Over vriendschap

“Kunt u zich het leven zonder vrienden voorstellen? Ik niet. Een leven zonder vrouw, dat wel. Maar een leven zonder vrienden, nee, ik zou wegkwijnen en nooit meer vrolijk zijn. Voor mij zijn vrienden altijd van levensbelang geweest”. (87) Zo spreekt de grote kerkvader Augustinus en wie durft hem tegen te spreken? Ik, heel even: een leven zonder vrouw voorstellen gaat moeilijker dan hij zegt. Maar laat ik breder kijken dan mijn eigen beperkte blik. Ik ben het met de meester eens: vrienden zijn van levensbelang. Een mens leeft niet alleen. Na ouders en eventuele broers en zussen die samen het eerste levensdomein vormen, komen er al snel vrienden en vriendinnen bij. De ruimte van intens leven wordt bepaald door vrienden.

 

“Op een ochtend liep de mier door het bos. Wat is mijn hoofd toch zwaar, dacht hij. Hij moest tijdens het lopen zijn hoofd met zijn rechtervoorpoot ondersteunen.” (335) De mier kampt met het probleem dat hij misschien wel alles weet. Elke gedachte maakt zijn hoofd zwaarder. In gesprek met zijn vriend eekhoorn wordt de gedachte geboren om iets te vergeten: “Waar wat moest de mier vergeten? De zon? De smaak van honingtaart? De verjaardag van de walvis? Zijn winterjas? De mier probeer al die dingen te vergeten. Maar het maakte weinig verschil. ‘Misschien moet je mij maar vergeten,’ zei de eekhoorn ten slotte, heel voorzichtig.’” (336).

 

Tellegen is op dreef in dit verhaal. Hij weegt de waarde van het kennen van elkaar, noem het vriendschap. Alles weten maakt niet gelukkig, vriendschap wel. De mier kan zijn hoofd niet eens meer optillen. Tot hij de poging doet om de eekhoorn te vergeten: “Hij sloot zijn ogen. En plotseling vloog hij omhoog, alsof hij een veertje was in een vliegende storm. De eekhoorn deinsde achteruit. De mier verdween bijna uit het gezicht, boven de bomen. Toen viel hij weer op de grond.” (336).

 

Het is met vriendschap als met de liefde: “… al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.” (1 Korinte 13,2) Vriendschap is liefde. Eugene Peterson: “Vriendschap is een zeer onderschatte vorm van geestelijk leven. Het is even belangrijk als bidden en vasten. Evenals het sacramentele gebruik van water, brood en wijn, neemt vriendschap iets gewoons uit de menselijke ervaring en maakt het tot iets heiligs”. (63) Dat is een forse stap, maar ik ben geneigd ‘m mee te zetten: sacrament, teken en zegel van Gods liefde voor ons. Johannes was de discipel ‘dien Jezus liefhad’. De enige keer waarbij ik de oude accusatiefvorm prefereer: Jezus is subject van deze vriendschap. En dan te bedenken dat deze Johannes één van de twaalf was. Alle twaalf zijn gelijkelijk geroepen door de Heer, maar toch niet allen vriend als Johannes. Bijzonder, ik voel me er niet door gedegradeerd. De Heer kan vrienden hebben zonder iemand te diskwalificeren.

 

Wat zou deze vriendschap voor de Heer hebben betekend? Voor mij is vriendschap een bevestiging van mijn roeping. Het klinkt baatzuchtig maar zo bedoel ik het niet. Ik probeer te benoemen waarom het mij zo helpt om vrienden te hebben. Vrienden leren mij kennen en zij benoemen de juiste dingen. Het wijze en het domme, het sterke en het zwakke, het oude en het nieuwe, vriendschap rijpt door de tijd heen en daarom wordt het steeds belangrijker om je te laten zijn wie je bent naar de roeping Gods.

 

De mier was met een klap op de grond gevallen. “Maar door de klap was hij vergeten dat hij alles wist.” Zo lopen ze samen door het bos en zwijgen een tijdlang. Dan herinnert zich de eekhoorn dat hij nog een pot beukenhoning thuis heeft staan.  “’Ach,’ zei de mier, ‘dát wist ik niet!’ Hij maakte een sprong in de lucht van plezier en holde alvast vooruit naar de beuk.” (337).

 

Naar aanleiding van: Toon Tellegen, Misschien wisten zij alles: 313 verhalen over de eekhoorn en de andere dieren. Met prenten van Mance Post: Amsterdam/Antwerpen: Querido, 2001.

 

Paul van Geest en Monic Slingerland, Zeven vragen aan Augustinus: Augustijnse spiritualiteit voor het dagelijks leven. Kampen: Ten Have, 2008.

 

Eugene H. Peterson, David en God: Aardse spiritualiteit voor gewone gelovigen. Gorinchem: Ekklesia (samen met Navigator Boeken uit Driebergen), 1998. (Oorspronkelijk: Leap over a Wall: Earthy Spirituality for Everyday Christians. San Franscisco: HarperCollins, 1997, vertaald door Hannie Rosing).