Onveranderlijk en eeuwig

“De uitverkiezing is een onveranderlijk voornemen van God, waardoor Hij voor de grondlegging van de wereld uit heel het menselijke geslacht … een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil heeft uitgekozen.” Deze ‘definitie’ uit Dordtse Leergels 1,17 noemt het voornemen van God onveranderlijk. Dat is lastig. God lijkt zo uit de levende relatie met mensen weg te blijven. De menselijke vrijheid wordt een schijnvertoning. Gebed kan niets uithalen, want alles ligt vast. Waarom wordt Gods besluit onveranderlijk genoemd?

 

Het lezen van de Belijdenissen van Aurelius Augustinus roept ook de vraag op over Gods onveranderlijkheid. Het is voor hem zonneklaar: alles wat verandert is niet eeuwig en niet goddelijk. Een kenmerkende passage is deze: “Met luide stem hebt gij, Heer, reeds aan mijn innerlijk oor gezegd dat gij de eeuwige zijt, degene die alleen de onsterfelijkheid heeft, omdat gij door geen enkele vorm of beweging verandering ondergaat en omdat uw wil niet in de tijden wordt gewijzigd, aangezien een wil die nu zus, dan zo is niet onsterfelijk is.” (294; XII xi 11)

 

Van den Brink en Van der Kooi helpen in de Christelijke Dogmatiek iets van deze inzet van het vroegchristelijke denken te begrijpen. “Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament worden immers eigenschappen aan God toegeschreven die op zijn minst erg veel op die van de Griekse filosofie lijken. Zo is er ook in de Bijbel sprake van Gods verhevenheid, onsterfelijkheid, onveranderlijkheid, eenheid, eeuwigheid en onzichtbaarheid.” Zij wijzen erop dat de christenen in dit filosofische denken een bondgenoot vond. Zij stonden naast de christenen in de strijd tegen  polytheïstische volksreligiositeit van die tijd. Of wat te denken van de dualistische stromingen van de gnostiek? “Ook volgens het christelijk geloof is er een God die de scheppende oorzaak is van alles wat naast Hem bestaat, inclusief de aards materiele werkelijkheid die door de gnosis juist tot een goddelijke antimacht herleid werd. Op tal van punten konden de vroegchristelijke denkers dus aansluiten bij het Grieks-wijsgerige godsbegrip. Niet dat zij het daarom ook kritiekloos overnamen; daarvoor waren ze te zeer aangeraakt door het evangelie aangaande Jezus Christus.” (131)

 

Het blijkt tot op vandaag aantrekkelijk om over God in abstracte begrippen te spreken, los van de concrete mens Jezus Christus. De Heer staat in een levende relatie tot mensen en blijkt gevoelig voor de inbreng van mensen en situaties. Van den Brink en Van der Kooi wijzen fijntjes aan hoe dit ondergewaardeerd raakt als je begint denken en discussiëren begint met abstracte eigenschappen van God: “Dit [levendige, concrete] nu konden de filosofen slechts als ongeoorloofd (of op zijn best als zeer oneigenlijk) antropomorfisme zien. Doordat de christelijke theologen er niet in slaagden de van ons afgewende en de naar ons toegewende zijde van God op een organische wijze met elkaar in verbinding te brengen, bleven die twee min of meer los naast elkaar staan. In een context van filosofische minachting voor het antropomorfe spreken over God leidde dat ertoe dat bij de geloofsdoordenking de transcenderende eigenschappen op de voorgrond kwamen te staan. Zeggen dat God onveranderlijk is werd in deze atmosfeer bijvoorbeeld raker en diepzinniger geacht dan zeggen dat hij liefde is. Dat God liefde is, zou hooguit iets over zijn openbaring zeggen, dat Hij onveranderlijk is daarentegen iets over zijn wezen. Op die manier ontstond een onevenwichtig godsbeeld.” (131-132)

 

Toch blijft de logische doordenking aantrekkelijk. Hoe zijn begrippen als tijd en eeuwigheid te verbinden? Als God in eeuwigheid iets besluit, kan Hij dan nog reageren in de tijd? Ik werd recent geholpen door de mooie publicatie van Bert Loonstra Willen en voelen en uitverkiezing: “God is gelijktijdig met ieder moment in de geschiedenis. Wij hoeven het ons niet zo voor te stellen dat Hij oneindig lang geleden een plan heeft opgevat en dat dat zich nu in de tijd ontrolt. In dat geval zou God schuilgaan achter zijn eeuwig voornemen en zo alles afhangen van hoe God het destijds heeft bepaald. Wanneer echter de eeuwige verkiezing van God zich in Gods eeuwige heden voltrekt, heeft die een onmiddellijke relatie met het daarop van toepassing zijnde tijdsmoment. Enerzijds zeggen we: Gods eeuwige voornemen is nooit anders geweest, maar anderzijds ervaren we Gods eeuwige raadsbesluit als gelijktijdig met het heden waarin het van toepassing is. In de ontmoeting met God die verkiest, worden wij de initiatieven van de Eeuwige gewaar die op het heden betrekking hebben. … De 20ste-eeuwse theoloog Noordmans heeft daarvoor een prachtige paradox gesmeed: ‘Gods eeuwige besluiten worden op het laatste ogenblik genomen.’” (93-94)

