanteert. Veel verhalen van sekswerkers gaan over misstanden thuis. Wie neemt iemand iets kwalijk als hij of zij dépersonaliseren tot een overlevingsmechanisme ontwikkelt, voor jezelf of voor een ander? De ondergang was waarschijnlijk de enige voorstelbare optie op dat moment. Het ontnuchterende van de roman van Houellebecq is dat hoofdpersoon Michel onomfloerst stelt hoe het zit: “Als welgestelde Europeaan kon ik in andere landen voor een lagere prijs voedsel, diensten en vrouwen krijgen; als decadente Europeaan, me bewust van mijn naderende dood en volledig gezwicht voor het egoïsme, zag ik geen enkele reden om me die mogelijkheid te ontzeggen. (252-253)
De naderende dood en het egoïsme, zie je het staan?

 

Paulus heeft het ergens over mensen van wie de ‘aandacht alleen gericht is op aardse zaken.’ (Filippenzen 3,19) Wie wil weten hoe dat werkt, leze Houellebecq. Schaamteloos kan de ellende van de ander en de koopkracht van de neurotisch ontevreden mens een verdienmodel worden. Het is terecht dat hij in Platform ruimte maakt voor het religieuze verzet. (279v, 286) Binnen de democratische, vrije samenleving moet je ‘vreedzaam’ vechten, maar verzet moet het toch echt wel zijn: tegen dépersonaliseren van de mens en voor tevredenheid.

 

Net zo min als geluk is tevredenheid een prestatie. Michel zegt op een gegeven moment dat hij gelukkig is, met Valérie: “… ik had een geliefde gevonden en zij maakte me gelukkig.”  (177, zie ook 140) Geluk, je krijgt het van iemand die zich onvoorwaardelijk aan je verbindt. Aards geluk brengt vrede. Hemelse liefde creëert tevredenheid. “Ik weet wat het is om gebrek te lijden,” schrijft de apostel,  “maar ook wat het is om in rijkdom te leven. Ik heb alles aan den lijve ondervonden: overvloed en honger, rijkdom en gebrek. Ik ben tegen alles bestand door hem die mij kracht geeft.” (Filippenzen 4,12-13)

 

Naar aanleiding van: Michel Houellebecq, Platform: Midden in de wereld. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2002 (oorspronkelijke titel: Au milieu du monde: Plateforme. Parijs: Flammarion, 2001, vertaald door Martin de Haan).
De achterflap verwijst naar de titel: “Een twaalfjarige jongen klimt in de bergen in een elektriciteitsmast, helemaal tot op het platform. De gapende leegte onder zijn voeten oefent een vreemde aantrekkingskracht op hem uit: zal hij springen? Dertig jaar later moet hij terugdenken aan dat moment. Hij heeft de liefde van zijn leven gevonden en zijn eigen economische waarde opgeschroefd door een briljant idee voor een nieuwe vorm van toerisme te lanceren, maar hoe stabiel is geluk? In ieder geval kunnen we er geen recht op doen gelden, zoveel is zeker.” Op p. 272 is de herinnering aan de platformscene beschreven. Dat zij de titel van het boek heeft gehaald is voor mij na lezing niet overtuigend.

 

De Havenpost: Hart voor vrouwen in de prostitutie, 22e jaargang, no 1, 2019
Ad Verbrugge, Staat van verwarring: Het offer van liefde. Amsterdam: Boom, 2013
In de Volkskrant van 23 oktober 2002 schreef Rokus Hofstede een sterke bespreking van Platform.