 

Naar aanleiding van: Aurelius Augustinus, Belijdenissen.7 Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Amsterdam: Ambo, 2007

 

Dr. G. van den Brink, dr. C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek: Een inleiding. Zoetermeer, Boekencentrum, 2012

 

Bert Loonstra, Willen en voelen en uitverkiezing: Hoe Arminius en Dordt nader tot elkaar kunnen komen. Amsterdam: Buijten en Schipperheijn Motief, 2016. Loonstra verwijst voor het citaat van Noordmans naar: O. Noordmans, Verzamelde werken deel 2, ‘Het koninkrijk der hemelen’,  433-551. Kok, Kampen (1979; oorspronkelijke uitgave 1949), 493

 

 

Andere plaatsen in de Belijdenissen over Gods onveranderlijkheid:

 

33-34; I vi 10 “Want gij zijt de allerhoogste en gij verandert niet, en de dag van vandaag speelt zich niet in u af, en speelt zich toch in u af, omdat in u ook al deze vergankelijke dingen zijn: zij zouden immers geen wegen hebben om voorbij te gaan, als gij ze niet omvat hieldt; en aangezien uw jaren niet ten einde gaan, zijn uw jaren de dag van vandaag… en alles wat morgen of na morgen zijn zal, alles wat gisteren en voor gisteren geweest is, gij zult het vandaag maken, gij hebt het vandaag gemaakt. Kan ik het helpen wanneer iemand dit niet begrijpen zou? Laat hij zich toch maar verblijden en liever niet-vindend u vinden dan vindend u niet-vinden.”

 

145-146; VII iii 4 “Maar hoewel ik zei en stellig overtuigd was dat gij aan bezoedeling en wisseling en enigerlei verandering niet onderhevig zijt, gij, onze Heer, de ware God, die niet alleen onze zielen maar ook onze lichamen gemaakt hebt, de oorzaak van het kwaad had ik toch nog niet opgehelderd en ontward.”

 

161; VII xi 17 “En ik richtte mijn ogen op al het andere dat beneden u is, en ik zag dat het evenmin algeheel is als algeheel niet-is: het is, omdat het van u afkomstig is; het is niet, omdat het niet datgene is wat gij zijt: waarlijk zijn doet immers alleen datgene wat onveranderlijk in stand blijft.”

 

163; VII xix 25 “indien immers iemand het ene ogenblik de ledematen van zijn lichaam door zijn wil beweegt en het andere ogenblik niet, indien hij het ene ogenblik een gevoelsaandoening ervaart en een ander ogenblik niet, indien hij het ene ogenblik door tekens verstandige gedachten uit uiting brengt en een ander ogenblik blijft zwijgen, dan zijn dat dingen die kenmerkend zijn voor veranderlijkheid van ziel en geest.”

 

268; XI vii 9 “Gij roept ons aldus tot het begrijpen van het Woord, dat God bij u, bij God is, het Woord dat eeuwig gezegd wordt en waardoor alle dingen in eeuwigheid gezegd worden. Want daar komt geen einde aan wat gezegd werd, waarna dan iets anders gezegd wordt, zodat aldus alles gezegd kan worden; neen, alles wordt tegelijk en in eeuwigheid gezegd. Was dat niet zo, dan was er al tijd en verandering, en dan was geen echte eeuwigheid, geen echte onsterfelijkheid.”

 

297; XII xv 18 “Welnu, iedere aandacht die aldus wijzigingen ondergaat, is veranderlijk, en al wat veranderlijk is, is niet eeuwig; onze God echter is eeuwig. Wanneer ik deze dingen bijeen breng en met elkaar verbind, kom ik tot de bevinding dat mijn God, de eeuwige God, niet door een of andere nieuwe wil het aanzijn van de schepping heeft gegeven en dat ook zijn weten niet aan iets van voorbijgaan onderhevig is.”

 

328; XIII xvi 19 “Want hoe gij in uw volstrektheid zijt, weet gij alleen, gij die onveranderlijk zijt, en onveranderlijk weet en onveranderlijk wilt, en uw zijn weet en wil onveranderlijk, en uw weten is en wil onveranderlijk en uw wil is en weet onveranderlijk; ten overstaan van u ziet men dat het niet rechtmatig is, wanneer van het onveranderlijk licht zo door een veranderlijk en verlicht wezen geweten zou worden als dat onveranderlijk licht van zichzelf weet.”